Het industrieel grootbedrijf

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Suikerbietenpulp 1928.jpg Snelle overgang van kleinschaligheid en ambacht naar industrie en grootbedrijf


Tot in de jaren '60 bleef de Amsterdamse raffinage-industrie bestaan uit enkele gestage groeiers, enkele kleinere bedrijven met stoominstallaties, en een handvol raffinaderijen die op de oude wijze kleine hoeveelheden suiker produceerden. Deze laatste legden zich toe op kleine specialiteiten, zoals kandij, waarvoor zij een beperkte kring vaste afnemers hadden.[80]


In de jaren '60 kende de raffinagesector geheel nieuwe verhoudingen dan twee decennia eerder. In dertig jaar tijd had de hele raffinagebedrijfstak een ontwikkeling doorgemaakt van een kleinschalige, ambachtelijke nijverheid naar industrieel grootbedrijf. De nv Nederlandsche Suikerraffinaderij, de nv Amsterdamsche Stoom-Suikerraffinaderij, Beuker & Hulshoff, Wijthoff & Co, Spakler & Tetterode en de nv Hollandsche Suikerraffinaderij verwerkten elk 15.000 ton ruwsuiker per jaar, en soms meer.


Technische ontwikkeling beperkt tot optimalisering en de centrifuge


In technisch opzicht zijn er weinig spectaculaire veranderingen meer te signaleren. Voor de grote ondernemingen was het een kwestie van geleidelijke optimalisering van de productie met de middelen die vanuit het buitenland beschikbaar kwamen. Die optimalisering kon betrekking hebben op de verkleining van het fabrieksverlies, nog zuiverder producten, verlaging van de productiekosten.

Eind jaren '50 werd nog een tijds- en ruimtebesparende vernieuwing ingevoerd: de centrifuge. In plaats van de suikerkristallen heel langzaam te reinigen met doorsijpelend water, kon men ze ook schooncentrifugeren. Dan werden de stroopdelen weggeslingerd van de kristallen, wat een enorme tijdwinst opleverde en bovendien veel minder zolderruimte voor duizenden traag uitlekkende suikervormen vereiste.

De gecentrifugeerde suiker had echter niet de superieure kwaliteit van echte broodsuiker en de losse suiker werd ook niet door alle afnemers verkozen boven de grote, kegelvormige suikerbroden. Die karakteristieke producten werden dan ook tot na de eeuwwisseling in grote hoeveelheden gemaakt. In 1859 werden de eerste centrifuges bij Beuker & Hulshoff in gebruik genomen, Spakler & Tetterode en de Hollandsche Suikerraffinaderij volgden in 1862 resp. 1867.[81]


Bietsuiker uit Duitsland en Nederland vervangt schaarser rietsuiker

De aanvoer van grondstof was geen probleem, hoewel de raffinadeurs het er over eens waren dat er zeker geen plaats was voor nog een bedrijf.[82] Tezelfdertijd begon de Nederlandsche Handel-Maatschappij de rietsuikerhandel steeds meer vrij te geven en de Javaanse producenten verkochten hun ruwe suiker nu meer en meer direct aan Engeland. In hun prille beginjaren hadden de stoomraffinadeurs de beslissing om op stoom over te gaan mede genomen vanwege de zekerheid dat de nhm alleen maar grotere hoeveelheden ruwsuiker in Nederland zou laten veilen. Nu die aanvoer terugliep, werden er wel enkele klachten vernomen, maar al snel meldden zich Duitse en Nederlandse fabrikanten van ruwe bietsuiker om de raffinadeurs van grondstof te voorzien.

Het bedrijfpand van Beuker & Hulshoff in de drukbevolkte Jordaan

De overgang van rietsuiker naar bietsuiker betekende geen grote verandering in technische uitrusting. De raffinadeur moest de verschillende kwaliteiten ruwe bietsuiker leren kennen, zodat hij daar de hoeveelheden en mengverhoudingen van hulpstoffen op kon afstemmen.


In de slag met de fiscus

Door de Nederlandse suikeraccijnswet was, en bleef, de industrie sterk op buitenlandse afzet gericht: de export leverde aanvullende inkomsten op door de mogelijkheden die de wet bood. De hoge accijns die de binnenlandse verbruiker betaalde, bleef een beletsel voor velen. Niettemin nam het suikerverbruik langzaam toe, omdat de marktwaarde sinds ongeveer 1873 onder invloed van de toenemende wereldproductie sterk daalde.


1852 2,7 kg

1862 4,5 kg

1872 5,2 kg

1886 7,5 kg

1892-1896 9,9 kg


In de tweede helft van de negentiende eeuw trachtten ministers van financiƫn meermalen de suikerwetgeving aan te scherpen en zodoende minder overponden te vergoeden.[83] De raffinadeurs ervoeren dat als zeer bedreigend en wisten tot in de jaren '90 ingrijpende wijzigingen te voorkomen.

Om drie redenen vonden zij dat zij recht hadden op een wetgeving die, zij het onbedoeld, een exportpremie inhield. Alle buitenlandse suikerproducenten werden nog veel meer dan de Nederlandse geholpen door hun regeringen; de werkgelegenheid van duizenden arbeiders kwam in gevaar; en tenslotte: als er geen raffinaderijen meer in het land zouden zijn, verdween ook de bestaansvoorwaarde van de Nederlandse bietsuikerindustrie, een bedrijfstak die zich langzamerhand tot de belangrijkste en onmisbare landbouwindustrie had opgewerkt.