De Nederlandsche Handel-Maatschappij

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Handel speelt in op bedrijfsvoering raffinadeurs

Voor het succes van de stoomgedreven raffinaderijen, en zeker voor expansieve bedrijven als dat van De Bruyn, was de Nederlandsche Handel-Maatschappij onmisbaar. In de jaren '30 besloot de Handel-Maatschappij alle Indische cultures nieuw leven in te blazen, waarbij de suiker speciale aandacht kreeg. Om de raffinadeurs ter wille te zijn, hield de nhm haar suikerveilingen ongeveer elke twee à drie maanden, met minstens vijf publieke verkopingen per jaar. Aldus hoefden de raffinadeurs per keer niet meer zulke grote hoeveelheden ineens aan te kopen, waarmee grote sommen gelds renteloos vast kwamen te liggen. Dit waren algemene beleidslijnen die al waren vastgelegd voordat er van massale stoomraffinage in Nederland sprake was.

De wisselwerking tussen handel en raffinadeurs werd echter bijzonder spannend omstreeks 1840. Uit eigener beweging was de Handel-Maatschappij al enige tijd bezig om de Javaanse ruwsuikerfabricage te moderniseren en daarmee kwam een groeiende hoeveelheid suiker naar Nederland.


Afhankelijkheid van grote afnemers

Die had eventueel ook goed door de tientallen kleine raffinaderijen verwerkt kunnen worden, maar er waren ondertussen enkele grote afnemers gekomen: Rupe, De Bruyn, Beuker & Hulshoff. In 1836 lijkt het alsof de nhm eigenlijk meer suiker aanvoerde dan zij verwachtte te kunnen verkopen. Het voorgaande jaar waren er 82.625 fusten Javasuiker verkocht, nu had men bijna 104.000 fusten kunnen verkopen:

Imposant torende de Nederlandsche Suikerraffinaderij uit boven de omgeving

'Tot het debiet dier ontzettende aanvoeren heeft in groote mate bijgedragen de zeer sterke consumtie der raffinaderijen en bepaaldelijk van die door stoom gedrevenen, welke door de lage prijzen waartoe dezelve hun geraffineerd kunnen afzetten, tegen Engeland hebben kunnen concurreeren, niet alleen in de uitvoer naar de Middellandsche Zee en elders, doch zelfs op de Engelsche markten zelve, alwaar zij hunne suikers vier schellingen beneden het aldaar geraffineerde konden plaatsen.' [68]

Twee jaar later was de directie al gewend aan deze afnemers, er werd zelfs geconstateerd dat stoombedrijven meer konden verwerken dan wat de nhm uit Java aanvoerde. Dus men maakte zich geen zorgen over een toekomstige toename van de rietsuikerproductie op Java, te meer omdat ook Duitsland een grote afnemer van ruwe suiker aan het worden was.[69] Aan dat laatste kwam overigens na een jaar alweer een einde.[70] Toen had de Handel-Maatschappij 187.000 fusten aangevoerd op haar zes veilingen, en bij gebrek aan Duitse afnemers en met dalende Europese suikerprijzen had de directie gevreesd voor een rampzalig jaar. Dat viel mee dankzij

'de twee voornaamste koopers, eigenaars der beide zoo uitgestrekte stoomraffinaderijen',

maar enige bezorgdheid klinkt al door in de toevoeging dat de nhm daar 'meer en meer cijnsbaar' aan werd. [71]

Die huiver wordt duidelijker in 1840, toen de hele aanvoer op de april-veiling in Rotterdam voor het grootste deel was verkocht aan de stoom-raffinadeurs

'van welke de uitslag der suiker-veilingen, zoo als bekend is, maar al te zeer afhankelijk wordt.' [72]


Druk op nhm verder opgevoerd

Tot een confrontatie kwam het dan in 1841. De De Bruyns probeerden toen òf, en hoe sterk, ze de Handel-Maatschappij onder druk konden zetten. De directie van de nhm ontving een voorstel om van tevoren de koopprijs te regelen voor de suiker die de raffinadeurs op de drie komende veilingen zouden komen kopen. Tegenover een prijskorting zouden de heren De Bruyn dan een soepele tussentijdse betalingsregeling stellen. Dit voorstel viel evenwel volkomen verkeerd bij de directie: het werd

'niet zonder verontwaardiging [...] ontvangen, en beschouwd als den voorstelleren weinig eer aan te doen, vermits hetzelve op eene volstrekte misleiding van alle overige kopers in de veiling doelt.' [73]

Enkele maanden later nam de ongerustheid toe over de voorschotten die de nhm haast gedwongen was om aan deze grootafnemers te verlenen. Om een idee te geven van de verhoudingen op een nhm-suikerveiling[74] :

Veiling 8 september 1841 De Bruyn 19000 fusten à fl. 28 gemiddeld

Rupe 4295

Beuker & Hulshoff 3525

Eyben & Co 650

Fisler & Tetterode 325

Kookpannen suikerindustrie

Op de novemberveiling van dat jaar kocht De Bruyn zelfs voor bijna 1,5 miljoen gulden en in januari 1842 beliep hun krediet fl. 546.507. De nhm probeerde nu in ieder geval een bovengrens vast te stellen, maar men was wel overtuigd van de noodzaak van een ruimhartige kredietverlening.[75]

In maart werd de toestand uiterst precair. Een Duits commissionairshuis was failliet gegaan en dat had voor Rupe een verlies van ongeveer f 88.000 betekend; ook de firma De Bruyn raakte nu in moeilijkheden en kondigde aan dat zij niet meer op de veilingen zou kopen, en niet zou kunnen kopen, als er niet meer krediet werd verleend. Tot dan toe had de nhm geen problemen met Rupe gehad omtrent voorschotten, en men vond het nodig om althans aan die firma extra steun te verlenen

'vooral omdat het schijnt dat De Bruyn, wiens ondernemingsgeest geene grenzen kent, het voornemen heeft om naar een monopolie op de suikermarkt te streven.' [76]


Expansie en voorschotten

Het is merkwaardig dat in precies deze periode waarin De Bruyn enorme voorschotten nodig had, de expansie van hun raffinaderij onverminderd voortging. Ook in de volgende jaren, toen de nieuwbouw op het Bolwerk Osdorp en de oprichting van de Hollandsche Gaz-fabryk in volle gang waren, werd er doorlopend onderhandeld met de nhm over kredieten. In de nieuwe nv Nederlandsche Suikerraffinaderij is te zien bij wie de De Bruyns zoal in het krijt stonden, want de crediteuren werden er aandeelhouder naar rato van hun vorderingen. De belangrijkste zijn enkele handelshuizen:

Nederlandsche Handel-Maatschappij fl 462.000

Goll & Cie, Amsterdam 315.000

Fred. Huth & Cie, Londen 328.000

P. & C. van Notten, Londen 181.000

Meyer & Van Essen, Amsterdam 136.000

J. Merck & Co, Hamburg 138.000

Siordet Meyer & Co, Londen 114.000

Verder waren er nog enkele machinefabrieken, zoals de Engelse firma Butterley & Cie te Alfreton (f 60.000), J. Zimmer te Amsterdam (f 16.000), Van Vlissingen, Dudok van Heel (f 15.000).


Financiering van kapitaalgoederen en voorraden

Uit de lotgevallen van de Nederlandsche Suikerraffinaderij blijkt dat de financiering van dergelijke ondernemingen een hoofdstuk apart vormde.[77] De grote kapitaalbehoefte was gedeeltelijk het gevolg van de dure gebouwen en machines, die voor 2 miljoen op de balans stonden. Minstens zo belangrijk was echter het geld dat noodgedwongen vastlag in voorraden (ruwe) suiker die hoorden bij de grote omzet waar de raffinadeur naar streefde. Die omzet moest hij wel halen om zijn investeringen rendabel te maken en een grote productie wilde hij maken omdat de markt ertoe uitnodigde. De grondstof- en productprijzen fluctueerden, wat hem de kans tot winstgevende speculatie gaf.

Toch raakte de Nederlandsche Suikerraffinaderij na tien jaar weer in de versukkeling. In 1861 werd de fabriek aan de Looiersgracht verkocht aan de nieuwe nv Hollandsche Suikerraffinaderij[78] , die op het Bolwerk Osdorp ging in 1877 over op de nv Amstel Suikerraffinaderij.[79]