Kunstboter de andere kant van de botermarkt

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
Een gezonde en gelukkige burgerfamilie doet zich tegoed aan margarine

De minder-vermogende consumenten

De Nederlandse exporterende botermakers hadden sinds de jaren zeventig van de negentiende eeuw op twee fronten strijd te leveren. Tegen de Deense boter, die door zijn superieure kwaliteit de beste Friese boter naar het tweede plan drukte, en tegen een product dat zich langzamerhand in het goedkopere marktsegment binnendrong. Ook dat werd in Nederland gevoeld, want veel boter die van hier naar Engeland ging, was altijd al van iets mindere kwaliteit geweest. De nieuwe, zogenoemde 'kunstboter', die pas in 1889 officieel verplicht werd tot de naam Margarine, was kwalitatief geen partij voor de beste en onversneden, ongemengde boter uit gerenommeerde zuivelgebieden. Dat was de pretentie van de makers ook niet. De concurrentie tussen kunst- en natuurboter ging om de gunst van de minder-vermogende consumenten, die zich anders met de minste kwaliteit boter moesten behelpen.


Een nieuw 'Landbouwproduct'

De aanduiding kunstboter of margarine verheelt enigszins, dat ook dit een landbouwproduct was. Het bestond uit bewerkt rundervet, melk en slechte boter, met een kleine toevoeging plantaardige olie. De kunstboterindustrie kan daarom met recht een landbouwindustrie worden genoemd. Het verschil met de hiervóór beschreven boterbereiding is echter dat zij nooit vanuit landbouwkringen is aangemoedigd. Melkveehouders namen niet deel in de fabrieken, coöperaties kwamen er niet voor. Margarine was een nieuw produkt waarvoor de belangrijkste grondstof, het bewerkte rundervet, de oleo-margarine niet door de Nederlandse landbouw werd geleverd. Dat impliceerde een intense en internationale handelsorganisatie, een terrein waarmee landbouwers zelf geen ervaring hadden.

Bovendien werd al vrijwel meteen na de Franse uitvinding in 1869, de aanvoer van oleo-margarine gemonopoliseerd door enkele handelaren, lieden die bekend waren met internationale handelscontacten in het algemeen en met de handel in goedkopere boter in het bijzonder.


Gelijkenis

De ontwikkeling van de kunstboterindustrie geeft zicht op de 'andere kant' van de concurrentie die in het vorige hoofdstuk vanuit boter-perspectief is geschetst.

Een aantal verschillen met de boterbereiding bestond van meet af aan. Hier was geen traditie die belemmerend werkte, er hoefde geen bestaande, kleinschalige productiewijze te worden vervangen, met het eventuele risico van ingrijpende sociale verandering. Risico's waren er zeker, maar andere. De ontwikkeling van de hele bedrijfstak loopt gelijk met de ontwikkeling van het product. Om verkocht te worden, moest margarine zoveel mogelijk lijken op haar natuurlijke concurrent. Dat betekende dat het recept om kunstboter te maken, door proeven en mengen werd verbeterd.

Productietechnische aanpassingen bleken hieraan verder bij te dragen, maar juist door de hoogte van die noodzakelijke investeringen nam het aantal bedrijven snel af. De toenemende gelijkenis met echte boter ontketende de woede en angst van de botermakers. Die werd, zoals in het vorig hoofdstuk is uiteengezet, versterkt door de verkoopmethoden die kunstboterfabrikanten er op nahielden. De uiterlijke gelijkenis beperkte zich niet tot het product, maar betrof ook de verpakking en de naamgeving.

Het officiële standpunt van de Nederlandse regering in deze kwestie was, zeker in internationaal perspectief, uiterst mild: mits de klant geen ongezond product wordt verkocht en hem wordt verteld wat hij koopt, heeft de margarine-industrie evenveel bestaansrecht als elke andere landbouw- of voedingsmiddelenindustrie.