Molenbedrijf en meelfabriek

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Molenbedrijf als kleinbedrijf onmisbaar

Fabrikanten, molenaars en bakkers voerden een prijzen- èn een propagandaslag om de gunst van de consument, waarbij smaak en gezondheid centraal stonden. Zij waren echter niet in alle opzichten elkaars concurrenten, daar de meelfabrieken slechts ten dele in de lokale infrastructuur pasten. Lange tijd kochten bakkers zelf hun graan in en bleven voor het malen aangewezen op het kleinbedrijf - voor dergelijke kleine porties konden zij niet bij de fabriek terecht.[107]

De organisatie en techniek waren in de meelfabriek niet ingericht op het afzonderlijke malen van enkele zakken graan. De kleine maalderij had vermoedelijk om deze reden ook minder last van de buitenlandse meelimport. Zolang in de omgeving graan voor broodconsumptie geproduceerd werd, moest dat hoofdzakelijk in de plaatselijke molen verwerkt worden.


Windkorenmolen handhaaft zich ondanks beperkingen en uitblijven innovaties

Na de afschaffing van de wet op het gemaal kreeg het molenbedrijf eveneens de ruimte om zijn productietechniek te wijzigen. Een graanmaalderij met wind als energiebron kon ook het graan zuiveren en bloem produceren, zij het dat de onregelmatigheid en de kracht van de wind het aantal mogelijke bewerkingen beperkte. Een beperkende factor was verder de gangbare bouw en constructie van de windkorenmolen, die zich niet leende voor grote uitbreidingen.

De windmeelfabriek te Breslau

De wieken moesten immers ongehinderd en bij alle windrichtingen kunnen draaien.

S.A. Bleekrode besteedde in 1846 een apart artikel aan het vraagstuk 'Kan de windmolen voor eene meelfabriek dienen?'.[108] Hij zag zeker mogelijkheden en gaf daarbij als voorbeeld een windmolenbedrijf in Breslau (zie de afbeelding). Met windenergie kon het windmolenbedrijf, aldus Bleekrode, in principe dezelfde eindprodukten realiseren als de meelfabriek met stoom- of waterkracht. Het bedrijf moest daarvoor echter op geheel andere wijze ontworpen worden, zodat in feite sprake was van een geheel nieuw type molen. Toen hij tien jaar later echter technisch adviseur werd van de Maatschappij voor Meel- en Broodfabrieken, heeft hij schijnbaar het Breslause windmolentype geen moment meer te hebben overwogen.


Opmerkelijk was hoezeer het windmolenbedrijf zich gedurende het grootste deel van de negentiende eeuw nog kon handhaven. Het aantal korenmolens (inclusief gort- en pelmolens, maar zonder de boekweitmolens) steeg tussen 1850 en 1860 van ca. 1700 tot ca. 1900 en bleef sindsdien ongeveer op dit niveau. Het aantal stoommolens of molens die wind en stoom combineerden, was beperkt tot ongeveer 200 in 1880, terwijl het aantal watermolens ook in deze orde van grootte lag.


Wind domineerde niet alleen binnen de kleinschalige maalderij, maar ook ten opzichte van de meelfabrieken. Het aandeel in de totale meelproduktie, dat de tientallen meelfabrieken omstreeks 1880 leverden, is geschat op ongeveer twintig procent.[109] De traditionele techniek leek zich vooralsnog met verve te kunnen handhaven. Dit is temeer verrassend daar de klassieke windkorenmolen slechts weinig ingrijpend veranderde en dus géén opmerkelijke metamorfose onderging. Ook verbeteringen aan de windmolen vonden sporadisch plaats. Zo werd het wieksysteem met zelfzwichting voor het eerst in 1891 in Nederland toegepast, hoewel het principe reeds ruime verspreiding had gevonden onder andere in Noord Duitsland en Denemarken.

Hetzelfde gold voor de windroos op de molenkap waarmee de molen zich automatisch in de wind zette en de regulateur van de molenstenen. Deze uitvinding gaf een meer constante draaibeweging aan de loper en regelde de maaldruk. Zij betekende bovendien een bescheiden arbeidsbesparing, daar de regeling door de molenaar met de steenlichter verviel. Van toepassing in Nederland werd nergens melding gemaakt.

De basis voor de sterke positie van het windmolenbedrijf is in het voorgaande aangegeven. Het was economisch nog redelijk rendabel tot ver in de negentiende eeuw in vergelijking met de stoommolen. Het was hecht verankerd in de lokale infrastructuur met kleinschalige graanverbouwing en kleinschalige broodproduktie. Het leverde tevens een eindprodukt dat aansloot bij het consumptiepatroon ter plaatse. Het rogge en tarwebrood van ongebuild of enigszins gebuild meel had de voorkeur in het grootste deel van Nederland. Wittebrood van fijne bloem - vooral het domein van de meel- (en brood) fabrieken - werd hoofdzakelijk in het westen, zuid westen en in de grotere steden gegeten.[110]

Meelfabriek te Middelburg. Exterieur ca. 1890


De landbouwcrisis van 1880 treft meelfabrieken

Na 1880 zou de situatie in de graanmaalderij veranderen. Het keerpunt was de agrarische crisis. De agrarische crisis was in eerste instantie een crisis in de akkerbouw, in het bijzonder in de verbouw van granen. Nederland werd overspoeld met goedkope granen, meest tarwe, vooral uit Amerika, maar ook uit Rusland en Argentinië. [111] De verbouw van tarwe (naar landbouwoppervlakte gemeten) liep in twintig jaar met ongeveer een kwart terug. De verbouw van rogge handhaafde zich echter. Het molenbedrijf wist wederom de ongunstige tijden te doorstaan. Het aantal windkorenmolens bleef constant op circa 1900 molens, waarvan ongeveer tien procent met stoomwerktuigen was ingericht.


De meelfabrieken daarentegen werden zwaar getroffen. De meelfabrieken hadden in principe door hun ligging en hun productieproces van de prijsdaling van het graan profijt kunnen trekken. Zij kregen echter te maken met een sterke toename in de invoer van meel en bloem. Daarbij speelde een rol dat het maalproces in het buitenland een grondige verandering had ondergaan. Buitenlandse fabrikanten waren inmiddels overgegaan op het malen met walsen in plaats van stenen en gebruikte geheel nieuwe installaties voor het zuiveren, zeven en ziften, zoals plansichters, trieurs en aspirateurs. Een ingrijpende reorganisatie van de binnenlandse meelnijverheid was het gevolg. Niet minder dan 56 meelfabrieken werden tussen 1880 en 1900 gesloten, terwijl de fabricage zich in een klein aantal (omstreeks 1900 ongeveer 26, waaronder zeer grote, kapitaalintensieve) ondernemingen concentreerde, die nagenoeg de gehele binnenlandse tarwebloemproduktie in handen kreeg.[112]

Voor het windmolenbedrijf lag in deze ontwikkeling een onomkeerbaar effect. Had het windmolenbedrijf vóór deze tijd de produktietechniek van de fabriek in principe kunnen imiteren, dat was nu niet meer mogelijk. De nieuwe produktietechniek vereiste - in tegenstelling tot diverse oude fabriekmatige stelsels - een regelmatige aandrijving. De klassieke windmolen was daartoe niet in staat.


Van de andere kant werd de positie van het windmolenbedrijf in sommige opzichten ook verstevigd. Het nieuwe walsprocédé leende zich minder goed voor de fabricage van roggemeel, ongebuild tarwemeel en enkele andere specialiteiten. Toch waren dit nog steeds overheersende voorkeuren bij de consument. Het witte brood van fijne bloem begon enigszins het rogge en ongebuild tarwebrood te verdringen, maar dat was een langdurig proces dat nog tot ver na de eeuwwisseling onvoltooid zou blijven.[113] Eind negentiende eeuw werd in het noorden, oosten en zuiden van Nederland in hoofdzaak nog roggebrood gegeten. Bovendien werd rogge door de prijsdaling in toenemende mate voor veevoer gebruikt. Het molenbedrijf kreeg er daarmee een belangrijke markt bij. Het kon zich op deze markten nog enkele decennia in de twintigste eeuw handhaven, mede omdat het op grote schaal gebruik ging maken van elektro- en verbrandingsmotoren.