De uitvinding van een nieuwe voedingsvet

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Eigenlijk bij toeval en via een aantal tussenpersonen drong het bericht van de Franse uitvinding tot de familie Jurgens door. In het voorjaar van 1871 kreeg ze in Oss bezoek van de heren J. en W. Cordeweener uit Den Bosch, die regelmatig handel dreven met Frankrijk door tussenkomst van hun zwager Jules Peters uit Brussel. Tijdens een van zijn bezoeken aan Frankrijk had Peters gehoord van de nieuwe uitvinding en hij besloot een bezoek te brengen aan de uitvinder, Hippolyte Mège Mouriès.

In het bezit van een monster van de 'kunstboter' ging Peters naar de Cordeweeners, waar het besluit viel de bekende boterhandelaar Jurgens op de hoogte te brengen. Waarschijnlijk vonden ze het hele project te groot om alleen op te zetten en dachten ze beter af te zijn door Jurgens erbij te betrekken. Als tegemoetkoming zouden ze een aandeel in de exploitatie kunnen verlangen. Inderdaad was de firma Jurgens zeer geïnteresseerd en ook bereid aan de condities van Cordeweener te voldoen. Meteen na afloop van de Frans Duitse oorlog werd besloten om Mège Mouriès in Parijs op te gaan zoeken.[7]


Productieschema van de margarine


De mythe over Mège Mouriès

In mei 1871 kwamen Jan Jurgens, Cordeweener en Peters in het verwoeste Parijs aan en vanaf dit moment wordt het feitelijke verloop van de geschiedenis verduisterd door een soort mythevorming, die vooral door de nazaten van Jurgens is opgebouwd.

Jurgens beweerde[8] Mège Mouriès in kommervolle omstandigheden te hebben aangetroffen in zijn laboratorium, waar het nieuwe product nog in een experimentele fase zou verkeren. Wel had hij er 60.000 francs, ruim f 30.000, voor over om in het bezit te komen van Mège's procedé om de kunstboter te fabriceren.

Ook beweerde Jurgens de uitvinding 'gepatenteerd' te hebben in Frankrijk en Engeland, respectievelijk het land waar de grondstoffen aanvankelijk vandaan kwamen en het land waarop de export gericht zou worden. Uit octrooi-overzichten blijkt echter dat Mège Mouriès in 1869 zowel in Frankrijk als Engeland octrooi heeft aangevraagd en ook heeft gekregen - wij zullen daar later nog uitgebreid op terugkomen. In Nederland had Jurgens vrij spel, omdat hier sinds 1869 geen octrooiwet meer van kracht was en uitvindingen dus niet beschermd waren.


Mège Mouriès en de feiten

Nu was Hippolyte Mège Mouriès in ieder geval niet de tragische persoon die Jurgens ervan heeft gemaakt. Het clichébeeld van de wereldvreemde geleerde, die geen droog brood te eten had en berooid aan zijn einde kwam, zoals gecultiveerd in de Jurgens overlevering, correspondeert niet met de feiten.

Mège had ervaring met octrooien: in Frankrijk had hij er vóór 1869 al achttien ingediend en ook voor de praktische c.q. financiële kant van zijn uitvindersarbeid had hij aandacht. Met name aan het margarine-octrooi heeft hij goed verdiend.

Mège's belangrijkste ontdekking, de uitvinding van de kunstboter, deed hij in opdracht van de Franse regering. Keizer Napoleon III nam Mège in de jaren zestig in dienst en gaf hem de opdracht een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden om voedingsmiddelen te verbeteren. Rond 1866 werd de doelstelling van zijn werk nader toegespitst: het bereiden van een product dat boter kan vervangen en dat bovendien goedkoop is en lang houdbaar.[9]

De keizer hechtte veel belang aan de uitvinding van een vervangingsmiddel voor boter: de marine had behoefte aan een lang houdbaar voedingsvet en bovendien wilde hij de arbeidersklasse in de Franse steden voorzien van een goed botersurrogaat. De Franse regering had zich al geruime tijd zorgen gemaakt over de sterk gestegen boterprijzen. In 1850 werd de beste kwaliteit boter in Parijs verkocht voor 2 fr. 13 per kilo, de minste soort voor 1 fr. 48. Ten tijde van Mèges octrooi, in 1869, lagen die bedragen op respectievelijk 3 fr. 48 en 2 fr. 36.[10] Hierdoor was het product buiten het bereik van steeds grotere bevolkingsgroepen gekomen.

Het vroegste model van een karn

De Franse regering had al langer belangstelling getoond voor het ontwikkelen van betere en goedkope voedingsmiddelen, en zag zich daarin gesteund door scheikundigen als Mège en anderen. Voordat hij zich specifiek op het boteronderzoek richtte, had Mège al octrooien gekregen voor broodfabricage en voor mousserende wijn.[11] In Frankrijk stond het chemisch onderzoek op het gebied van oliën en vetten op een hoog niveau en Mège Mouriès kon voortbouwen op de wetenschappelijke kennis van enkele decennia.

Bij het zoeken naar een vervangingsmiddel voor boter kreeg hij alle hulp van hogerhand en mocht hij gebruik maken van het keizerlijke landbouwbedrijf La Faisanderie in Vincennes. Hier had hij de beschikking over een aantal koeien, die hij als proefdieren kon gebruiken.

Zijn benadering was ongeveer als volgt. Een goed vervangingsmiddel voor boter moet zoveel mogelijk op echte boter lijken, in smaak, smeerbaarheid en geschiktheid voor bakken, braden, het maken van sauzen en dergelijke. Daarmee vielen meteen allerlei bestaande vetten af, die wegens hun eigenschappen niet als grondstof konden dienen. Daarom zocht Mège een oplossing die zo dicht mogelijk in de buurt kwam van echt botervet en hij gebruikte de beesten op La Faisanderie om te ontdekken hoe echt botervet ontstaat. Een aantal melkkoeien gaf hij een tijdlang geen voedsel en na verloop van tijd gingen ze minder melk geven. Opmerkelijk was dat die melk nog wel steeds botervet bevatte en hij trok hieruit de conclusie dat melkvet eigenlijk ontstaat uit het lichaamsvet van koeien, dat via het bloed in de uier terecht komt. Onder normale omstandigheden zou dat afgescheiden vet weer aangevuld worden via het voer. Zijn volgende stap was om een proces te maken waarin hij nabootste wat er in het organisme van een koe gebeurt: de omzetting van lichaamsvet, onder invloed van warmte en natuurlijk aanwezige stoffen, in botervet.

Zijn empirische bevindingen en de conclusies die hij daarop baseerde, legden de basis voor zijn methode om kunstboter te maken. Het procedé, dat hij in juli 1869 in Frankrijk[12] en Engeland octrooieerde en kort daarop in een kleine fabriek in Poissy in werking zette, bestond uit twee onderdelen: het maken van de vette grondstof, die hij oleomargarine noemde, en het bereiden van het uiteindelijke botersubstituut.