De stoomploeg

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Een stoomploeg op de Badhoeve


Mr. J.P. Amersfoordt, hereboer op de Badhoeve in de Haarlemmermeerpolder, werd in 1859, op weg naar een landbouwtentoonstelling in Zaandam, aangesproken door een Engelse vertegenwoordiger van Ransomes & Sims, die hem op de hoogte bracht van de laatste ontwikkelingen op het terrein van de stoomploeg.[64] Later ontving hij van de vertegenwoordiger een prospectus waarin vier fabrikanten stoomploegen aanprezen. In 1860 vertrok Amersfoordt naar Engeland om de ploegen ter plekke te bekijken, maar pas tijdens een tweede reis in 1861 kon hij een demonstratie van de stoomploeg van Fowler meemaken.

De Stoomploeg van Fowler, ong. 1860

Nadat hij eind 1861 bezoek had gehad van een werknemer van Fowler die de mogelijkheden om de stoomploeg te gebruiken in de Haarlemmermeer had bekeken, trok hij in 1862 met drie arbeiders naar Engeland om een stoomploeg te bestellen, die te laten aanpassen aan de eisen die de landbouwgrond in de Haarlemmermeer stelde en om zijn arbeiders vertrouwd te maken met de nieuwe techniek.


Ondanks deze grondige voorbereiding ging er vervolgens nog veel mis. Eerst kon de stoommachine in de Amsterdamse haven niet gelost worden, vervolgens bleek de stoomketel te groot om onder de Amsterdamse bruggen door gevaren te worden, waarna de ketel gedemonteerd werd en in de Haarlemmermeer weer in elkaar werd gezet. Eindelijk sloeg op 15 oktober 1862 Amersfoordt zelf de hand aan de eerste Nederlandse stoomploeg, maar zelfs dat ging niet zonder problemen. Verschillende veranderingen moesten worden aangebracht om te voorkomen dat de zware machine voortdurend in de grond wegzakte, onderdelen begaven het en de stoomploeg kwam een aantal malen in een sloot terecht.

Maar op den duur wierp het experiment enige vruchten af: met de machine bleek het mogelijk om per dag ca 3 hectare op 35 cm diepte te ploegen, maar daarvoor had men wel zes personen nodig: een machinist, een pomper, een ploegknecht en drie jongens.


Prestige

Van der Poel, die deze geschiedenis in zijn boek over de landbouwmechanisatie in Nederland vertelt, merkt er bij op dat het een duidelijk prestige-kwestie was (geworden): Amersfoordt wilde de geschiedenis ingaan als de pionier op het gebied van de landbouwmechanisatie. Dit is hem, mede dankzij de uitvoerige verslagen die hij zelf schreef, aardig gelukt. Het experiment van Amersfoordt trok in 1862 al meteen de aandacht: van heinde en ver trok men naar de Badhoeve om het stoomploegen gade te slaan.


Kapitaalkosten en loonkosten

Amersfoordt was overigens niet de enige die in het begin van de jaren zestig geïnteresseerd was in deze nieuwe techniek. Op initiatief van de Koninklijke Landbouw Vereeniging maakte G.J. van den Bosch jr., de latere directeur van de Wilhelminapolder, in 1861 een speciale studiereis naar Engeland om de stoomploegen te bestuderen. Daarbij bezocht hij een aantal hereboeren die met een stoomploeg werkten en een grote demonstratie van de verschillende typen stoomploegen. In de uitvoerige brochure die hij van deze studiereis publiceerde, beschreef hij deze verschillende typen, die globaal in drie groepen uiteenvielen: de ploegen die werden voortbewogen door zelfrijdende stoommachines, dus tractoren, de ploegen die met behulp van metalen koorden werden voortbewogen door een stationaire machine en tenslotte het systeem van Fowler, waarbij de stoommachine aan één kant van het veld meereed.[65]

Het eerste type viel al bij de eerste proeven af. De zware machines zakten voortdurend weg in de grond en persten het bouwland door hun gewicht teveel samen. De demonstratie in Engeland ging vooral tussen de ploeg van Howard en die van Fowler, waarbij die van Fowler uiteindelijk als beste naar voren kwam. De kosten van de stoomploegen waren echter enorm: voor een complete Fowler betaalde men fl. 9360, voor een complete Howard fl. 7740 (ter vergelijking: een landarbeider verdiende rond 1860 in Nederland nog geen fl. 200 per jaar).[66]

De Stoomploeg van Howard, ong. 1860


Zoals de afbeeldingen laten zien, was voor het stoomploegen een flink aantal arbeiders vereist. Volgens Van den Bosch kon de Fowler werken met 2 mannen en 4 à 5 jongens - Amersfoordt deed het met 3 mannen en 3 jongens - en vroeg de Howard 5 mannen en 3 jongens. Een probleem dat zich in Nederland voordeed, was dat minstens één arbeider een (min of meer) geschoolde machinist moest zijn. Niet alleen waren dergelijke arbeiders in Nederland - zeker op het platteland - schaars, maar bovendien lag hun loon gewoonlijk beduidend boven dat van de gewone landarbeiders. Daarom koos Amersfoordt er ook voor zijn arbeiders mee te nemen naar Engeland en hen daar in de praktijk te laten trainen.

De kapitaalkosten en de loonkosten van het stoomploegen waren dus aanzienlijk. De door Van den Bosch verzamelde gegevens van de totale jaarlijkse kosten (inclusief rente en afschrijving) op een aantal Engelse bedrijven variëren van f 2500 tot f 3150. De voordelen van de stoomploeg bestonden uit de vermindering van paardewerk. In het landbouwbedrijf bestond er een onregelmatige, seizoensgebonden vraag naar paardewerk, die een piek bereikte tijdens het najaar, wanneer het bouwland geploegd werd. Een flink aantal paarden, vooral op de grote landbouwbedrijven, moest vrijwel uitsluitend voor dit ploegen aangehouden worden en had gedurende de rest van het jaar veel minder werk. Engelse hereboeren die een stoomploeg aanschaften, konden daardoor 6 tot soms wel 12 paarden wegdoen; het betrof hier zeer grote bedrijven met 15 tot 30 werkpaarden. De kosten van voeding, rente/afschrijving, arbeidsloon, werktuigen etc. per paard werden op ca fl. 500 geschat. Door minstens 6 of 7 paarden overbodig te maken, kon de stoomploeg op zeer grote bedrijven in Engeland dus rendabel zijn, zo liet Van den Bosch zien.[67]


Bedrijfs- en perceelomvang

Van den Bosch ging tenslotte in op de vraag of de stoomploeg ook voor Nederland geschikt was. Om te beginnen was duidelijk dat er in Nederland slechts enkele tientallen bedrijven groot genoeg waren om enig profijt te kunnen hebben van de stoomploeg - 99.7% van de bedrijven was gewoon veel te klein.[68] Dit 'institutionele' probleem kon in principe opgelost worden doordat een aantal grotere boeren gezamenlijk een stoomploeg aanschafte of door de opkomst van bedrijfjes die op commerciële basis stoomploegen exploiteerden (het loon-stoomploegen). Bij de verspreiding van de eveneens zeer dure stoomdorsmachine in Nederland werd met enig succes voor een dergelijk oplossingen gekozen.[69]


Belangrijker was daarom vermoedelijk dat in Nederland de landbouwpercelen over het algemeen veel te klein waren voor de moeilijk wendbare stoomploeg; Van den Bosch stelde bijvoorbeeld de minimum-omvang van een perceel op 6 hectare.[70] Alleen in enkele nieuwe polders - de Haarlemmermeer, de Zeeuwse Wilhelminapolder - waren de percelen groot genoeg.


Steenkolenprijzen en kosten per paard

Tenslotte wees Van den Bosch ook op de verschillen in kostenstructuren. De kosten van steenkolen maakten in Engeland 20 tot 30% van de totale kosten van het stoomploegen uit. De Engelse steenkolenprijzen waren aanzienlijk lager dan die in Nederland, onder meer door de transportkosten, maar ook doordat de boeren die een stoomploeg aanschaften nog verplicht waren de accijns op de steenkolen te betalen - een accijns die in 1864 werd afgeschaft. De aankoop van een stoomploeg was voor een Nederlandse hereboer aanzienlijk kostbaarder door het transportprobleem dan voor een Engelse grootgrondbezitter, zoals de lotgevallen van de stoomploeg van Amersfoordt duidelijk maken. Kortom, het stoomploegen was in Nederland al snel aanzienlijk duurder dan aan de overzijde van de Noordzee. Daarentegen waren de kosten van paardenwerk in Nederland veel geringer dan in Engeland.

Op grond van gegevens van zes grote boerderijen in Zeeland schatte Van den Bosch de totale kosten per paard op fl. 262 per jaar, tegen fl. 500 per jaar in Groot-Brittannië.[71] Een afdoende verklaring hiervoor gaf hij niet, maar uit zijn cijfers blijkt dat zowel het loon van paardenknechts, als de prijs van het paardevoer en de prijs van de paarden in Nederland aanzienlijk lager was dan in Engeland. Dit wordt ook aangetoond door het feit dat Nederland in deze periode op vrij grote schaal haver en paarden naar Groot-Brittannië exporteerde. Kortom, de 'traditionele' produktietechniek was in Nederland 40 tot 50% goedkoper dan in Engeland en het stoomploegen was hier duurder, waardoor dit geen enkel voordeel bood.

Stoomploeg met één locomobile, circa 1875.


Conservatisme of realisme?

Deze conclusie van Van den Bosch verklaart het vrijwel geheel mislukken van de pogingen de stoomploeg in Nederland te introduceren. Na Amersfoordt werden nog slechts een paar stoomploegen aangeschaft: in 1873 één door Van den Bosch zelf ten behoeve van de Wilhelminapolder en in 1876 één door de Groninger boer Gravemeijer te Midwolda. De laatste was hooguit twee jaar in bedrijf, de ploeg van Amersfoordt werd na zijn dood in 1885 weggedaan. Ook latere experimenten maakten duidelijk dat het stoomploegen in Nederland niet rendabel kon zijn.[72]

Voor een aantal landbouwkundigen, die veel hadden verwacht van de toepassing van stoom in de landbouw, was dit een teleurstellende ontwikkeling. Staring zag hierin nogmaals het bewijs van het conservatisme van de Nederlandse boeren en schreef dat 'wanneer het onzen landbouw niet ontbrak aan genoegzame kennis en daarop steunende moed om kapitaal in eene zaak te steken, de stoomploegen zich hier te lande zeer zouden vermenigvuldigen'. Van der Poel, die dit citaat aanhaalt, voegt daar aan toe dat een dergelijke uitspraak 'niet getuigt van werkelijksheidszin'.[73]