Melkfles versus melkpak

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Het besef onder medici dat de consumptie van onhygiënische, niet behandelde of rauwe koemelk bijdroeg aan de verspreiding van bacteriële ziekten als tuberculose, leidde rond 1880 tot de oprichting van stedelijke melkinrichtingen, de introductie van de melkslijter en de melk pasteurisatie van los verkochte melk en flessenmelk.


Een halve eeuw losse melk

De allereerste melkflessen, die in de jaren tachtig van de negentiende eeuw op de markt verschenen, waren bestemd voor kindervoeding.[36] Deze flessen werden onder hygiënische omstandigheden en streng veterinair toezicht op modelboerderijen gevuld.[37]

Zuivelinrichtingen verpakten hun melk bij voorkeur in helder doorschijnende flessen, waarin de consument de melk mooi kon zien. Bruin gekleurd glas hield weliswaar de ultraviolette stralen van het zonlicht tegen en kon de oxidatiesmaak voorkomen, maar werd door consumenten niet gewaardeerd.[38]

Tot in de jaren vijftig bleef de losse melk bij de consument echter populair, ondanks het feit dat de melk thuis in eigen kannen moest worden bewaard en voor gebruik moest worden gekookt. Zelfs bij gepasteuriseerde losse melk bleef de kans op besmetting bestaan en was koken noodzakelijk. De voorkeur voor losse melk had alles te maken met de prijs: flessenmelk was eenvoudigweg duurder.[39]


De melkfles, verre van ideaal, vervangt losse verkoop

In de jaren vijftig brak de glazen melkfles echter door. Verordeningen die in de grote steden de verkoop van flessenmelk voorschreven, toegenomen welvaart en veranderende opvattingen over voeding lagen hieraan ten grondslag.

Om de breekbaarheid van de melkfles te verminderen liet de melkindustrie de flessen in de jaren 50 verharden met siliconenemulsie.

Gepasteuriseerde flessenmelk behoefde voor gebruik niet te worden gekookt en kon worden bewaard.

Desondanks was de zuivelindustrie niet tevreden over de melkfles. De fles was bijzonder bewerkelijk. Bezorging en retournering, opslag, reiniging, vulling, capsulering, pasteurisatie en koeling vergden veel ruimte, machines en arbeid, en waren kostbaar. ‘Het is bedroevend te constateren, hoe weinigen onder de consumenten er ook maar enig begrip voor hebben, welke gevolgen uit het vuil inleveren van een melk- of yoghurtfles kunnen voortspruiten. Van de moeilijkheden bij de reiniging en vooral van het in de hand werken van een eventueel slechtere kwaliteit van de opnieuw in de betrokken fles afgevulde melk, heeft men geen notie; men ziet het eenvoudig niet’, klaagde de industrie.[40]

Detaillisten en consumentenorganisaties verzetten zich tegen het verbod op inname van vuile flessen waarop de industrie aandrong. Zij gaven de voorkeur aan ‘beïnvloeding van de consument’. Reiniging van lege melkflessen bleef jarenlang een heet hangijzer. Een ander probleem was dat flessenmelk snel haar kwaliteit verloor - afbraak van ascorbinezuur (vitamine C) en vitamine B2 - wanneer het werd blootgesteld aan direct zonlicht.



Papieren melkverpakking moeizaam geaccepteerd

Ondanks de opmars van de flessenmelk oriënteerde de zuivelindustrie zich ook op goedkopere alternatieven. De industrie keek hierbij vooral naar de Verenigde Staten en Scandinavië, waar de papieren melkverpakking veel werd toegepast. Nederlandse experimenten met papieren zuivelverpakking startten in de jaren twintig met het gebruik van kartonnen bekers voor geslagen room, gemalen kaas en later ook consumptie-ijs. Het karton werd van een paraffine coating voorzien om het waterdicht te maken en de inhoud tegen een mogelijke kartonsmaak te beschermen. Een bekend bedrijf op het gebied van papieren en kartonnen zuivelverpakking was de firma Spruijt & Co. te Zutphen.

De papieren melkverpakking werd in de Verenigde Staten en Scandinavië een succes dankzij de verkoop van melk door kruideniers en zelfbedieningswinkels, iets dat in Nederland verboden was. In 1954 verzuchtte Misset’s Zuivelbereiding en –Handel: ‘We wachten met enig ongeduld de dag af, waarop, evenals in Amerika, ook in Nederland melk verpakt in papier aan de consument zal worden aangeboden.’[41]

In 1955 verkocht de N.V. Combinatie te Rotterdam de eerste melk in karton op aangeven van de ‘Moderne Papier Verpakkings Industrie’ (Mopavi) te Rotterdam. Deze fabriek paste een door Jagenberg Werke A.G. te Düsseldorf ontwikkelde verpakking toe, de Perga-Packung. In hetzelfde jaar startte ook Sterovita N.V. te Dordrecht met de productie en verkoop van ‘pakmelk’. Sterovita had met de levering van ‘pakmelk’ (‘pure-pak’) aan de in Europa gelegerde Amerikaanse troepen vanaf 1950 ervaring opgedaan.[42] Voor de Nederlandse markt koos Sterovita voor het goedkopere Zweedse ‘Tetra-pak’.[43]

De Tetra-verpakking bood belangrijke economische, hygiënische en technische voordelen. Om de melk te verpakken, was een vrij eenvoudige machine voorhanden die uit papier verpakkingen vormde, ze vervolgens vulde met melk, ‘sealde’ en van elkaar sneed. Het Tetra-papier was aan de binnenzijde voorzien van een laagje polyethyleen en aan de buitenzijde van een laagje paraffine. Sterovita importeerde het papier uit Zweden, ze overwoog - mocht het tetravormige pak een succes worden - het in Nederland te gaan produceren.[44]

De coöperatieve Federatie van Nederlandse Zuivelfabrikanten (FNZ) - die zich ook wel Koninklijke Nederlandse Zuivelbond noemde - reageerde voorzichtig en richtte een Commissie voor Melk in Papierverpakking op, die van 1955 tot 1957 uitvoerig onderzoek deed naar de marktkansen van de papieren melkverpakking.

Op basis van een door de marktonderzoekers geconstrueerd beeld van de consument - ‘de huisvrouw’ - concludeerde de FNZ dat er nogal wat bezwaren aan de papieren melkverpakking kleefden. Zo zou de paraffinelaag aan de binnenkant van papieren verpakkingen kunnen afbrokkelen, liep de smaak van in papier verpakte melk terug bij hogere temperaturen, bestond gevaar voor lekken, was de inhoud niet zichtbaar en was het openen van een melkpak niet eenvoudig.

Bovendien concludeerde de commissie dat de Nederlandse huisvrouw geen profijt zou hebben van het lagere gewicht en het transportgemak van de pakkenmelk omdat zij met het bestaande systeem van de huis-aan-huisbezorging haar melk immers thuisbezorgd kreeg ongeacht de soort melkverpakking.[45]

Uit een ‘veldtest’ bleek dat huisvrouwen de pakkenmelk niet kochten omdat ze duurder was (2 tot 5 cent) dan flessenmelk en ze moesten wennen aan het openen van de pakken alsmede het uitschenken en het bewaren van de melk.

Om pakkenmelk in de jaren vijftig uit te proberen werd dit o.a. afgezet op scholen, sportmanifestaties en recreatieve evementen.

Volgens de coöperatieve zuivelindustrie had het papieren melkpak pas op de middellange termijn serieuze marktkansen. Het Nederlands Verpakkings Centrum stelde in 1959: ‘Men is er desondanks van overtuigd, dat er een toekomst voor papier is en dat er t.z.t. melk in papier verpakt zal komen, doch voorlopig is de Nederlandse consument er niet rijp voor. Over 5 à 10 jaar wellicht wel.’[46]

Huisvrouwenverenigingen en voorlichtingsinstituten besteedden desondanks veel aandacht aan de Rotterdamse melkpakexperimenten, net als damesbladen en vrouwenrubrieken van dagbladen. Voeding en de verpakking van voeding werden in de jaren vijftig gezien als onderwerpen bij uitstek voor huisvrouwen; organisaties als de Nederlandse Huishoudraad wilden dan ook worden betrokken bij de ontwikkeling en de diffusie van het papieren melkpak. In 1958 namen het Nederlands Verpakkings Centrum en de Nederlandse Huishoudraad het initiatief tot de oprichting van de gezamenlijke commissie ‘Huisvrouw en Verpakking’, waarin ook vertegenwoordigers van de papier- en verpakkingsindustrie (Mopavi, Bührmann, Thomassen & Drijver, Vereenigde Glasfabrieken), TNO (Werkgroep voor Gelaagde en Gedekte Verpakkingsmaterialen), voedingsonderzoek (Centraal Instituut voor Voedselonderzoek, Instituut voor Bewaring en Verwerking van Tuinbouwproducten) en van de Nederlandse huisvrouwen (vertegenwoordigd door het warenhuis ‘De Bijenkorf’, de AVRO en de NCRV) zaten.

Binnen de commissie ‘Huisvrouw en Verpakking’ en haar subcommissie ‘Melkverpakking’[47] werd onderhandeld over de vormgeving van het nieuwe product, het gebruik en de gebruiker ervan. De coöperatieve zuivelindustrie - vanwege nog niet terugverdiende investeringen in het melkflessensysteem en op basis van het FNZ-melkpakonderzoek - vond de papieren melkverpakking te duur en onhandig in het gebruik. De papierindustrie benadrukte daarentegen dat de huisvrouw voordeel zou hebben van het geringere gewicht en het gemak van pakkenmelk en dat de productie ervan geen problemen zou opleveren. Voedingskundigen hoopten dat het melkpak vrouwen ertoe zou aanzetten om meer melk te kopen en hun gezinsleden meer melk te laten drinken. ‘Zij wordt er immers genoeg op gewezen, dat een bepaalde hoeveelheid melk per dag voor ieder gezinslid op de een of andere manier in haar menu verwerkt moet worden.[48]

Volgens de Nederlandse Huishoudraad had de huisvrouw echter vooral belang bij een goede melkbezorging en melkopslagfaciliteiten in huis en voorzag de bestaande huis-aan-huisbezorging in haar behoefte. Uit dien hoofde was er dus geen behoefte aan een nieuwe papieren melkverpakking. De Huishoudraad voorspelde dat huisvrouwen niet zouden overstappen op pakkenmelk. Uit eigen onderzoek bleek dat veel huisvrouwen bij pakkenmelk na enkele dagen een papiersmaak proefden.[49] Een enquête van de glasfabrikanten bevestigde het beeld dat de Nederlandse huisvrouw grote gebruiksproblemen had met de papieren melkverpakking. Ook de glasfabrikanten wezen erop dat bij de bestaande huis-aan-huisbezorging huisvrouwen geen enkel voordeel zouden hebben van nieuwe melkverpakking.[50]

Afgezien van de papierindustrie waren alle betrokkenen het erover eens dat - in elk geval op korte termijn - de verkoop van in papier verpakte melk geen succes zou worden. De praktijk leek hen gelijk te geven; de experimenten in de grote steden verliepen niet hoopgevend. Het papieren melkpak was aanvankelijk vooral een nicheproduct in aanvulling op de in opmars zijnde flessenmelk. Een voorbeeld van een dergelijke niche was de schoolmelk.

In 1957 ging melkinrichting Mariëndaal te Apeldoorn over tot de introductie van schoolmelk in papieren verpakking om verlost te zijn van het bewerkelijke retoursysteem en de flessenreiniging.[51]

Andere belangrijke niches waren sportmanifestaties, sportkantines, kazernekantines, tentoonstellingen, recreatie (strand), (spoor- en weg)vervoer en evenementen zoals de vierdaagse te Nijmegen, waar eenmalige ‘wegwerpverpakkingen’ goede arbeidsbesparende diensten leverden. Vanaf 1957 werden deze niches in toenemende mate bruggenhoofden voor de maatschappelijke diffusie van het papieren melkpak.

Het melkpak kreeg bovendien de steun van minister van Landbouw S. Mansholt. Een vakblad berichtte: ‘Enkele maanden geleden heeft minister Mansholt bij de opening van een fabriek voor verpakkingsmateriaal de verkoop van losse melk verouderd genoemd. Ook betoogde hij bij deze gelegenheid dat langs de weg van de papieren melkverpakking tot een goedkopere productie kan worden gekomen, mits het gehele distributiesysteem aan deze verpakking wordt aangepast. De minister wees er in dit verband op dat de verkoop van in papier verpakte melk geen bijzondere vakkennis vereist, zodat het aantal verkoopplaatsen zou kunnen worden uitgebreid.’[52] Mansholt was een voorstander van liberalisering binnen de detailhandel, waarbij naast ‘erkende zuivelhandelaren’ ook kruideniers verpakte melk zouden mogen gaan verkopen. De liberalisering van de detailhandel, inclusief de huis-aan-huisbezorging, was een belangrijke politieke en economische kwestie in de jaren vijftig en zestig.