Suikerraffinaderij en bietsuikerindustrie

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Afweging van belangen: overheid, landbouwkundigen, raffinadeurs en de nhm


De ontwikkeling van de suikerraffinaderijen en de bietsuikerindustrie was nauw verweven met koloniale rietsuikerbelangen, Europese landbouw, en uiteindelijk, met staatsfinanciën. Ingewikkelde accijnsstelsels en de internationale discussie over hun effecten waren symptomatisch voor de tegenstrijdige belangen die moesten worden afgewogen.

In Nederland heeft de suikeraccijns een extra betekenis voor de schatkist gekregen toen begin jaren vijftig een aantal belastingen op eerste levensbehoeften werd afgeschaft: op het gemaal, op vlees en op steenkool. De overheid was sindsdien zeker niet van plan om binnenlandse bietsuikerfabricage af te schrikken door erg strenge bepalingen, die de industrie geen vrijheid en winstmogelijkheid lieten.

Bieten, met de hand gerooid en van loof en kop ontdaan, worden naar een loswal of direkt naar een fabriek gebracht

Van de Nederlandsche Handel-Maatschappij is hoogstens een bescheiden stimulans uitgegaan om in Nederland het raffinagebedrijf te moderniseren. De meeste raffinadeurs die op nieuwe werkwijzen overgingen, deden dat op eigen initiatief en met eigen middelen. Evenmin is door de nhm als vertegenwoordigster van de rietsuikerindustrie serieus gepoogd om de bietenteelt en -verwerking hier te dwarsbomen. Met enige retoriek werd van verschillende kanten - ook door Nederlandse landbouwkundigen - gesteld dat bietsuiker een 'kunstproduct' of surrogaat was, dat indruiste tegen de 'natuurlijke ordening'. Wat in de tropen spontaan en in overvloed aanwezig was, moest men niet in Europa via gewasveredeling, aangepaste landbouw en accijnsbevoordeling willen namaken. Alleen de rusteloze raffinadeurs De Bruyn trokken zich van deze opmerkingen weinig aan en verlieten hun Nederlandsche Suikerraffinaderij voor een geheel nieuwe industriële onderneming.


Grootschalige productie en een korte verwerkingstijd

In technisch opzicht profiteerden de ondernemers in beide takken van suikerfabricage van buitenlandse ontwikkelingen.

Daar was al in de jaren twintig een scheiding aan het ontstaan tussen de suikerindustrie en machinebouwers, in zoverre dat de machine-industrie ernaar streefde om haar producten zo goed mogelijk te verkopen. Zij liet zich niets gelegen liggen aan eventuele ruwsuikerfabrikanten of raffinadeurs die geen nieuwkomers in hun branche wensten.

Nieuwe procedés werden uitgebreid beschreven en het was voor geïnteresseerden geen probleem om dergelijke vernieuwingen van nabij te bekijken en zich een oordeel te vormen.

Ook het feit dat Nederlandse raffinadeurs daar altijd voor naar Frankrijk of Engeland moesten, was geen beletsel. Het verkoopoffensief dat de Franse machinefabrikant J.-F. Cail in 1861 inzette om zijn techniek, dat wil zeggen: hele fabrieken, te verkopen, is een bijzonder voorbeeld. Hij en zijn relaties in de Amsterdamse industriële wereld lijken het standpunt te hebben gehuldigd, dat waar fabrieken stonden, de bieten vanzelf wel zouden volgen.

Zowel de raffinaderij als de bietsuikerfabricage bleek in de praktijk gebaat bij een grootschalige productie. Dat heeft te maken met de aard van het productieproces, waarin warmte een essentiële rol speelt. Het is een natuurkundig gegeven dat warmte efficiënter wordt overgedragen naarmate het contactoppervlak groter is. Stoom is daarbij een bijzondere energie-drager, die in grote installaties beter beheerst en benut kan worden dan in kleine. Voorwaarde is wel, dat de installatie zoveel mogelijk continu, 24 uur per dag, zeven dagen per week, in bedrijf blijft.

De bietsuikerindustrie werd in haar aandacht voor grootschalige productie nog geleid door een eigenschap van de plantaardige grondstof. Bieten bleken op geen enkele manier lang houdbaar en moesten daarom zo snel mogelijk na het rooien worden verwerkt. Een grote jaarproductie - nodig om de dure installatie rendabel te maken - was onvermijdelijk verbonden met een grote verwerkingscapaciteit, opdat de campagne zo kort mogelijk bleef.


Sociaal-economische rol suikerindustrie: voeding, stedelijke en plattelands werkgelegenheid

Voor de voeding in Nederland heeft de suikerindustrie slechts een beperkte betekenis gehad. De accijns was en bleef onverbiddelijk hoog; pas toen in de jaren negentig de wereldmarktprijs heel laag stond, konden arbeidersgezinnen zich wekelijks voor enkele dubbeltjes suiker veroorloven.[141] Van dat geld ging meer dan de helft naar de schatkist.

Vacuum-kookpan voor suikerfabricage uit 1858

In Amsterdam verschaften de stoomraffinaderijen aan honderden arbeiders werk, want ondanks nieuwe werkwijzen bleef er nog veel en zwaar handwerk te verrichten.[142]

De werkgelegenheid op het platteland werd ook bevorderd door de grote fabrieken. Zo'n dertig bedrijven hadden elk tijdens de wintermaanden honderdvijftig of meer arbeiders in dienst om bieten te sjouwen vanuit scheepsruimen naar de fabriek. Honderden schepen voeren in het najaar heen en weer tussen akkers en fabrieken, juist in een periode dat de binnenscheepvaart weinig andere vracht had. In het voorjaar en de zomer kwamen daar nog bij de afvoer van suiker en bietenpulp en de aanvoer van steenkool en kalksteen, die voor het begin van de campagne in grote bergen naast de fabrieken werden opgeslagen.

Het grootst was de betekenis van de bietsuikerindustrie voor de akkerbouw. In eerste instantie moest de fabrikant met veel geld over de brug komen om contracten af te sluiten. Geheel onverwacht werd de fabrikant in de kaart gespeeld door de internationale ontwikkelingen op de graanmarkt aan het eind van de jaren zeventig. Tijdens de daaruit voortvloeiende malaise in de akkerbouw bleef de suikerbiet als vrijwel enig gewas over, waar de boer nog ongeveer fl. 300 per ha voor kon krijgen.

De toename in graanopbrengst, die in vrijwel alle landbouwpublicaties werd geschetst als neveneffect van bietenteelt, is bij gebrek aan bronnen niet direct te constateren, maar zal er zeker zijn geweest. Helaas hebben de boeren daar niet het financiële voordeel uit kunnen halen dat hun voor ogen stond: de dalende tarweprijzen compenseerden ruimschoots de grotere opbrengst.

Inmiddels had de suikerbiet een onmisbare plaats verworven op de kleigronden, maar het zou tot het begin van de twintigste eeuw duren voordat er een coöperatieve suikerindustrie ontstond. Niettemin mogen we stellen dat de bietenteelt de boeren bewust heeft gemaakt van andere methoden van landbewerking.