De prijs van margarine

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Hoge prijzen natuurboter gunstig voor kunstboterfabrikanten

Aan het einde van de jaren zeventig was de Engelse prijs van goede natuurboter sterk gestegen en daarom moest de iets minder draagkrachtige consument zich tevredenstellen met de wat mindere soorten: mengboter en wat er verder tegen lagere prijs in botervaten werd aangevoerd. De 'butterine' leek dan ook zo slecht nog niet.

Gecombineerd met de vrije beschikbaarheid van goedkope oleo was dit een buitenkans voor handige ondernemers. In veel gevallen waren het fabrikanten die al een zaak hadden en die in de bestaande bedrijfsruimte plaats maakten voor de kunstboterfabricage. Afhankelijk van het succes werd dit nevenbedrijf weer afgestoten of werd het bedrijf geheel ingericht voor de nieuwe activiteit. Opvallend is dat vaak in dezelfde stad plotseling een stuk of drie fabriekjes kort na elkaar werden opgericht. Succesvolle voorbeelden vonden onmiddellijk navolging.

Grootverpakkersafdeling


Marktverhouding natuurboter en kunstboter

In de vroege jaren zeventig had de kunstboter geen echte bedreiging voor de botermarkt gevormd, omdat de afzet van het artikel in een ander segment van de markt plaatsvond. Vooral diegenen die zich slechts wat vet of reuzel als voedingsvet konden veroorloven, toonden interesse. Bij het toenemen van de kwaliteit van de kunstboter, werd het echter vanzelfsprekender dat bevolkingsgroepen (bijvoorbeeld uit de middenklasse) de overstap maakten van boter naar kunstboter.

De toenemende consumptie van kunstboter ging in dit geval vooral ten koste van die van inferieure kwaliteiten boter, waartoe overigens veel Nederlandse boter was gaan behoren. Betere soorten als de Deense boter hadden weinig last van deze concurrentie.

De marktverhouding tussen boter en kunstboter was voornamelijk gebaseerd op een negatieve keuze: gingen de boterprijzen omlaag, dan ging de consument razendsnel over op echte boter en liet het surrogaatartikel liggen. De afzet van de kunstboterproducenten stond derhalve in nauw verband met de prijsfluctuaties van de boter.[58] Vooral in de zomer, wanneer de boterproductie groter was dan in de andere seizoenen, had de kunstboterfabrikant het moeilijk. Lage natuurboterprijzen waren dikwijls fataal voor de fabrikanten, vooral voor degenen die mindere kwaliteiten kunstboter maakten.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat rond 1883/1884, toen de boterprijzen erg laag waren, een groot aantal kunstboterfabrieken ophield te bestaan. Van de fabrikanten uit de boom-fase (1879-1883) waren er veel die het niet konden bolwerken: van de bijna zeventig fabrieken waren er in 1883 nog ruim veertig over.

Meer dan 90 procent van de Engelse kunstboter-import bleef uit Nederland komen en er leken weinig kapers op de kust. Vanaf 1891 kwamen er echter grote hoeveelheden Australische boter op de Engelse markt, die de prijs van de Europese boter en de kunstboter spectaculair deden dalen. In de jaren hierna namen deze aanvoeren reusachtige proporties aan, met als gevolg dat de afzet van de kunstboter in gevaar kwam.

De jaren negentig waren voor de kunstboter industrie een slechte periode. Deze crisis werd veroorzaakt door de zware concurrentie van de genoemde 'koloniale' boter en door de prijs van oleomargarine, die periodiek een enorme hoogten bereikte.

Bovendien vonden de fabrikanten in verschillende landen tariefmuren op hun weg. Frankrijk en Duitsland hadden hoge invoerrechten ingesteld om de import van Nederlandse kunstboter te beperken en daardoor de ontwikkeling van een binnenlandse margarine industrie te bevorderen. In 1895 nam ook België soortgelijke maatregelen en juist in dit land hadden verschillende kleinere fabrieken een redelijke afzet gehad. Jurgens en Van den Bergh hadden voor dergelijke problemen een simpele remedie: ze richtten eigen fabrieken op over de grenzen. Bedrijven die tot dergelijke investeringen niet in staat waren, moesten afhaken.


Kunstboter op idealistische grondslag, boter voor de armen

Naast boterhandelaren traden tijdens de grote oprichtingsgolf ondernemende lieden uit tal van branche vreemde industrieën op de voorgrond. Dr. J.Th. Mouton was van oorsprong chemicus, een combinatie die in de kunstboter industrie wel vaker voorkwam.[59] In de bloeiperiode van de industrie, waarin (onkundige) <goudzoekers> een graantje wilden meepikken van de nieuwe trend, vormde Mouton echter een positieve uitzondering. Hij stelde zich oprecht ten doel de lagere klassen een betaalbaar alternatief voor boter te bieden: een goede margarineboter, 'de boter voor de armen', zoals ze later genoemd zou worden.

Doctor in de wis- en natuurkunde Johannes Theodorus Mouton (1840 1912) was enig firmant van J. Mouton en Zoonen, een bedrijf in Den Haag dat bestond uit een apotheek en een fabriek van pharmaceutische produkten. Als gevolg van een brand in de fabriek in 1878 zag Mouton zich gedwongen de fabricatie van chemicaliën en geneesmiddelen te staken en op de puinhopen van de voormalige fabriek richtte hij in 1879 een 'margarineboterfabriek' op, tot dan toe een onbekend fenomeen in Den Haag. De fabriek ging van start met twee stoommachines van 6 pk nominale krachten produceerde vanaf het begin voor de export naar Engeland.

Zoals gezegd werd Mouton, behalve door zakelijke motieven, ook gedreven door een idealistische instelling. In zijn brochure Margarineboter uit 1881 verklaarde hij:

'Ik richtte de Haagsche Margarineboter Fabriek op in 1879, na rijp beraad en grondig onderzoek der fabriekatie. Ik deed dat in het volle besef, van daarmede te zullen bevorderlijk zijn aan de verspreiding van een voor het leven van den mensch noodzakelijk voedingsbestanddeel, in eenen vorm en voor eenen prijs, waardoor het ook voor den minder gegoede ten allen tijde zou bereikbaar zijn.' [60]

Mouton was erg actief in het maatschappelijke leven van zijn tijd: hij was onder meer raadslid en later ook wethouder van de gemeente Den Haag. Daarnaast vervulde hij functies in economische belangenverenigingen, zoals het voorzitterschap van de Haagse Kamer van Koophandel, van het hoofdbestuur van de Vereeniging ter Bevordering van Fabrieks- en Handwerknijverheid in Nederland (vfhn) en van de Vereeniging van Margarineboterfabrikanten in Nederland.

In deze laatste hoedanigheid maakte hij zich sterk voor de verdediging van de margarineboter tegen aanvallen op dit nieuwe product. Polemieken werden uitgevochten in krantenartikelen en omdat hij ontevreden was over de hem beschikbaar gestelde ruimte, nam hij zijn toevlucht tot het uitgeven van verschillende brochures.

Overzicht van het fabriekscomplex van Timmerman & Co in Nijmegen

Een andere discussie waarin Mouton zich mengde, was die over de octrooiwet, of beter gezegd, over de afwezigheid daarvan in Nederland. Een groot aantal industriëlen wilde de octrooiwet terughalen, een bijna even grote groep was daar tegen. Mouton was een fel tegenstander van het beschermen van de uitvinder, omdat hij meende dat de industriële ontwikkeling daardoor belemmerd zou worden. Als bewijs voor zijn gelijk wees hij op 'zijn' margarine-industrie. De fabrieken in deze sector hadden in korte tijd veel verbeteringen doorgevoerd en waren erin geslaagd kwaliteit en kwantiteit van hun producten steeds op te voeren. Volgens Mouton zou dit alles niet gebeurd zijn, indien in Nederland een octrooiwet van kracht zou zijn geweest en dus elke kleine toepassing wettelijk beschermd zou zijn geweest.[61]

Kwaliteit van het product was ook een stokpaard van de Haagse fabrikant; door wetenschappers werd de kunstboter die Mouton produceerde geroemd en de fabrikant zelf werd geprezen als een voorbeeldig ondernemer. Dat deze beeldvorming niet geheel onterecht was, blijkt wel uit het feit dat de kunstboters van Mouton op nationale en internationale tentoonstellingen in de periode 1883 1887 vier zilveren en twee gouden medailles wisten te behalen.

Door de goede reputatie van de kunstboter van Mouton werkte de fabriek met voorspoed, hoewel de Kamer van Koophandel periodieke inzinkingen constateerde. In 1883:

'De Haagsche Margarineboter Fabriek had geregeld werk, hoewel de lage prijzen der natuurboter natuurlijk ook haar debiet, vooral gedurende de zomer, drukten'.[62]

In 1889 werd opgemerkt:

'Er was geregeld werk en de prijzen der grondstof stegen niet zoo, dat de afzet werd bemoeilijkt'.[63]

Het jaar daarop was de situatie weer alarmerend:

'De Haagsche Margarineboter Fabriek ondervond in 1890 evenals alle kunstboterfabrieken de invloed der lage zuivelprijzen, in verband met den overvloed van natuurboter'.[64]

In 1889 werd een begin gemaakt met de verplaatsing van de fabriek naar Rijswijk, omdat de bestaande fabriek kampte met ruimtegebrek. In Rijswijk ging de fabriek een voorspoedige toekomst tegemoet en het bedrijf slaagde erin de overige fabrikanten lastige concurrentie te bezorgen. Na een overname in 1911 veranderde de naam in nv De Nieuwe Margarinefabrieken Rijswijk. Als onderdeel van Calvé Delft sloot het bedrijf zich in 1928 aan bij de Margarine Unie, de voorloper van Unilever. In 1930 tenslotte werd de fabriek in Rijswijk gesloten.