Een Nederlandse fabrikant voor een Engelse rechter

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Het Britse octrooi Mège Mouriès


Hoewel Mège Mouriès zich aanvankelijk zelf op de exploitatie van zijn uitvinding had gericht, verloor hij vanaf 1873/1874 zijn interesse in de margarine. In 1875 diende hij een octrooi in voor de conservering van vlees.[42]

Mège had inmiddels zijn margarine octrooi en licenties voor exploitatie in een aantal landen verkocht. In Groot-Brittannië leidde die verkoop indirect tot een groot margarine proces, waarin de geldigheid van zijn uitvinding op het spel kwam te staan. Zijn Britse octrooi was van hand tot hand gegaan, totdat het in geheel verkeerde handen viel, althans in de optiek van de firma Jurgens.

Anton Jurgens (1805-1880)

In 1874 verkocht Mège zijn octrooi aan Edouard Cotte voor de prijs van £ 12.000, waarvan £ 10.000 in de vorm van aandelen in Cotte's Continental and Shipping Butter Company Ltd. werd uitgekeerd. Al snel echter koos Mège ervoor deze aandelen in harde ponden te verzilveren. De firma ging over de kop en het octrooi werd verkocht aan James en William Hall. Voor £ 2000 kwam het tenslotte in 1879 in handen van Julien Halphen. Deze droeg het over aan een Franse firma, de Compagnie Anonyme du Brevet Mège Mouriès, waarin we behalve deze Julien Halphen ook aantreffen Willem Cordeweener en Léon Basselot. Blijkbaar waren de twee laatsten in dat jaar al uit de saa verdwenen, en het heeft er alle schijn van dat dat niet op vriendschappelijke basis was gebeurd. De vennoten die de saa hadden verlaten, deden nu hun uiterste best om de positie van Jurgens in Engeland te ondergraven.


Proces tegen Jurgens


De inzet van het proces was de beschuldiging dat Jurgens inbreuk maakte en had gemaakt op het Engelse octrooi van Mège Mouriès, dat inmiddels in hun handen was gekomen. Voor Groot-Brittannië beschikte Jurgens niet over octrooirechten, die hij wel nodig had, aangezien hij op grote schaal naar dit land exporteerde.

Op 9 maart 1881 begonnen Julien Halphen en de Compagnie Anonyme du Brevet Mège Mouriès een proces in de High Court of Justice in London tegen Lovell & Christmas (importeur van Jurgens in Engeland) en Anton Jurgens

'for alleged infringement of English Letters Patent N. 2157 dated 17th July 1869 granted to Hippolyte Mège for an alleged invention for the preparation and production of certain new animal fatty bodies'.[43]

Op 6 juni 1883 kwam de rechter tot een uitspraak: de gedaagde partij werd van de beschuldigingen vrijgesproken en de eisers dienden voor de proceskosten op te draaien.

De motivatie van de aanklacht van Julien Halphen c.s. kan als volgt worden samengevat: Jurgens had nooit een licentie genomen op het oorspronkelijke octrooi van Mège en zondigde dus tegen de wet door kunstboter, gefabriceerd volgens dat procédé, naar Engeland te exporteren. De eis van de aanklagers was dan ook een volledig verbod van de export naar Engeland en bovendien een schadeloosstelling ten bedrage van de geschatte opbrengst van de export in de afgelopen jaren. Had Jurgens de zaak verloren, dan zou die laatste eis de firma waarschijnlijk financieel te gronde hebben gericht.

De verdediging verweerde zich op een manier die in een dergelijke octrooizaak verwacht kan worden. Men betwistte de originaliteit van de uitvinding en benadrukte dat er op dit moment en in de afgelopen jaren een groot aantal kunstboters op de markt was verschenen, die eveneens het predicaat 'kunstboter' verdienden. In het Statement of Defence werd dit als volgt onder woorden gebracht:

'Various patents for the manfacture of what is known as 'Margarine', 'Oleo Margarine', or 'Butterine' (in which patents the plaintiffs respectively have no interest) have from time to time been registered, but all such patents are valueless. The butterine sold by these Defendants is made by a process differing essentially and entirely from the invention described in or claimed to be protected by the alleged letters patent and such butterine has for many years last past been sold in the open market in various parts of England and elsewere without any objection being taken there to by any person.' [44]

Hier doet zich een probleem voor dat in octrooikwesties meestal tot conflicten leidt: de afbakening van het terrein. Betekent een alternatieve methode met een kleine afwijking of variatie op het oorspronkelijke procedé een inbreuk op het eerste octrooi of is de nieuwe uitvinder via een andere weg tot een zelfde product gekomen? Van groot belang voor de beantwoording van de vraag is, in hoeverre daarbij is geleund op de kennis van de uitvinder van het oorspronkelijke octrooi. Niet alleen Jurgens, maar een heleboel andere kunstboterfabrikanten brachten veel verschillende kunstboters op de markt die meer of minder van Mège's procedé afweken. Daarom stond tijdens het proces de vraag centraal of de margarine die Jurgens in de periode 1871 tot 1881 op de Engelse markt had gebracht, dezelfde was die Mège in 1869 had vervaardigd, althans er in <voldoende> mate op gebaseerd was.

Al vanaf het begin in 1871 had Jurgens de fabricage van kunstboter op een eigen wijze aangepakt. Daarmee kwam zijn product steeds verder te staan van de Margarine Mouriès die in Parijs werd gemaakt. Een verschil in de bereiding was het gebruik van gesneden koeienuiers in de emulsie van melk en vet. Jurgens - en overigens ook Van den Bergh - vond dit een zinloze toevoeging en liet die achterwege, terwijl Mège eraan bleef vasthouden.

De aanvoer en ontvangst van melk

Een Engelse getuige deskundige werd uitgenodigd om naar Oss te komen en zelf de bereiding van de kunstboter te aanschouwen en van zijn bevindingen voor de rechtbank verslag te doen. Het lijkt erop dat Jurgens erin slaagde de rechter ervan te overtuigen dat het procedé dat in Oss werd gebruikt, fundamenteel verschilde van de praktijk in Parijs. In een brief van Sam van den Bergh aan J.L. Polak zegt deze:

'(...) opvallend is het ook, dat de toevoeging van zoogenaamde 'tissus mamifères' (koeie-uiers) ook in dit Duitsche patent als hoofdbestanddeel wordt opgevat, een ingrediënt, dat wij noch Jurgens ooit hebben gebruikt en dat de oorzaak is geworden, dat het patent bij het groote proces in Engeland verloren is gegaan.' [45]

Verder trachtte de verdediging de orginaliteit van Mège's octrooi te betwisten door een lange lijst van publicaties en octrooiregistraties uit de periode vóór 1869 op te sommen die betrekking hadden op (de bewerking van) eetbaar vet en boteronderzoek. Daarmee wilde de verdediging aangeven dat er sprake was van belangrijke anticipatie op de oorspronkelijke uitvinding, eveneens een vast ijkpunt in octrooi rechtszaken. Het is overigens merkwaardig Jurgens c.s. op deze manier de Mège uitvinding te zien bagatelliseren, terwijl Jurgens bij andere gelegenheden niet naliet Mège's verdiensten breed uit te meten.

Of de rechtbank het anticipatie argument heeft laten meewegen is onduidelijk; voor de rechter was in ieder geval doorslaggevend dat hij te maken had met kunstboters die wezenlijk van elkaar verschilden.


Winnaar en verliezers

De uitspraak betekende impliciet dat het octrooi zijn waarde definitief had verloren. Voor de eisers, J. Halphen en W. Cordeweener, bleek dit moeilijk te verteren. Ze weigerden gevolg te geven aan het opgelegde vonnis tot betaling van de proceskosten.

Pas in 1893 waren ze onder dwang van een rechterlijke uitspraak in Frankrijk bereid te betalen.[46]

Voor Jurgens had de uitspraak, behalve het afwenden van een financiële catastrofe, nog een positief neven effect. Het proces in Londen had zich in een grote publieke belangstelling mogen verheugen en Jurgens profiteerde daarvan. Na afloop van het proces kreeg Henri Jurgens een uitnodiging van de Society of Arts, een gerenommeerd gezelschap van wetenschappers, om een lezing te houden over het nieuwe en relatief onbekende artikel, een gelegenheid die hij uiteraard niet onbenut liet.


Erkenning variaties op het octrooi Mège Mouriès

In feite was het proces over het Mège octrooi, bijna vijftien jaar na de uitvinding, een anachronisme. Ten eerste was het octrooi eigenlijk na een jaar of vijf al verouderd en achterhaald door andere recepturen. Niet alleen bij Jurgens en de Nederlandse margarinefabrikanten, maar ook in het buitenland was de ontwikkeling van het product voort gegaan.

Al zeer snel bleek de toevoeging van varkens- of schapenmagen bij de bereiding van oleomargarine (voor kunstmatige vertering van de vetweefsels) overbodig en ook Mège's ingrediënt van koeienuiers vond geen navolging meer.

Bovendien waren in Frankrijk en vooral in Engeland al kort na 1869 diverse variaties op het oorspronkelijke octrooi ingediend èn erkend.Pellerin en Julien[47] verbeterden het octrooi van Mège door het vet te kneden en door gebruik te maken van amandelmelk. De Amerikaan Roudebush[48] gebruikte katoenzaadolie om het vet zachter te maken en mengde dat met zure melk of room. De Deen Diderichsen nam een Brits octrooi[49], waarbij hij dubbelkoolzure soda gebruikte voor de behandeling van het vet en er vervolgens olie aan toevoegde. De Engelsman D. Hipkens verkreeg een octrooi[50] voor zijn procédé: hij waste het vet in water dat zout en azijnzuur bevatte. Het is overigens belangrijk te bedenken dat van de lange lijst van procedés die gepatenteerd werden, er maar weinig ook daadwerkelijk een industriële toepassing vonden.