Na de pioniers

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Linde bij Heineken en Amstel


De installatie van de Linde-machine in de Amsterdamse brouwerij van de Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij (hbm) en de aanleg van het koelsysteem in de gistkelder in de Rotterdamse vestiging trok binnen de Nederlandse brouwwereld de nodige aandacht. Feltmann ontving een groot aantal verzoeken om rondleidingen en inlichtingen. Omdat hij zich evenals collega-brouwers als Sedlmayer en Jacobsen op het standpunt stelde, dat de biernijverheid gebaat was met een zo groot mogelijk openheid inzake technische verbeteringen, werkte hij hier aanvankelijk aan mee. Toen het geven van inlichtingen al te veel tijd ging vergen, leidde Feltmann de verzoeken echter door naar het bedrijf van Linde in Wiesbaden. De Amstelbrouwerij liet begin 1882 eveneens een Linde-machine installeren. Heineken kocht voor de Rotterdamse vestiging een kleine jaar later een Linde-machine van het type VI. Dit was een verbeterde versie van de V, die ook een groter koelvermogen had.[90]

Een koelmachine zoals ontworpen door prof Linde

Oranjeboom

Hoe belangrijk de ijsmachine voor de brouwerijen was blijkt uit het conflict dat zich in de jaren 1883/1884 in de boezem van de hbm afspeelde. Bij de oprichting van deze onderneming was afgesproken dat aandeelhouder Baartz in d'Oranjeboom bovengistend zou blijven brouwen. In 1883 vernam de directie van de hbm dat hij overwoog voor zijn brouwerij een Linde-ijsmachine aan te kopen. Dit kon niet anders betekenen, meende de directie, dat Baartz het plan had om in d'Oranjeboom eveneens ondergistend te gaan brouwen. De zaak werd in juli 1884 in een gezamenlijke vergadering van directie en commissarissen besproken zonder dat een oplossing werd bereikt. d'Oranjeboom schafte in 1885 wel een Linde-machine aan maar bleef tot rond 1908 in hoofdzaak bovengistend brouwen.[91]


Zoals voordien in Engeland was aangetoond, waar al in 1877 een Linde-machine in een Londense brouwerij in gebruik was genomen, had de toepassing van koelapparatuur voor het brouwen van bovengistende biersoorten eveneens grote voordelen. In bedrijven die volgens de hooggistingsmethode werkten, gebruikten de brouwers de machines in de eerste plaats om de wort snel te laten afkoelen en om het gistingsproces beter in de hand te kunnen houden. Op deze wijze kon verder het bederven van brouwsels worden tegengegaan.

In de jaren negentig kwamen ook kleinere en goedkopere koelmachines op de markt, die het voor middelgrote en kleinere brouwerijen mogelijk maakten koude-apparatuur aan te schaffen. In een aantal gevallen waren dit overigens machines van het verbeterde Carré-type, die een kleiner vermogen hadden. Zo kocht de Limburgse brouwerij Brand rond 1905 een bij de firma C. Senssenbrenner in Düsseldorf gemaakte koelmachine, die werkte volgens het absorptieprincipe. De aankoop van deze machine viel ongeveer samen met de overgang van het bedrijf op de ondergistingsmethode.[92]


Verspreiding koeltechniek

De verspreiding van de koeltechniek in de biernijverheid is redelijk goed te traceren aan de hand van een in 1908 door J.F.H. Koopman opgesteld overzicht. Koopman, een in Delft opgeleid ingenieur die toen secretaris-penningmeester was van de Nederlandsche Vereeniging voor Koeltechniek, stelde dit overzicht van alle op dat moment in ons land en in Indië in gebruik zijnde ijs- en koelmachines op naar aanleiding van het dat jaar in Parijs gehouden Eerste Internationale Congres over Koude.

Uit Koopmans waarschijnlijk vrij nauwkeurige opgave blijkt dat 34 van de ongeveer 440 toen nog bestaande brouwerijen in totaal 68 koelmachines in gebruik hadden.[93] Met andere woorden: dertig jaar na de introductie van deze techniek in ons land beschikte slechts ongeveer 8% van de brouwerijen over een dergelijke machine.(zie tabel 6.4[94] )

Tabel 6,4.jpg

Koopmans overzicht bevestigt nog eens het beeld van de Nederlandse brouwnijverheid zoals dat eveneens uit de andere gegevens naar voren komt. De grote bedrijven waren in het begin van deze eeuw geconcentreerd in Noord- en Zuid-Holland. Van de overige provincies telden slechts Overijssel, Noord-Brabant en Limburg nog enigermate mee. De brouwerijen in de rest van het land speelden landelijk gezien geen rol van betekenis.

Uit het verslag blijkt verder dat het overgrote deel van de in de biernijverheid gebruikte koelapparatuur, namelijk 43 van de 68 machines, was geleverd door de fabriek van Linde in Wiesbaden. Van de resterende 25 machines was het merendeel eveneens afkomstig uit Duitse bedrijven. Twee machines waren geleverd door de Franse fabriek van Lebrun en de Maastrichtse brouwerij De Zwarte Ruiter had een Amerikaanse koelmachine.[95]


Samenvattend

kan men zeggen dat de introductie van de koelapparatuur in de Nederlandse brouwerijen in verschillende, overigens dicht op elkaar gelegen fasen is verlopen. De eerste Carré-machines werden in de met de ondergistende methode werkende bedrijven gebruikt bij het directe brouwproces als aanvulling op het in ons land vaak schaarse en bij invoer dure natuurijs.

Zodra dit technisch mogelijk bleek, ging men de apparatuur eveneens toepassen bij het koelen van de gistkelders. Met de door Linde ontwikkelde machines was het al snel daarna mogelijk ook de opslagkelders te koelen. Voor de grote brouwerijen in het westen van het land was dit van groot belang. Zij hoefden niet langer dure kelderruimte te gebruiken om ijs op te slaan en kwamen nu al spoedig met het goedkopere zogeheten 'Lager' bier op de markt om de bovengistend brouwende producenten tevens in prijs te kunnen beconcurreren.

Voor de biernijverheid in Nederland is de invoering van de koelapparatuur in meerdere opzichten van grote betekenis geweest. In de eerste plaats was het slechts voor kapitaalkrachtige, grotere bedrijven mogelijk dergelijke machines aan te schaffen. Met deze apparatuur konden zij zich ontwikkelen tot industriële ondernemingen met een stabiel en van de weersomstandigheden onafhankelijk productieproces. Voor verreweg de meeste kleinere bedrijven was de aankoop van een koelmachine zeker de eerste tijd veel te duur. De introductie en in hoofdzaak tot grotere ondernemingen beperkte verspreiding van de koelapparatuur heeft dan ook op termijn geleid tot het verdwijnen van een belangrijk deel van de kleinere brouwerijen.

De koelmachine heeft verder een doorslaggevende rol gespeeld bij de doorbraak van de ondergistende manier van brouwen. Door het gebruik van deze machines was het namelijk mogelijk om in een betrekkelijk mild klimaat eveneens een kwalitatief goed product te verkrijgen met een brouwmethode die door de vereiste lage temperaturen aanvankelijk was gebonden aan streken met een landklimaat.

De toepassing van koeltechniek in de biernijverheid heeft een grote bijdrage geleverd aan het ontstaan van een exportindustrie van 'Beijersch' bier, die uitstekend kon concurreren met het oorspronkelijke product.