Korenmolenaar als beroep

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Het ambacht[9]

De molenaar, een knecht en een jongen staan hoog boven de huizen op de omloop van de Amsterdamse molen De Gooyer


Het malen van graan was een ambachtelijke activiteit. Het vereiste vaardigheden die de korenmolenaar verwierf door jarenlange oefening in de praktijk. In vele gevallen ging het bedrijf over op de zoon van de molenaar, die tevens als leermeester optrad. Nederland kende talrijke geslachten waarin het ambacht van korenmolenaar werd voortgezet, soms tot ver in de twintigste eeuw. De molen was gepacht of eigen bezit, eventueel samen met een compagnon. Het bedrijf was een typisch kleinbedrijf. De molenaar werd bijgestaan door één of enkele knechts. Stond hij er alleen voor, dan werkte zijn vrouw mee.


Het kleinbedrijf maakte een verregaande opsplitsing van taken niet mogelijk. De molenaar vervulde derhalve naast het malen van graan vele andere taken. Zo behoorde ook het onderhoud van de molen tot zijn werk. Kortom, de molenaar behoorde vaardig te zijn in houtbewerking. Hamers, beitels, een zaag, een fijne houtvijl, een duimstok en enkele andere gereedschappen vond men op iedere molen. De molenaar deed zoveel mogelijk zelf. Alleen voor het grote herstelwerk werd de molenmaker ingeschakeld. Handleidingen met precieze aanduidingen van technische details van molens en werktuigen, met richtlijnen omtrent maalsnelheid, temperatuur en verschillende meelkwaliteiten bestonden niet in Nederland, in tegenstelling tot veel andere landen.[10] De overdracht van de nodige kennis op de nieuweling in het vak vond in de praktijk plaats.


Gildevoorschriften

Korenmolenaars in de steden waren tot het eind van de achttiende eeuw in een gilde georganiseerd. De toelating tot het beroep en de beroepsuitoefening waren daarmee gereglementeerd. Er golden onder meer strenge afspraken omtrent de inrichting van het bedrijf, de dienstverlening aan de klant, het maalloon en de tijden waarop het bedrijf mocht worden uitgeoefend. De voorschriften scheidden het beroep ook scherp af van andere beroepen. Korenmolenaars mochten bijvoorbeeld niet in meel handelen of brood bakken. Dit betekende dat zij alleen in opdracht tegen een vastgesteld loon maalden. Het was verboden om klanten te werven door speciale diensten te verlenen of klanten te bevoordelen die meer betaalden. De molenaar moest het graan malen in de volgorde van aankomst: <wie het eerst komt, het eerst maalt>. Indien het meel slecht gemalen was, kon de molenaar beboet worden en moest hij het meel vergoeden.

Kosten molen

De gildevoorschriften beperkten de onderlinge concurrentie en de concurrentie van buitenstaanders. De gildeorganisatie beschermde de gildebroeders en hun gezin tegen de gevolgen van tegenslag, ziekte en de zorgen van de ouderdom. Zij garandeerde in principe ook de kwaliteit van de dienstverlening aan de klant.


Het einde van de oude Republiek in 1795 bracht de opheffing van het gildewezen. Gilden waren in strijd met de verkondigde vrijheid van beroep en bedrijf. Afschaffing volgde na herhaaldelijk debat in 1798 en 1808 en werd bevestigd door Koning Willem I in 1818. Daarmee verdween eveneens een ander oud recht, namelijk de molendwang. Dit was het recht om van de inwoners in een bepaald gebied te eisen dat zij hun graan nergens anders mochten laten malen dan op een bepaalde molen en tegen een vastgesteld maalloon. De molendwang kwam in vele streken en steden voor, hoewel niet overal.[11]


Toenemende concurrentie

De korenmolenaars verloren met het molenaarsgilde en de molendwang hun sterke monopoliepositie. Iedereen kon in principe een korenmaalderij beginnen. Hij had daarvoor weliswaar een vergunning nodig, maar die kon hem niet geweigerd worden op grond van concurrentie overwegingen. De burger en de boer waren verder vrij hun graan daar te laten malen waar zij dat wensten. In de negentiende eeuw klaagden korenmolenaars regelmatig over de te grote concurrentie en drongen zij bij de plaatselijke overheid aan op beschermende maatregelen, zoals het weigeren van vergunningen aan nieuwkomers of het dwingen van bakkers hun graan in de stad te malen.[12] Ook trachtten zij nieuwkomers tegen te werken door bijvoorbeeld hen uit te sluiten van samenwerking en onderlinge steunverlening.


De korenmolenaar was in vele streken in Nederland een burger met aanzien, met enige goede wil de plaatselijke industrieel te noemen en samen met de geestelijke, de burgemeester en de brouwer tot de notabelen van een stadje of dorp behorend. De maatschappelijke positie van de korenmolenaar was echter onder druk komen te staan. De afschaffing van de gilden had gezorgd voor een toenemende concurrentie binnen de bedrijfstak. Dat was vooral merkbaar in de steden waar veel korenmolens waren, zoals Amsterdam dat ruim dertig molens op het stedelijk grondgebied had en nog een ruim aantal in de directe omgeving. Drie Amsterdamse molenaars die het stadsbestuur vroegen om maatregelen tegen de bovenmatige concurrentie in de graanmaalderij, merkten op dat 'hoe groot in aanzien het te vaak met een afgunstig oog beschouwde bedrijf van korenmolenaar zich aan sommigen moge voordoen, het in zichzelve altoos een kostbaar, maar gering en aan vele onaangenaamheden onderworpen bedrijf is ...'.[13]

Korenmolen te Rijen, Noord-Brabant


Kartelvorming in Amsterdam

Om wilde concurrentie te voorkomen, bleef de samenwerking tussen de Amsterdamse korenmolenaars in een andere gedaante gewoon voortbestaan. De gildekeuren waren vervangen door een overeenkomst 'tusschen de eigenaars en bemaalders van de korenmolens te Amsterdam ..... met het doel om misbruiken te weren en den onderlingen naijver te bepalen to eene eerlijke mededinging'. [14]

Het maalloon werd in onderling overleg vastgesteld en bij alle bakkers en andere opdrachtsgevers centraal geïnd door een ontvanger, zodat ontduiking van het afgesproken tarief door individuele molenaars onmogelijk was. Een belangrijk deel van het maalloon ontving de molenaar die het betreffende meel gemalen had, niet terug. Het verdween in een centrale kas die regelmatig gelijk over de leden (molensgewijs) verdeeld werd. Het resultaat was uiteindelijk een forse nivellering van de inkomsten van de molenaars. Zonder de herverdeling zou de rijkste molenaar meer dan dertien maal zoveel verdiend hebben als de armste; door de herverdeling nam het verschil af tot minder dan het drievoudige.

Kortom, de Amsterdamse graanmaalderij werd beheerst door een kartel. De samenwerking kreeg ook vorm in een bestuur, in een weduwen- en begrafenisfonds, in onderlinge bijstand bij rampspoed (bijvoorbeeld brand), in bepalingen waaraan knechten moesten voldoen, en dergelijke. Molenaars van buiten de stad waren de belangrijkste concurrenten vòòr de komst van de stoomkorenmolenaars. Het kartel slaagde er echter iedere keer weer in, gedeeltelijk in samenwerking met het stadsbestuur, deze concurrentie effectief uit te schakelen.


Tussen boer en bakker

De windkorenmolen 'De Vier Winden'

De molenaar was dan misschien wel enigszins 'notabel', maar zijn positie wekte ook jaloezie op. Sommigen zagen hem als de slimme ambachtsman die via list en bedrog aan zijn profijt kwam. Een bron van irritatie was de merkwaardige monopoliepositie die hij had ten opzichte van zijn leveranciers en afnemers. De boeren als graanleveranciers hadden op het platteland weinig keuze bij welke molen ze hun rogge of tarwe zouden laten malen. Als er op korte afstand echter meer molens waren, probeerden de molenaars via onderlinge afspraken het maalloon hoog te houden, een praktijk die ook in de steden gangbaar was. De molenaar haalde zijn inkomsten uit het maalloon. De hoogte daarvan verschilde van plaats tot plaats en werd soms in geld, meestal in een percentage van het vermalen graan uitgedrukt. Uit elke zak graan die aan de molen kwam, haalde de molenaar met een speciale maatschep de hoeveelheid die hem toekwam. Hij ging daarbij zeker niet altijd nauwkeurig te werk en liet soms ook 'zijn mouw meescheppen'. De volksmond sprak nogal eens kwaad over de korenmolenaar, zoals in het volgende Brabantse versje:

Mulder, mulder korendief

Grote zakken heeft hij lief

De kleintjes wil hij niet malen

Daar kan hij niet genoeg uit halen'.[15]


Ten opzichte van de bakkers had de molenaar eveneens een onaantastbare positie. De hele meelhandel was strak bij de wet geregeld: molenaars mochten niet in meel handelen en bakkers mochten niet malen. Voor al zijn meel ging de bakker dus met graan uit eigen voorraad naar een molenaar om er, na betaling van maalloon, het meel weer in ontvangst te nemen. Hij moest dat meel meteen weer mee naar de bakkerij nemen, want de molenaar mocht nooit meel in zijn molen hebben. Omdat het meel maar enkele dagen houdbaar was, moest de bakker elke keer weer naar de molen om een kleine portie graan te laten malen. Ook op het platteland, waar de boeren veelal hun eigen brood bakten, golden deze regels.


Ondanks zijn uitzonderlijke positie, kon de molenaar nooit rijk worden. Het maalloon was zijn enige verdienste, en dat poogde hij door afspraken met andere molenaars veilig te stellen. In vele gevallen had de molenaar naast zijn maalbedrijf nog andere activiteiten. Hij hield een herberg, had een winkeltje, bezat een stukje grond of hield enig vee.