Knoeierijen in de boterhandel

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Kunstboter verkocht als natuurboter

In de polemiek omtrent de kunstboter was de discussie omtrent de vermeende schadelijkheid van het product rond 1885 wel uitgewoed; het vooroordeel dat gekoesterd werd, als zou kunstboter een schadelijk en ongezond product zijn, was tamelijk afdoende bestreden.

In de periode 1885 1889 stond de andere discussie centraal: de beschuldiging van knoeierij. Deze aantijging legde een veel gecompliceerder probleem bloot, dat verweven was met de binnenlandse en buitenlandse boterhandel. Kunstboter werd op grote schaal als natuurboter verkocht en de boeren, die de prijs van hun boter zagen kelderen, waren de dupe.


Verantwoordelijkheid voor de knoeierijen?

De margarineboterfabrikanten hadden aanvankelijk een simpel antwoord op dergelijke aantijgingen: dit bedrog werd gepleegd door de handelaren, c.q. verkopers en de winkeliers, die gewoon een hogere prijs voor hun kunstboter vroegen dan waarop ze recht hadden.

Ook werd de beschuldigende vinger uitgestoken naar de zuivelindustrie zelf: hoe vaak kwam het niet voor dat boeren zelf hun natuurboter aanlengden met surrogaat en de consument voor kunstboter de prijs van natuurboter rekenden? Op deze wijze poogde de kunstboterindustrie elke verantwoordelijkheid voor het bedrog en de knoeierijen af te schuiven.

Maar sommigen, zoals de Duitse chemicus dr. R. Wollny, waren ervan overtuigd dat de fabrikanten de knoeierij actief steunden of ten minste in de hand werkten. Tijdens bezoeken aan Nederlandse fabrieken was zijn oog speciaal gevallen op de verpakkingsafdelingen, waarin hij een verbijsterende variatie aan 'echte' botervaten ontdekte.[81] Wollny beschuldigde de fabrikanten ervan bewust verwarring te zaaien door kunstboter in deze bekende botervaten te verpakken. Hoewel de fabrikanten de waar netjes als 'butterine' factureerden, is er weinig verbeeldingskracht voor nodig om te begrijpen hoe het artikel uiteindelijk bij de consument belandde: als boter voor een boterprijs.

Een soortgelijk verwijt was in 1886 ook te horen uit de mond van een Nederlands Tweede Kamerlid, Rutgers van Rozenburg:

'Bij de fabricage bootsen reeds de fabrikanten zooveel mogelijk smaak en kleur van boter na; bij de verpakking bezigt men bij voorkeur de vorm van kluiten en vaatjes, voor de natuurboter van ouds in zwang.' [82]

Namens de Vereeniging van Margarineboter fabrikanten in Nederland antwoordde haar voorzitter, dr. Mouton, door middel van een ingezonden stuk in het Algemeen Handelsblad.

'Wat is de waarheid? Natuurboter wordt geëxporteerd in vaten van 10, 20 en 40 kg, ander fust wordt daarvoor niet gebruikt. Margarineboter daarentegen wordt geëxporteerd in tal van andere verpakkingen, welk getal tot 50 klimt. De verpakking voor Hollandsche natuurboter is in Engeland uitsluitend 'dutch firkins', maar die voor margarineboter is kegs, firkins, casks, kits, kools, pails, buts, tubs, baskets, boxes, cases, enz.' [83]

De kostbare koelmachine is het pronkstuk van de fabriek

De algemene opinie in Nederland was dat er vooral door handelaren en winkeliers op grote schaal werd geknoeid; zelfs J. Rinkes Borger, directeur van een bonafide natuurboterfabriek, dacht niet in de eerste plaats aan de fabrikanten als de bedriegers. In Engeland zelf was men ervan overtuigd dat de winkeliers de grote boosdoeners waren, maar Engelse handelaren verklaarden dat ook buitenlandse - dat wil zeggen: Nederlandse- fabrikanten te laken waren.

Het was een onbevredigende discussie, omdat geen harde gegevens of cijfers over de knoeierij voorhanden waren. Of de kunstboterfabrikanten er actief aan deelnamen en zo ja, hoe groot hun aandeel dan was, blijft daarom onduidelijk. Dat er gefraudeerd werd, staat buiten kijf. De namen van fabrieken die kunstboter maakten, en de namen die zij aan hun producten meegaven, zoals 'Deense melange', lijken te onschuldig om eerlijk te zijn. De Hoornsche Machinale Boterfabriek, de Borculosche Boterfabriek en de Twentsche Boterfabriek leverden in elk geval niet wat hun naam suggereerde. De tweede fase van de belangenstrijd tussen beide botersoorten voltrok zich tussen 1885 en 1889 en stond in het teken van de vraag: wel of geen wet?


Margarine in de Tweede Kamer

Onder aanvoering van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw werd eind 1885 een vereniging opgericht, die haar naam ontleende aan haar doelstelling: de 'Vereeniging tot Bestrijding van Knoeierijen in den Boterhandel'. De eerste belangrijke daad van de nieuwe vereniging was het sturen van een Adres aan de Regering, waarin werd betoogd

'(...) dat het wenschelijk wordt geacht ook hier te lande daartegen maatregelen te nemen, met strafbedreiging tegen degenen die onder den naam boter een product verkoopen dat geen boter is, en worde voorgeschreven dat zulk een product duidelijk kenbaar van het merk 'kunstboter' voorzien moet zijn'.[84]

Naar aanleiding van dit Adres, plaatste het kamerlid A. van Dedem een interpellatie in de Tweede Kamer en de daaropvolgende discussie leidde tot de toezegging van de regering de mogelijkheid van wetgeving te onderzoeken. De Vereeniging van Margarineboterfabrikanten in Nederland was er snel bij om in een Adres de regering van dit, naar haar mening heilloze pad af te brengen. Hoewel ze erkende dat de verdedigers van de boterbelangen een 'gematigde' toon aansloegen, was ze gekant tegen elk wettelijk ingrijpen.

'Het is mogelijk, niet onwaarschijnlijk zelfs, dat dit verzoek eene voorbode is van andere dergelijke, en is ingediend om het terrein te verkennen, en te polsen of mettertijd niet op dezen weg kunne worden voortgegaan tot onrechtmatige bescherming van de belangen van den handel in natuurboter, ten koste van de margarineboterindustrie'.[85]

De regering zette haar plannen echter door en stelde een commissie in, die de wenselijkheid van wetgeving moest onderzoeken. Haar oordeel viel positief uit en de voorstellen voor een wetsontwerp die de commissie deed, werden door de (nieuwe) minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, J.P. Havelaar, overgenomen. De minister verklaarde in zijn toelichting dat het doel van het wetsontwerp niets anders was dan het bestrijden van de oneerlijke concurrentie die de boterindustrie ondervond door de handel in surrogaten of met surrogaten vermengde boter. Hij benadrukte dat de voorgestelde bepalingen geen negatieve gevolgen voor de margarineindustrie zouden hebben.

Het wetsontwerp dat op 10 mei 1889 met 68 tegen 19 stemmen werd aangenomen, was erg gematigd en harde maatregelen die op enige wijze het margarinebedrijf hadden kunnen belemmeren, waren erin niet opgenomen. Het belangrijkste gedeelte van de wet was artikel 2, waarin bepaald werd:

Het is verboden een surrogaat van boter te leveren of het in een winkel of op eenige andere openbare verkoopplaats voorhanden te hebben, indien niet op de verpakking of bij gebreke daarvan op de waar zelve, margarine, of is de waar niet uit oleo margarine bereid, het woord surrogaat, in duidelijke letters voorkomt.[86]

N.V. V.d. Bergh's margarinefabrieken te Rotterdam. Verpakkingslokaal.

Tijdens het debat over de wet in de Kamer, dat maar liefst vijf dagen duurde, werd veel oppositie gevoerd tegen de regeringsplannen. Er was een groep Kamerleden die weinig resultaat van de wet verwachtte, omdat bij gebrek aan een goed instrument om boter en surrogaat van elkaar te kunnen onderscheiden, controle wel ontoereikend moest zijn.

Er was ook een stroming die van mening was dat zelfs het onderhavige wetsontwerp te ver ging; met name stedelijke vertegenwoordigers voerden aan dat het niet de taak van de staat was om één tak van industrie te beschermen tegenover een andere en een enkeling zag in de wet zelfs 'een proeve van agrarische wetgeving'.

Door de tegenstanders werd ook benadrukt dat de Nederlandse landbouw en zuivelindustrie de achteruitgang in de boterhandel in de eerste plaats toch aan zichzelf te wijten had. De kwaliteit (en dus de prijs) was de laatste jaren achtergebleven bij bijvoorbeeld de Deense boter en ze vonden dat de boeren beter aan verbetering van hun eigen product konden werken dan te hoop te lopen tegen de concurrerende kunstboter.

Uiteindelijk stemde toch nog een ruime meerderheid vóór de wet, nadat de minister een aantal amendementen uit de Kamer had overgenomen. Minister Havelaar verzuchtte bij al de kritiek op het toch al gematigde wetsontwerp dat

'gevraagd naar het doel van dit wetsontwerp (...) de Regeering niets anders wil dan een eerlijke concurrentie van beide artikelen onder eigen naam. Haar doel was: herstel van de verbroken rechtsorde'.[87]

Terecht merkte de minister op dat

'wanneer men dit ontwerp vergelijkt met de wetten van andere Staten (...) dan is geene wet zoo zacht als deze, en heeft geen wetgever zich op onpartijdiger standpunt geplaatst'.[88]

Toen in 1889 in de Tweede Kamer het wetsontwerp in behandeling werd genomen, waren in de omringende landen als Groot Brittannië, Duitsland, Denemarken en Frankrijk al soortgelijke wetten van kracht. Een argument van de voorstanders van wetgeving in Nederland was dan ook steeds dat Nederland in dit opzicht niet achter kon blijven.