Expansief ondernemen

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
De nieuwe raffinaderij van de firma De Bruyn

Een bescheiden begin

De firma De Bruyn was de meest expansieve van alle Amsterdamse bedrijven. Ze begon tamelijk bescheiden, want tussen 1820 en 1833 was C. de Bruyn eigenaar van één gewone raffinaderij op de Lijnbaansgracht.

In 1831 wendde hij zich met een speciaal verzoek tot koning Willem I. Hij wilde n.l. een stoominstallatie gaan gebruiken, maar

'hij stelt er veel belang in dat zijn voornemen en de inrichting van zijn werktuig niet kenbaar worde en heeft uit dien hoofde verlangd dat hij mogt worden vrijgesteld van de formaliteiten'

die nu eenmaal bij de verlening van zo'n vergunning hoorden.[60] Hij doelde op het onderzoek dat de stad zou instellen naar de aard van de installatie, de veiligheid en plaatsing in het gebouw.


Plaatsing stoomketels

De Bruyn moest echter net als ieder ander deze procedure doorlopen, en na enkele maanden kreeg hij toestemming om met drie stoomketels

'de suiker te koken, te bereiden en wat dies meer zij, en door ijzere stoombuizen de hitte door de geheele fabryk te leiden, en voorts om door eene machine van 6 paardenkrachten de pompen enz. in beweging te brengen.'


Opkopen en uitbreiden

In 1834 kocht hij de vlakbij gelegen raffinaderij Stokholm op, gevolgd door een derde bedrijf dat in hetzelfde huizenblok lag. Bij zijn overlijden op 28 juni 1834 liet hij aan zijn drie zoons een bezit na dat bestond uit de drie raffinaderijen met nog een aantal belendende percelen, ter waarde van fl. 83.000. Zijn woonhuis met paardenstal was getaxeerd op fl. 34.000.[61] Zijn zoons hadden alle drie het beroep van raffinadeur gekozen en zetten de zaak voort. In de volgende jaren kochten ze de overige percelen in het huizenblok,[62] er werd gesloopt, herbouwd, volgebouwd. Het aantal stoomketels nam toe: in 1835 stonden er vier, in 1841 waarschijnlijk zeven.[63]

Om dit uitdijend bedrijf rendabel te houden, was het nodig om over voldoende ruwe suiker te beschikken: er moest continu gewerkt kunnen worden. In 1840 en 1841 verwerkte de fa. C. de Bruyn & Zonen jaarlijks 25.000 ton ruwsuiker, die een waarde vertegenwoordigde van ongeveer f 6,5 miljoen.[64]

Het ging de drie directeuren in die jaren bijzonder voor de wind en zij begonnen

'meer en meer luxe ten toon te spreiden. Zij hebben namelijk dezen zomer [van 1841] prachtige stallen doen bouwen, een groot aantal Engelsche paarden, Engelsche rijknegts doen overkomen en rijden vier en zes paarden lang span met jockeys, hetgeen bij velen geheime afgunst wekt.' [65]

Zakelijk zagen zij nog grotere mogelijkheden, want in 1843 begonnen ze met de voorbereidingen voor een gloednieuwe raffinaderij op het Bolwerk Osdorp, dat aan de overkant van de Lijnbaansgracht tegenover hun bestaande bedrijf lag. In 1846 kon die fabriek in gebruik worden genomen.


Een eigen gasfabriek

Ondertussen hadden de heren zich ook op een ander terrein begeven. In hun twee raffinaderijen werd dag en nacht gewerkt, waarvoor een goede verlichting noodzakelijk was. In het verleden was menige suikerraffinaderij in de as gelegd omdat op de warmgestookte, kurkdroge en aardedonkere zolders kaarsen waren omgevallen. Gasverlichting was daarom een doelmatig en veilig alternatief.

Suikermolen van Souw Siouw Keng te Paroengkoeda (Tanggeran) zoals te 1905 nog in werking

In ieder geval voor hun nieuwe raffinaderij wilde de fa. De Bruyn gas betrekken van de Imperial Continental Gas Association die al sinds de jaren '30 een gasfabriek in Amsterdam exploiteerde. Die onderneming buitte echter, naar het idee van de grootverbruikers De Bruyn, haar monopoliepositie te veel uit en was niet bereid tot een speciaal tarief. Het zou dus heilzaam zijn om deze van oorsprong Engelse ICGA concurrentie aan te doen. Vandaar dat de suikerraffinadeurs een aparte firma oprichtten die zij, enigszins uitdagend, de 'Hollandsche Gaz-fabryk' noemden. Ze leken daarbij in te spelen op een nationaal gevoel van industriële onmacht, want ze wilden van hun nieuwe bedrijf

'eene geheel nationale onderneming maken en geen vreemdeling daarin eenig deel geven, en zulks ten einde te toonen dat de Hollanders desverkiezende ook zonder hulp van vreemden nog wel belangrijke ondernemingen konden daarstellen en met den vreemdeling concurreeren.' [66]

In de zomer van 1847 kon de Hollandsche Gaz-fabryk haar eerste lichtgas aan industriële en andere afnemers in Amsterdam leveren.


Activiteiten verlegd

Enkele maanden later kwam de raffinadeursfirma De Bruyn echter in grote problemen. Er moest surséance van betaling worden aangevraagd en uiteindelijk werden de twee raffinaderijen, met een waarde van fl. 138.000, ondergebracht in een nieuwe Vennootschap, de nv Nederlandsche Suikerraffinaderij. De gebroeders De Bruyn bleven deze onderneming als directeuren leiden. In 1857 trokken ze zich echter hieruit terug[67] en wijdden zich aan een nieuw industrieel project: de oprichting van de eerste grote bietsuikerfabriek in Nederland.