Een leger voorlichters

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Voorlichting aan het volk over gezond en zuinig inkopen, koken en eten werd in de voedselrevolutie van meet af aan als opdracht beschouwd door bepaalde groepen onder de burgerij. Met dergelijke particuliere voorlichting werd echter weinig succes geboekt, mede omdat het volk te arm was om voedsel van goede kwaliteit te kopen. Bovendien was er de sociale afstand tussen het volk en de goedwillende voorlicht(st)ers.

Zo baarde in 1887 een keurige dame op een tentoonstelling in Amsterdam enig opzien door haar cursus over goed en verantwoord koken hardnekkig in het Frans te geven. Voor de welgestelden met voldoende opleiding was het Frans een onderdeel van de opvoeding, voor de rest van de bevolking was het onverstaanbaar. Onderwijs in huishoudkunde en voorlichting over verschillende aspecten van voeding bleven tot het begin van de 20ste eeuw beperkt tot de burgerij die haar dochters op kookcursus stuurde.


Voedingsvoorlichting was een van de resultaten van een voortdurend, publiek debat over de kwaliteit en de waarde van voeding. Met name over de eetgewoonten van het volk maakten artsen en fabrikanten zich zorgen.Voedingsgewoonten werden onder de loep genomen en ter discussie gesteld, óók die van de burgerij. In de ‘betere kringen’ was het in de tweede helft van de 19de eeuw bijvoorbeeld gebruikelijk om baby’s na enkele maanden vol te stoppen met pap, zo dik als stijfsel, gemaakt van boekweitmeel met water, stroop en boter. De kinderen werden ‘mooi dik’, maar kregen later groeistoornissen en waren vatbaarder voor ziekten. Consultatiebureaus voor zuigelingen zouden aan het begin van de 20ste eeuw de voorlichting over de juiste voeding van baby’s op zich nemen.


Het debat over gezonde voeding - in de jaren na de Tweede Wereldoorlog met name gevoerd tussen voedingskundigen en voedingsindustrie – zou resulteren in de befaamde Schijf van Vijf. Dit voorlichtingsinstrument verdeelde de onmisbare dagelijkse voedingsmiddelen aanschouwelijk in brandstoffen (koolhydraten en vetten), bouwstoffen (eiwitten) en beschermende stoffen (vitamines en mineralen). Daarnaast werden specifieke voedingsmiddelen en fabrieksproducten, zoals kaas in conservenblikken, diepvriesgroenten, nieuwe frisdranken en gevriesdroogde koffie kritisch gevolgd en beoordeeld op kwaliteit, smaak en prijs.


Voedingsvoorlichting werd gegeven door een allengs groeiend en wisselend netwerk van beroepen, opleidingen, instanties en organisaties. Aan het eind van de 19e eeuw begon deze poging tot beinvloeding van de eetgewoonten van het volk met de aktiviteiten van de kook- en huishoudleraressen, onder meer afkomstig van de pas opgerichte huishoudscholen. Uit hun gelederen werden de deskundigen geworven, die nieuwe voorlichtingsorganisaties en -instituties gingen bemensen. Branche-organisaties voor zuivel, brood, groente en andere producten gingen zich eveneens al snel actief bemoeien met voorlichting in de vorm van reclame.


Ook de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen (opgericht in 1912) wierp zich vanaf de jaren twintig op als voorlichtster op het gebied van het huishouden. De oprichting van de NVvH was beïnvloed door de internationaal verbreide beweging voor de rationalisering van het huishouden, die op haar beurt weer geïnspireerd werd door de efficiencybeweging in het bedrijfsleven. Tijdens de economische crisis in de jaren dertig kwam onder andere de Commissie inzake Huishoudelijke Voorlichting en Gezinsleiding tot stand, bedoeld om het grote publiek met een karige beurs te leren omgaan met alle zaken van het huishouden. De Tweede Wereldoorlog was aanleiding tot oprichting van het Voorlichtingsbureau voor de Voeding. Na de oorlog zou de Consumentenbond (1953) zich met de voedselkwaliteit bezighouden.


Dergelijke organisaties en instanties kunnen ook gezien worden als de overbrugging van de gegroeide en nog steeds groeiende kloof tussen consumenten en producenten. Het belang van sommige van deze organisaties nam in de tweede helft van de 20ste eeuw af. Daarnaast zouden reclame en marketing een steeds belangrijker plaats gaan innemen. De onafhankelijkheid van de voorlichting kwam daarmee natuurlijk in het geding. Nu waren reclame en marketing niet nieuw en hadden zij volgens menig tijdgenoot in de jaren twintig en dertig al buitensporige proporties aangenomen. Met name de prijzige campagnes van Blue Band en Planta van de margarinefabrikanten Van den Bergh en Jurgens moesten het ontgelden.

Het merkartikel was de kern van deze nieuwe vorm van communicatie tussen producent en consument. De betekenis ervan was met de toenemende reclame echter aan een ingrijpende verandering onderhevig. Het merkartikel beloofde een kwaliteitsgarantie in een anonieme massamarkt en werd zodoende in de eerste plaats een instrument in de concurrentiestrijd en in het verleiden van de consument.