De Boterwet van 1889

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

De zuivelindustrie voelt zich steeds meer bedreigd


De verbetering van de kunstboterkwaliteit viel ongeveer samen met de hoge prijzen voor echte boter op de Engelse markt. In de jaren zeventig was er in de verschillende landen vanuit zuivelkringen hoegenaamd geen aandacht besteed aan het kunstproduct, dat men in zijn eigen marktsegment gerust bestaansrecht gunde.[74] De goedkope oleo werd echter de basis voor mengpraktijken die het onderscheid tussen mindere botersoorten en kunstboter deden vervagen.

Het was dan ook niet vreemd dat het succes van dergelijke kunstboter een reactie van de zijde van de natuurboter producenten teweegbracht. Toen rond 1880 het aantal kunstboterfabrieken binnen zeer korte tijd explosief steeg, organiseerde de gealarmeerde zuivelindustrie een breed verzet. De strijd tussen boter en kunstboter werd uitgevochten in dagbladen, tijdschriften en brochures.

Het startsein voor de polemiek, die de gehele jaren tachtig zou voortduren, was een rapport uit 1881 van de Utrechtse afdeling van de Vereeniging tot Bevordering van Fabrieks- en Handwerksnijverheid in Nederland. Hierin stelden drie leden de vraag:

'Ligt het niet op de weg der Vereeniging, bij het wettig gezag aan te dringen op maatregelen van toezicht, zoowel wat de grondstoffen als de bewerking van kunstboter betreft?'.[75]

Zij beweerden in het rapport dat door de fabrikanten van kunstboter op uitgebreide schaal wordt 'geknoeid' en dat een voor de gezondheid schadelijk product aan de consument wordt geleverd. Dat de verontrusting bij leden van de Vereeniging niet op een willekeurig tijdstip plaatsgreep blijkt wel uit het volgende citaat.

'Wat hier speciaal het artikel kunstboter betreft, zoo is, bij de enorme konkurrentie, welke het ruim 125 tal fabrieken (wier vermeerdering nog niet ophoudt) elkander nu reeds aandoet, het ten hoogste twijfelachtig of niet het surrogaat product kunstboter door vele fabrikanten met stoffen en ingrediënten wordt vermengd, die zeer zeker geen gunstigen invloed op de gezondheid kunnen uitoefenen'.[76]

Zo weinig ingenomen was men blijkbaar met de steeds uitdijende industrie, dat het werkelijke aantal van rond de zeventig fabrieken bijna verdubbelde.

Kneedafdeling: hier wordt de emulsie gekneed tussen ronddraaiende walsen, waardoor het product een gelijkmatige structuur krijgt


Mouton verdedigt margarine


Het rapport lokte een reactie uit van de Haagse kunstboterfabrikant dr. J. Mouton, die zich in de daaropvolgende jaren zou opwerpen als de integere pleitbezorger van de nieuwe industrie. In 1881 verscheen van zijn hand een brochure (in die tijd bij uitstek het voertuig voor polemiek), waarin hij de aantijgingen uit het rapport probeerde te pareren. De beschuldiging dat de kunstboter schadelijk zou zijn voor de gezondheid, wist hij vrij gemakkelijk te weerleggen, aangezien die alleen gebaseerd bleek te zijn op vage geruchten uit de Verenigde Staten.

In zijn opvatting dat margarineboter - deze term prefereerde hij - een gezond en voedzaam artikel was, werd Mouton gesteund door natuurkundig onderzoek. Wetenschappers van naam als prof. D. Grothe en prof. A. Mayer lieten artikelen verschijnen waarin zij de fabricage en samenstelling van het product analyseerden. Hun conclusie was dat goede margarineboter weinig voor natuurboter hoefde onder te doen, dat het in smaak wel achterbleef, maar in voedzaamheid en verteerbaarheid (een teer punt) ongeveer gelijk stond.


Kunstboter schadelijk of zelfs levensbedreigend?

Er lopen in de polemiek tot omstreeks 1885 twee discussies door elkaar: de ene betrof de veronderstelde schadelijkheid van het product kunstboter en de andere was de vermeende 'knoeierij' in de handel, dus het verkopen van surrogaat als echte boter. Net toen in Nederland de eerste discussie uitgewoed leek en in wetenschappelijke kring een aantal vooroordelen tegen de kunstboter terzijde waren gelegd, stak er opnieuw een storm van protest op. Dit verzet vond alweer zijn oorsprong in de Verenigde Staten en weer was Mouton present om de aanvallen af te slaan, die volgens hem en zijn medefabrikanten onterecht en belachelijk waren. Aanleiding voor de commotie was een rapport van een senaatscommissie van de staat New York uit 1884, die na onderzoek tot zeer vérstrekkende conclusies kwam:

'De commissie is van oordeel, dat het vermeerderd aantal sterfgevallen in de Vereenigde Staten voor een deel te wijten is aan de slechte grondstoffen, die voor de kunstboter worden gebezigd, en dat geheel verbieden der fabrikatie van oleomargarine het eenige middel ter verbetering is.' [77]

Naar aanleiding van dit rapport en de enquête die eraan ten grondslag lag, werd in New York een wet aangenomen, de Act to prevent deception in sales of dairy products. In artikel 6 van deze wet was het verbod opgenomen om uit margarine achtige stoffen een artikel te bereiden, dat bestemd is om boter of kaas te vervangen. Voor de enquêtecommissie hadden verschillende personen verklaringen afgelegd over de vermeende schadelijkheid van kunstboter en oleomargarine en het gebruik van giftige stoffen.

Charles Moses, wonende 41 First Avenue, werkte vroeger in de fabriek van Nathan & Co. in Groverstreet. Hij verklaarde, dat

'hij boter verpakte, dat hij daarbij de nagels van zijne vingers verloor, en kloven in het vleesch kreeg van het vocht, dat op zijn schoenen spatte en daarin gaten vrat. De dokter zeide hem, dat hij zou bezwijken, als hij met dat werk voortging. Zijne tanden raakten los en vielen uit. Hij kreeg eene bloedspuwing.' [78]

Kneedafdeling: hier wordt de emulsie gekneed tussen ronddraaiende walsen, waardoor het produkt een gelijkmatige structuur krijgt

Werken in de margarineindustrie was een levensbedreigende bezigheid, zo leek dit onderzoek te waarschuwen.

De nieuwe industrie was niet populair in de Verenigde Staten, wat vooral te maken had met de positie van de Amerikaanse landbouw. De agrarische sector vormde een machtige lobby en zijn vertegenwoordigers oefenden sterke pressie uit op de politiek om een strenge anti margarine wet aangenomen te krijgen. De staat New York was in deze tijd een agrarische staat, waar veeteelt en zuivelbereiding belangrijke middelen van bestaan waren. De concurrentie van de kunstboter en de oleomargarine werd door de boterboeren als zeer bedreigend ervaren.

De landbouw lobby functioneerde in ieder geval naar behoren want de gewenste anti-margarinewet kwam erdoor. Het aannemen van de wet in de Verenigde Staten had ook invloed op de situatie in Europa. Via de Britse ambassadeur in Washington kwam de tekst van de wet en begeleidend materiaal terecht in Engeland. Kort daarop, in 1884, werd in het Britse parlement over de kwestie gedebatteerd. Voor de Nederlandse fabrikanten leek de situatie nu echt precair te worden: Groot-Brittannië was hun belangrijkste afzetgebied. Zij maakten zich op voor een bescheiden tegenoffensief.[79]

In december 1884 kreeg Henri Jurgens de gelegenheid de zaak van de margarine branche te bepleiten in een voordracht voor een gezelschap Engelse heren in de Society of Arts. Mouton liet in 1885 een Engelstalige brochure het licht zien, waarin onder andere te lezen was:

'The following lines are addressed to the Honorable Members of both Houses of Parliament, and other influent men, whose position enables them to guide the lower classes, and thus secure to them this cheap and wholesome food.' [80]

Jurgens lobbyde ook door hooggeplaatste Engelsen uit te nodigen in zijn fabriek in Oss, opdat ze er met eigen ogen van overtuigd konden raken dat de vooroordelen ongegrond waren.


Ongrondwettig

Toch was er voor de Nederlandse fabrikanten weinig reden om zich grote zorgen te maken. De Engelse parlementariërs, traditioneel gekant tegen elke vorm van protectie in handel en industrie, voelden er weinig voor de eenzijdige Amerikaanse wet over te nemen. Ook in Amerika zelf was verzet gerezen en in juni 1885 werd de wet door het hooggerechtshof ongrondwettig verklaard. Er kwamen echter andere ingrijpende bepalingen voor in de plaats.