Zuivelfabrieken in Noord Nederland

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

De centrifuge

De Commissie-Pasma had gepleit voor langzame verandering van de Friese botermakerij. Kleinschalige aanpassingen, wandelleraren en dergelijke zouden de tradities niet te zeer aantasten. De commissie was sceptisch over grootschalige melkverwerking en over de veranderingsbereidheid in het algemeen. Maar met één recente ontwikkeling hadden de commissieleden in 1878 geen rekening gehouden: de centrifuge.

Het interieur van de boterafdeling

Het principe van scheiding door middel van centrifugale kracht was al langer bekend: in 1857 had Th. Fuchs in Duitsland geëxperimenteerd met centrifugale scheiding van room en melk in een laboratorium-opstelling. Het was geen eenvoudige opgave om van dit stadium tot een functionerende machine te komen, die bovendien werkelijk voordelen bood boven de bestaande roomscheidingsmethoden. Een belangrijk punt was dat alleen continu-werkende centrifuges voordeel leken te kunnen bieden: afremmen, leegmaken, vullen en weer tot omstreeks 1000 omwentelingen per minuut brengen was niet alleen tijdrovend maar verspilde ook veel energie.

Een verschijnsel waar de constructeurs verder een oplossing voor moesten vinden, was de enorme schuimvorming die tijdens het centrifugeren optrad. De centrifuge die door Lefeldt, een Helmstedter fabrikant van botervaten, in 1877 werd ontwikkeld, leek de eerste stap te zijn in een veelbelovende richting. Het apparaat werkte echter niet continu en was daarom nog ongeschikt voor het dagelijks gebruik.

leftDoorsnede van een model van de Laval-centrifuge

De Deense constructeur Nielsen en de Zweed De Laval ontwikkelden de Lefeldt-centrifuge verder. De Laval bracht in 1879 een centrifuge op de markt die continu werkte met een snelheid van 7200 omwentelingen en die een betere ontroming gaf dan het Schwartz-systeem met ijskoeling. De machine had een capaciteit van 130 liter per uur, waarvoor een aandrijfkracht van bijna 5 pk nodig was. Zowel Lefeldt - die in 1879 eveneens een continue centrifuge bouwde - als De Laval bleven sindsdien werken aan verbeteringen, aangespoord door een toenemende vraag naar centrifuges.

De Laval verbond zich met de Zweedse machinebouwer Alfa voor de produktie van zijn centrifuge. In 1879 werden er 54, het jaar daarop 62 Alfa-Separators verkocht, het merendeel naar het buitenland. Een belangrijke uitbreiding van het Alfa-assortiment was omstreeks 1885 een centrifuge die door een paard kon worden aangedreven, enkele jaren later gevolgd door de handseparator. Tussen 1879 en 1884 werden er ongeveer 4000 Alfa-centrifuges van alle typen verkocht, van 1891 tot 1895 waren dat er al 40.000 en tussen 1900 en 1905 verkocht Alfa 160.000 centrifuges over de hele wereld.[43]

J. Rinkes Borger, direkteur van de Leidsche Melkinrichting, sprak in 1883 nog met enig voorbehoud over deze nieuwe ontwikkeling. Onder andere aan de nieuwe roomboterfabriek te Amsterdam waren toen reeds vijf Laval-separators in gebruik, de roomboterfabriek 'Pas Geld' te Delft, een fabriek in Zoetermeer en de Melkinrichting te Zwolle gebruikten centrifuges van Lefeldt en van Petersen. Deze centrifuges moesten door stoom worden aangedreven. Bovendien waren ze duur in de aanschaf, dus vermoedde Rinkes Borger dat er op de boerderijen erg weinig belangstelling voor zou zijn. Voordeel was dat de verwerkte melk, en dus de room, zeer jong was. Het gevaar van verzuren en bederven was daardoor veel kleiner.

Daartegenover 'staat de bewering, dat de room door de sterke beweging schade lijdt. Men zegt dat de boter, uit dien room vervaardigd, minder duurzaam is. (...) Wat van dit alles waar is, weten wij nog niet, en eerst een langdurige en nauwkeurige ondervinding zal moeten bewijzen of de vernuftig uitgedachte werktuigen eene toekomst hebben.' [44]


De eerste fabrieken

Voor het gros van de boeren was het inderdaad nog allemaal te nieuw en te weinig bewezen. Alleen enkele kapitaalkrachtige particulieren, handelaren, sprongen in op de nieuwe ontwikkeling.

Eind 1878 werd in Amsterdam door industriëlen de NV Maatschappij voor Boterbereiding opgericht.[45] In Friesland had de eerste grootschalige verwerking in 1879 plaats bij de fabriek Freia in Veenwouden. Hier maakte men echter nog geen gebruik van een centrifuge maar wel van de Schwartz-methode. Een jaar later volgde het bedrijf van J.P. Smids, de Leeuwarder Melkinrichting,[46] die wel een centrifuge aanschafte. In 1883 bouwde de Nederlandsche Maatschappij voor Kaas- en Roomboterfabrieken twee fabrieken in Bolsward en in Sneek. De oprichtingskosten bedroegen respectievelijk ƒ 76.000 en ƒ 91.000, het waren bedrijven van een afmeting waar voor de Friese boeren absoluut niet aan te denken viel, niet in financieel opzicht, maar ook niet wat organisatie en administratie betreft. Maar deze onderneming werd geleid door professionele handelaren, die goed thuis waren in juist die aspecten van de bedrijfsvoering.

De stoomzuivelfabriek te Warga

In 1885 werd door Jogchum van der Wal als eerste boer in Friesland een centrifuge in gebruik genomen op de boerderij. Hij had die al gezien in de fabrieken in Sneek en Bolsward,[47]

maar in tegenstelling tot die fabrieken gebruikte hij geen stoomwerktuigen. Hij dreef de centrifuge met zijn paard aan. Van der Wal stelde zijn huis open voor iedereen die deze werkwijze wilde leren kennen en inderdaad ontving hij er onder meer commissies van boeren uit Sneek en Leeuwarden, die hun achterban uitgebreid verslag deden van hun bezoek.

Een jaar later kwam 'in Menaldumadeel eene zuivelfabriek, op kleine schaal ingerigt, [tot stand]. Onder Klooster-Anjum bij Berlikum zijn, naar men verneemt, 3 eigenaren overeengekomen, het zuivel van hun vee voortaan gemeenschappelijk te verwerken, en hebben daartoe een gebouw gesticht van 11 bij 6 meter, alwaar door de centrifuge en Holsteinse karn met eene stoommachine van 3 paardekrachten zal worden geroomd en gekarnd.' [48]


Coöperaties

De fabrieken kochten de melk van de boeren, contracten die overigens lang niet altijd gemakkelijk tot stand kwamen. Maar voor de boeren was er het voordeel dat de boerinnen veel arbeid uit handen werd genomen, en dat ze geen uitgaven hoefden te doen voor de verbouwing van melkkelders, voor kneedmachines of een ijshuis.

De Leeuwarder Melkinrichting was een door particulieren ingericht bedrijf dat de melk van boeren uit de omgeving aankocht. Enkele malen kwam het voor dat deze firma de boeren per geleverde melkbus maar voor 40 of zelfs 36 liter uitbetaalde terwijl de boeren zeker wisten dat ze de 42-liter bussen tot de rand toe gevuld bij het hek hadden gezet.

Dat leidde ertoe dat 23 boeren in Warga een coöperatieve zuivelfabriek oprichtten. Daar zouden ze de melk van hun 715 melkkoeien in eigen beheer verwerken. Zij slaagden er in om ƒ 35.000 als startkapitaal bijeen te brengen - de oorspronkelijke raming van de oprichtingskosten had ƒ 27.000 bedragen - en in maart 1887 kon de fabriek met drie door stoom aangedreven centrifuges haar werk beginnen. Er waren enkele aanloopproblemen want de op bestuursvergadering van 3 november 1887 gaven 'eenige ingekomen klachten over de duurzaamheid der boter stof tot wisseling van gedachten hoe dit te verhelpen zoude zijn; waarom de botermaker in de vergadering geroepen werd en hem met duidelijke woorden werd gezegd alle orders stipt op te volgen of heen te gaan, om niet ontslagen te worden.' [49]

De coöperatie Warga was niettemin zo succesvol dat het voorbeeld werd nagevolgd. In Roordahuizen bestond ook belangstelling voor een zuivelfabriek en men wendde zich onder meer tot Warga voor aanvullende informatie. De aanwezigen op een informatiebijeenkomst in juni 1888 kregen te horen dat Warga begonnen was met de melk van 715 koeien te verwerken; na een jaar was dat aantal toegenomen tot 823, zodat in mei 1888 dagelijks ongeveer 13.000 kilo melk aan de fabriek werd geleverd.

De kerkbesturen van Warga en Irnsum constateerden dat boterfabrieken 'reeds een gunstigen invloed uitoefenen op den omvang van de burgerlijke armenzorg, die beduidend is ingekrompen.' [50] Het bleek geen gemakkelijke opgave om het nodige kapitaal in Roordahuizen bijeen te krijgen. Voor een fabriek die de melk van 450 koeien kon verwerken begrootte men de kosten op ƒ 23.000. Zonder veel extra kosten zou eventueel later de capaciteit kunnen worden uitgebreid naar 600 koeien. Uiteindelijk was er voldoende geld om in april 1890 de bouw aan te besteden: fl. 18.729 voor het fabrieksgebouw en het ijshuis; ƒ 5234 voor de stoommachine met bijbehoren en fl. 4880 voor losse gereedschappen en andere benodigdheden.[51]

In Haskerdijken werd in 1888 door een aantal boeren, waaronder H.F. Pasma van de Commissie uit 1878, een coöperatie gesticht waar men de centrifuge in reserve hield, 'voor tijden dat men niet kan afkoelen.' [52] Men gaf nl. de voorkeur aan ontroming via de Schwartz-methode. Het fabriekje kostte ongeveer ƒ 10.000, een bedrag dat door zes deelgenoten, met in totaal 200 koeien was opgebracht. Er stond een stoommachine met ketel, een centrifuge, een Deense karn, boterkneder, kaaspersen (er werd nl. ook kaas gemaakt). De fabriek was langs de Hooivaart gebouwd, waaruit men 's winters ijs haalde dat in het met turf en zaagmeel geïsoleerde ijshuis werd opgeslagen.


Openheid

De bouw van nieuwe fabrieken ging, zoals zo vaak, gepaard met het inwinnen van informatie, rondkijken bij andere en de aanstelling van een <technisch adviseur>, iemand die al meer met zuivelfabrieken te maken had gehad. Bij de coöperatie Warga had J. Rinkes Borger het <plan en begroting van het fabrieksgebouw nagegaan en later nog meer inlichtingen verstrekt.> Hij kreeg daarvoor fl. 25 vergoeding en fl. 15 reiskosten.[53]

Vaak stelde men de fabriek open voor mannen die als volontair ervaring in het vak wilden opdoen. De drie eerste volontairs in Roordahuizen kregen aansluitend betrekkingen elders: één als direkteur van de zuivelfabriek in Grootegast, de twee andere kwamen terecht bij fabrieken in Didam en Marum.[54]


Groningen volgt

De provincie Groningen was weliswaar lang niet zo'n uitgesproken zuivelgebied als Friesland, maar de naburige ontwikkelingen werden nauwlettend gevolgd. In 1885, toen er nog geen coöperatieve fabrieken waren in Friesland, meenden sommigen 'dat voor streken waar iedere boer 10 tot 30 melkkoeien houdt, kleine zuivelfabrieken ten zeerste zijn aan te bevelen. Voor grootere goederen, daarentegen, zou zelfverwerking misschien de voorkeur verdienen, vooral wanneer het mocht blijken dat de Laval's separator door een paard is aan te drijven, zooals nu en dan reeds wordt beweerd.'[55] Zo'n kleine zuivelfabriek zou kunnen zijn 'een 3paards-stoommachine met centrifuge, een koelen, flinken kelder met eenige koelbakken, een paar karns, een boterkneder, melkhouders, melkkannen en verdere kleine benoodigdheden.' [56] In een boerderij zou dat alles kunnen worden opgesteld en daarmee kon men per dag zeker 2000 liter melk verwerken. Maar 'het spreekt vanzelf dat op eene dergelijke kleine inrichting geen heer directeur met eenige duizenden guldens salaris, een onder-directeur of administrateur, een boekhouder, klerk, machinist, stoker etc. zou kunnen ledigloopen.'

Prijsverschillen tussen boter van de boerderij en van de fabriek gaven de afdeling Beerta van de Groninger Maatschappij voor Nijverheid aanleiding om voorstander van fabrieksbereiding te zijn. Men berekende als volgt:

[NTA]100 l melk, fabriekmatig bereid, geeft 3 kg boter à ƒ 1,40 = ƒ 4,20 5,5 kg kaas à ƒ 0,25 = ƒ 1,375 60 l wei à ƒ 0,005 = ƒ 0,30 20 l karnemelk à ƒ 0,003 = ƒ 0,60 Totaal ƒ 6,475 100 l melk geeft op de boerderij 3,25 kg boter à ƒ 0,90 = ƒ 2,925 100 l karnemelk à ƒ 0,01 = ƒ 1,00 Totaal ƒ 3,925

[NT]De inkomsten per 100 l melk zouden dus voor de fabriek ƒ 2,55 hoger zijn. Daar moesten dan de verwerkings- en andere kosten weer vanaf, waarvoor de afdeling Beerta ƒ 1,25 per 100 l rekende. 'Wel heeft fabriekmatige bereiding dit nadeel, dat er per liter of kg en niet naar gehalte [van vet, dus naar de potentiële boteropbrengst, MB] wordt betaald. De hulpmiddelen ter controleering en onderzoeking van melk worden echter met den dag eenvoudiger en beter, zoodat den tijd nabij schijnt, waarop naar het gehalte kan worden betaald.' [57] Daarom waren de leden van de afdeling Beerta net als zoveel anderen in Groningen en Friesland voorstanders van zuivelfabrieken, en wel van stoomgedreven fabrieken.


Snelle invoering centrifugefabriek

Bijgaande Tabellen 4.4, 4.5 en 4.6 laten zien dat de Friese boterbereiding in vijftien jaar tijd een indrukwekkende verandering onderging: meer dan honderd fabrieken werden opgericht. De hoeveelheid boerderijboter was in 1895 nog groter dan de fabrieksproduktie, maar zij daalde gestaag. Het is niet eenvoudig om aan te geven waar de snelle acceptatie van de centrifugefabriek vandaan kwam. Het stoomwerktuig, de georganiseerde melkophaaldienst, de betaalde directie of coöperatief bestuur, zouden allemaal argumenten kunnen zijn om een voorkeur te houden voor kleinschalige verbetering op de boerderij.

Als belangrijke verklaring voor het enthousiasme voor deze radicale verandering wordt wel gewezen op de coöperatieve beheersvorm en het feit dat het risico van mislukken zo gering was: de bestaande fabrieken waren bereid om anderen van advies te dienen, de landbouworganisaties en hun zuiveldeskundigen leverden alle nodige informatie. Vervolgens was er dan de stimulans dat de fabrieksboter duidelijk beter verkocht werd dan veel van de boerderijboter en dat de boeren zelf ook iets terugzagen van die meeropbrengst.

Er blijft nog altijd de kwestie van de traditiegetrouwheid. Was die ten tijde van de Commissie-Pasma werkelijk zo sterk als haar rapport laat vermoeden? De snelle veranderingen in de zuivelfabricage kunnen er ook op wijzen dat Pasma en de zijnen wat al te somber waren over de veranderingsbereidheid op de Friese boerderijen.

Tabel 4,4.jpg
Tabel 4,5.jpg
Tabel 4,6.jpg