Boterwetten in internationaal perspectief

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Vergaande wetten in Verenigde Staten


Het verzet tegen de margarine was het sterkst in de Verenigde Staten en daar werden ook de meest vérgaande wetten aangenomen. Sommige staten, zoals New Hampshire, stelden de eis dat de margarine een of andere exotische kleur moest hebben, bijvoorbeeld groen of rose, om te voorkomen dat winkeliers margarine als boter zouden verkopen. In 1886 kwam bovenop deze wetgeving nog een federale wet, waarbij voor de margarinefabricage speciale vergunningen werden ingevoerd en het product aan diverse belastingen en heffingen werd onderworpen. Het Hooggerechtshof verbood de staten uiteindelijk margarine een afwijkende kleur voor te schrijven, maar in plaats daarvan introduceerde ze wetten, waarbij de toevoeging van elke kleur, dus ook de 'natuurlijke' gele kleur, werd verboden.

Pakafdeling van margarinefabriek te Oss


Denemarken en Frankrijk

In Denemarken was al in 1885 een wet ingevoerd, waarbij bepaald werd dat alle kunstboter moest worden verpakt in tobbetjes (een soort vaten) van een bijzondere, dus van botervaten afwijkende, vorm. In Frankrijk was in 1887 een wet aangenomen, waarin het verbod was opgenomen om botersurrogaten te verkopen, wanneer niet op de verpakking de aanduiding 'margarine' of 'graisse alimentaire' was aangebracht. Hoe streng er daadwerkelijk werd gestraft, blijk uit enkele uitspraken die een rechtbank in Bayeux deed inzake kooplieden die een boter-margarinemengsel onder de naam boter hadden verkocht: twee mannen kregen drie, één kreeg vier maanden gevangenisstraf en enkele duizenden francs boete.[89]


Engelse wetgeving beïnvloedt Nederland

Vanwege de export was voor de Nederlandse industrie de wetgeving in Engeland uiteraard van het meeste belang. In 1887 werd in het Lagerhuis een commissie gevormd die de opdracht kreeg een onderzoek in te stellen naar het bedrog in de boterhandel. De discussie in het Engelse parlement spitste zich voornamelijk toe op de naamgeving: de Engelse benaming voor kunstboter, 'butterine', werd geacht misleiding van het consumerende publiek in de hand te werken.

De stemming onder de parlementariërs was niet erg vijandig tegenover de kunstboterfabrikanten, omdat ze zich realiseerden dat grote bevolkingsgroepen op het product waren aangewezen. Vertegenwoordigers van de grote steden (Londen, Manchester, Liverpool) namen dan ook een gematigd standpunt in tegenover eventuele wetgeving.

Uiteindelijk werd een naamsverandering goedgekeurd: in plaats van butterine moest het artikel voortaan als 'margarine' aangeduid worden.[90]

Bij het opstellen van de Nederlandse Boterwet was de Britse Margarine Act van 23 augustus 1887 nauwkeurig bestudeerd. Tijdens de behandeling van het wetsontwerp in het Nederlandse parlement, werd er regelmatig naar verwezen en de uiteindelijke Boterwet toonde dan ook veel overeenkomsten. De naam margarine werd verplicht gesteld en moest aangebracht worden op de verpakking; ook de definitie van 'boter' was op de Engelse wet afgestemd.


Duitsland streng

De Duitse wet, eveneens uit 1887, was aanmerkelijk strenger dan de Engelse en de Nederlandse. Ook daar werd een verplichte naamsvoering voor het boter surrogaat ingevoerd en men koos, na een eerdere optie voor 'Kunstbutter', voor 'Margarine'. Het verschil zat in een aantal aanvullende bepalingen. Alle verkoopplaatsen van kunstboter moesten worden aangeduid met de woorden 'Verkauf von Margarine'.

Ook moest de verpakking, behalve van de opdruk 'Margarine' voorzien zijn van de naam van de fabrikant of firma.

De strengste eis was het verbod van menging van boter met alle vormen van het surrogaat.


Soepele Nederlandse boterwet

De Nederlandse Boterwet van 1889 daarentegen was erg soepel. In Nederland was, meer dan in enig ander land, de margarine industrie van een groot economische belang. De wetgeving was moeizaam en aarzelend tot stand gekomen, zij bleek in de praktijk niet doelmatig. Er kwam geen einde aan de mengpraktijken in de binnenlandse of buitenlandse boterhandel, wat vooral te wijten was aan de onvoldoende controle die de overheid kon uitoefenen.[91]

Daarnaast bevatte de wet lacunes, die een gericht optreden in de praktijk onmogelijk maakten. Daarvan profiteerden met name de zogenaamde potjesboeren, kleine handelaren die zich vaak voordeden als boeren en hun waar aan huis afleverden. Juist door deze groep werd vol overgave geknoeid en margarine voor boter verkocht, maar de wet van 1889 had hierop geen greep. Een nieuwe wet uit 1900 bracht later verbetering: de controle zou worden uitgeoefend door deskundige ambtenaren en de straffen werden zwaarder.

Centrifugelokaal van de margarinefabriek

Voor de margarineindustrie heeft de Boterwet van 1889 nauwelijks negatieve gevolgen gehad. Van een teruggang in productie of afzet, zowel in binnen- als buitenland, is in de cijfers weinig terug te vinden.[92] Ongetwijfeld werd er nog steeds margarine als boter verkocht, want een jarenlange traditie van bedrog was niet met één pennenstreek uit te bannen, maar in het algemeen kan gezegd worden dat de margarinehandel het ook op eigen kracht en onder eigen vlag wist te redden. Unilever geschiedschrijver Ch. Wilson beweert zelfs:

'In Engeland hadden de wetten van 1887 en 1907, verre van de margarinefabrikant belemmeringen in de weg te leggen, hem onbetwistbaar geholpen'.[93]

Via de wetgeving probeerde men alleen zoveel mogelijk de knoeierijen in de boterhandel tegen te gaan.

De Engelse consument was gemakkelijker te winnen voor de margarine dan de Nederlandse. In Nederland stond de margarine nog veel langer in een kwalijke geur en het duurde zelfs tot na de Eerste Wereldoorlog voordat het artikel door brede lagen van de bevolking werd geaccepteerd.[94]