<?xml version="1.0"?>
<?xml-stylesheet type="text/css" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/skins/common/feed.css?303"?>
<feed xmlns="http://www.w3.org/2005/Atom" xml:lang="nl">
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/api.php?action=feedcontributions&amp;feedformat=atom&amp;user=DickvandenBrink</id>
		<title>Techniek in Nederland - Bijdragen gebruiker [nl]</title>
		<link rel="self" type="application/atom+xml" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/api.php?action=feedcontributions&amp;feedformat=atom&amp;user=DickvandenBrink"/>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Speciaal:Bijdragen/DickvandenBrink"/>
		<updated>2026-05-06T02:55:49Z</updated>
		<subtitle>Bijdragen gebruiker</subtitle>
		<generator>MediaWiki 1.18.1</generator>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Het_ontwerp_voor_een_nieuw_stationsgebouw</id>
		<title>Het ontwerp voor een nieuw stationsgebouw</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Het_ontwerp_voor_een_nieuw_stationsgebouw"/>
				<updated>2008-10-23T15:40:59Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;[[afbeelding:blz_137.jpg|thumb|400px|right]]Aangezien het Grondslagen-rapport van 1955 de basis vormde voor de nadere planning, leek de beslissing ten gunste van een [[De introductie van de instapbrug voor passagiers|'''stationsgebouw met pieren''']] al bij voorbaat vast te liggen. Op het bezoekersterras van het oude Schiphol had Dellaert zelfs alvast een plattegrond laten aanbrengen van de nieuw geplande luchthaven, waardoor ook het geïnteresseerde publiek kennis kon nemen van de door hem uitgewerkte plannen. Deze voorzagen in een zeer groot, langgerekt stationsgebouw, voorzien van pieren voor het in- en uitstappen van passagiers en het afhandelen van vliegtuigen. Het ontwerp was echter weinig méér dan een ruwe schets. Vandaar dat het in 1957 de eerste taak werd van het gemeentelijke Studiebureau Stads Bouwmeester (SSB) zich nader te oriënteren op de grondvorm van de nieuwe [[begrippenlijst#Terminal|terminal]]. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
In zijn schetsontwerp had Dellaert in eerste instantie gekozen voor een luchthaven met vier pieren en daarlangs opstelplaatsen voor 57 vliegtuigen. Het was echter de vraag of er bij de bouw van vier pieren wel voldoende platformruimte zou overblijven voor het opstellen van vliegtuigen, zeker nu duidelijk was dat deze in de toekomst een stuk groter zouden zijn dan ten tijde van het opstellen van de plannen was voorzien. Aan de hand van nadere schetsontwerpen moest worden nagegaan of de pieren[[begrippenlijst#Configuratie|configuratie]] die Dellaert had aangegeven, ook inderdaad de meest wenselijke was. De Mul vond dat passagiers in ieder geval niet te ver zouden moeten lopen naar hun vliegtuig.[[Noten H6#6-72|&amp;lt;sup&amp;gt;[72]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] Een door De Mul voorgezeten werkgroep trachtte daarom te komen tot een stationsgebouw dat relatief korte loopafstanden zou paren aan een pierenconfiguratie. Alternatieven als tunnels onder het platform en speciaal toegesneden passagierstransportvoertuigen ‘mobile lounges’ – op het platform, werden als te duur of onpraktisch verworpen.[[Noten H6#6-73|&amp;lt;sup&amp;gt;[73]&amp;lt;/sup&amp;gt;]]  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Aldus boog het SSB zich over de [[begrippenlijst#Positionering|positionering]] van de pieren ten opzichte van het stationsgebouw. Het streven daarbij was te komen tot een ontwerp waarin stationsgebouw en pieren één [[begrippenlijst#Organiek|organiek]] geheel zouden vormen. Het was de bedoeling een en ander zo te ontwerpen dat vliegtuigen zoveel mogelijk op eigen kracht naar de pier toe konden rijden en daarvandaan ook weer op eigen kracht konden vertrekken.[[Noten H6#6-74|&amp;lt;sup&amp;gt;[74]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Dat wierp de vraag op of de plannen die tot dan toe waren overwogen, niet méér platformoppervlak vereisten dan waarmee in het [[Een nieuw banenstelsel voor Schiphol|'''Dellaert-ontwerp''']] rekening was gehouden. Waarop de vraag volgde of het stationsgebouw wel gehandhaafd kon worden op de eerder geprojecteerde locatie langs startbaan 06-24 (de Kaagbaan). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
In juni 1958 produceerde het SSB daarop voor het eerst een voorontwerp voor een stationsgebouw dat niet op baan 06-24 was georiënteerd, maar gelegen was in de punt tussen deze baan en baan 01-19 (de Aalsmeerbaan). Het ontwerp voorzag in een gebogen stationsgebouw met daaraan gekoppeld drie gevorkte pieren voor in totaal 51 opstelplaatsen voor vliegtuigen aan de pieren en het stationsgebouw, plus nogmaals vier opstelplaatsen op een aparte [[begrippenlijst#Satelliet|satelliet]].[[Noten H6#6-75|&amp;lt;sup&amp;gt;[75]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dit nieuwe idee maakte duidelijk dat de invulling van het centrale [[Begrippenlijst#Areaal|areaal]], die tot dan toe steeds een bijproduct was geweest van het algehele Schiphol-ontwerp, nadere studie vergde. Op 24 november 1958 kwam er een werkgroep tot stand waarin zes vertegenwoordigers van de luchthaven en drie van de KLM de wederzijds te stellen eisen op elkaar afstemden. Voorzitter van de werkgroep werd De Mul. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De werkgroep begon met zich te buigen over een van de meest problematische punten van de planning van de nieuwe voorzieningen: het vaststellen van de vereiste lengte van de pieren. Cruciaal hiervoor was de inschatting van de toekomstige [[Het straaltijdperk: snelheid maar ook geluidshinder|'''grootte van de vliegtuigen''']]. Dit was een lastige zaak: indien werd uitgegaan van opstelplaatsen voor grote vliegtuigen, waar kleinere toestellen dan automatisch ook ‘in’ kunnen passen, werden, aldus De Mul, de loopafstanden in de pieren te lang voor de passagiers en het stationsgebouw te duur voor de luchthaven. Het was bovendien van belang inzicht te hebben in de verwachte bloktijden van de vliegtuigen: de tijdsduur tussen landing en vertrek waarbij een vliegtuig met de blokken voor de wielen stilstond op het platform. Hoe meer tijd de afhandeling in beslag nam, hoe meer opstelplaatsen Schiphol nodig zou hebben.[[Noten H6#6-76|&amp;lt;sup&amp;gt;[76]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Zowel voor de KLM als voor de luchthaven was geld te verdienen met het verder mechaniseren en versnellen van het afhandelingsproces.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De KLM berekende dat, uitgaande van het gebruik van trappen voor het uitstappen van passagiers, de commerciële lading van de door haar op dat moment gebruikte vliegtuigen in 10 tot 20 minuten gelost kon zijn. Alleen het leegmaken van de boordkeuken met voorraden nam meer tijd in beslag, aangezien de hieruit komende goederen eerst een tijdrovende douanecontrole moesten passeren. Het was dan ook niet verwonderlijk dat in de plannen voor het nieuwe Schiphol alle catering- en bevoorradingsactiviteiten, inclusief de bereiding van de maaltijden in het gebouw van de Civiele Dienst, geconcentreerd werden binnen het douanegebied. In afwachting daarvan was er voor de KLM enige tijdwinst te behalen uit het inbouwen van een gestandaardiseerde [[begrippenlijst#Pantry|pantry]] in de verschillende vliegtuigtypen. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De grootte van de gebruikte vliegtuigen bleek een negatief effect te hebben op de omkeersnelheid: hoe groter het vliegtuig, hoe langer alles zou duren. Toch meende de KLM dat een lostijd van 20 minuten haalbaar moest zijn. De herbelading nam echter aanzienlijk meer tijd in beslag. Hierbij speelden diverse factoren een rol: de meldingstijd van passagiers voor vertrek in verband met het aan boord brengen van de bagage; de aanbrengtijd van post en vracht; het moment waarop definitief bekend was hoeveel passagiers er op de vlucht meegingen; de hoeveelheid en de aard van de lading vracht en post; de hoeveelheid te tanken brandstof; het weer. In de praktijk meende de KLM circa 60 minuten nodig te zullen hebben voor het beladen van de vliegtuigen van het type DC-8 en groter. Voor het volledige omkeerproces van een dergelijk vliegtuig diende aldus ten minste 75 minuten te worden genomen.[[Noten H6#6-77|&amp;lt;sup&amp;gt;[77]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Aanvankelijk wist men niet of de geplande verticale scheiding binnen het stationsgebouw tussen aankomende en vertrekkende reizigers – een van Dellaerts uitgangspunten – haalbaar zou zijn. De keuze voor een verticale scheiding had grote gevolgen voor de vormgeving van die pieren. In maart 1959 was het nog denkbaar dat de pieren op beganegrondniveau zouden worden aangelegd. Over de praktische toepasbaarheid van de [[De introductie van de instapbrug voor passagiers|'''Aviobruggen''']] bestond immers nog geen duidelijkheid. Bij vasthouden aan de bestaande instap met trappen, zouden de pieren op beganegrondniveau kunnen blijven, hetgeen constructietechnisch goedkoper was.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Pieren_als_%22aanlegsteigers%22_voor_de_vliegtuigen</id>
		<title>Pieren als &quot;aanlegsteigers&quot; voor de vliegtuigen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Pieren_als_%22aanlegsteigers%22_voor_de_vliegtuigen"/>
				<updated>2008-10-23T15:38:42Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;[[afbeelding:blz_137.jpg|thumb|400px|right]]Gaandeweg de studies naar de ontwikkeling van een nieuw concept voor Schiphol was er bij de luchthaven toch weer twijfel gerezen of men er verstandig aan deed voor pieren te kiezen. Zo vroeg De Muls vervanger in de werkgroep, J.G. Mesland, hoofd van de Operationele Dienst van de luchthaven, zich af of het niet toch verstandiger zou zijn een luchthaven aan te leggen die gebaseerd was op het [[begrippenlijst#Satelliet|satellietenconcept]]. Dit liet immers de meeste ruimte voor toekomstige uitbreidingen van de capaciteit van de passagiersfaciliteiten.[[Noten H6#6-78|&amp;lt;sup&amp;gt;[78]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Satellieten en tunnels waren weliswaar qua bouwkosten duurder dan [[Werking van de Aviobrug|'''pieren''']], maar zouden wellicht operationeel gunstiger uitpakken, aangezien zij het gehele platform vrij lieten. Ook het aspect van de geluidshinder rond het stationsgebouw zou bij keuze voor dit concept beter in de hand te houden zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Bovengronds bleef dan alle ruimte beschikbaar voor het manoeuvreren met vliegtuigen.[[Noten H6#6-79|&amp;lt;sup&amp;gt;[79]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
In de Verenigde Staten hadden de grotere luchthavens echter overwegend gekozen voor [[De introductie van de instapbrug voor passagiers|'''pierenstelsels''']] om hun langetermijngroei op te vangen en uiteindelijk zou ook Schiphol daarvoor kiezen. Uitgaande van een platform met daarop afhandel-opstelplaatsen voor 30 vliegtuigen (spanwijdte 45 meter), zouden bij de keuze voor een pierenstelsel drie pieren nodig zijn: twee geknikte L-vormige pieren ter weerszijden van het stationsgebouw en één rechte pier, in het midden van het stationsgebouw. De beide buitenpieren moesten ieder in totaal 500 meter lang worden; de middenpier 340 meter.[[Noten H6#6-80|&amp;lt;sup&amp;gt;[80]&amp;lt;/sup&amp;gt;]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De doorbraak kwam na een Amerikaanse studiereis in het najaar van 1959. De werkgroep bleek er inmiddels van overtuigd dat een pierenstelsel ook voor Schiphol de beste oplossing zou zijn. Op 7 december 1959 ging de werkgroep akkoord met De Muls voorstel om het nieuwe Schiphol te baseren op een stationsgebouw met pieren.[[Noten H6#6-81|&amp;lt;sup&amp;gt;[81]&amp;lt;/sup&amp;gt;]]&lt;br /&gt;
Dat liet evenwel nog één beslissing open: moest Schiphol drie pieren bouwen, of volstaan met twee? Tot dusverre hadden de plannen zich ontwikkeld in de richting van een luchthavengebouw met drie pieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
In het vroege voorjaar van 1960 kondigde de minister van Verkeer en Waterstaat echter aan dat in de periode tot 1967 het eerder geplande investeringsbedrag van ƒ 230 miljoen niet be¬schikbaar kon komen. De luchthaven zou het moeten doen met slechts ƒ 100 miljoen, aangezien de minister aan andere grootschalige projecten, zoals de Deltawerken, prioriteit toekende.[[Noten H6#6-82|&amp;lt;sup&amp;gt;[82]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
De Schiphol-ontwerpers trachtten het schetsontwerp via bezuinigingen elders overeind te houden. Het stationsgebouw werd verkleind en het aantal opstelplaatsen bij de pieren verminderd van 31 tot 25 – evenveel als het platform voor het oude stationsgebouw telde. Dat [[begrippenlijst#Impliceren|impliceerde]] dat de pieren – in de oorspronkelijke opzet weinig méér dan overdekte gangen op poten – wellicht in een vroegtijdig stadium weer zouden moeten worden verlengd. In het ontwerp werd daarmee rekening gehouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu het terminalgebouw zelf zo klein mogelijk werd gehouden, bouwden de ontwerpers de mogelijkheid in om de terminal in de toekomst met dertig procent te vergroten. Mede daarom diende de vormgeving functioneel en bescheiden te blijven.[[Noten H6#6-83|&amp;lt;sup&amp;gt;[83]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Op basis van de voorliggende schetsen van het SSB werd in januari 1961 aan een speciaal opgericht Bouwbureau Stationsgebouw Schiphol (BSS) opdracht verleend tot het maken van een alomvattend ontwerp voor het stationscomplex. In het BBS verenigden zich de NV NACO (Netherlands Airport Construction Office) uit Den Haag en het Rotterdamse architecten- en ingenieursbureau F.C. de Weger. De Amsterdamse hoogleraar en architect professor M. Duintjer werd belast met de vormgeving. Het BSS werd aangewezen om de verdere bouwplannen te coördineren. De onderdelen van het plan die te maken hadden met de aanleg van banen en platforms, werden onder toezicht van de Amsterdamse Dienst Publieke Werken uitgevoerd.[[Noten H6#6-84|&amp;lt;sup&amp;gt;[84]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Voor het ontwerp van de stationsvoorzieningen werd inmiddels rekening gehouden met een mogelijke [[Begrensde mobiliteit?|'''groei van Schiphol''']] tot 15 miljoen passagiers in 1975. Om die reden werd in de constructie van de pieren gekozen voor flexibiliteit. De uitgangen en wachtruimten in de pieren moesten op eenvoudige wijze kunnen worden verplaatst, vergroot of verkleind. De planning was dat er in 1975 dertig opstelplaatsen nodig zouden zijn, waarvan er vijftien zeer intensief zouden worden gebruikt. De loopafstanden naar deze vijftien meest gebruikte opstelplaatsen dienden zo kort mogelijk te zijn. De afstand naar verder weg gelegen opstelplaatsen kon via rolpaden worden bekort. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om geluiddichtheid te bereiken, werd ervoor gekozen de ventilatie en airconditioning van het gehele passagiersniveau onder overdruk te doen geschieden. Dat zou tevens kwalijke kerosinedampen buiten houden. De keuze voor instapbruggen zorgde ervoor dat de pieren op verdiepingsniveau moesten worden gebouwd; onder de pieren kwam daardoor ruimte voor de platformdiensten en voor het parkeren van voertuigen. De pieren en bruggen dienden zodanig te worden geconcipieerd dat de vliegtuigen deze op eigen kracht zouden kunnen bereiken en hiervandaan ook weer op eigen kracht konden wegtaxiën.[[Noten H6#6-85|&amp;lt;sup&amp;gt;[85]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Intussen werd eveneens gewerkt aan de lay-out van de [[Begrippenlijst#Terminal|terminal]]. In de voorlopige plannen van september 1960 arriveerden de aankomende passagiers op een tussenverdieping en zou de bagageafhandeling in zijn geheel op de begane grond plaatsvinden, zoals dat ook was voorzien voor het nieuwe stationsgebouw van Orly, waarvan de tekeningen op Schiphol tot in detail werden bestudeerd. Waar de Fransen echter meenden dat de passagiersbewegingen aan de landzijde van het gebouw het beste op één niveau (gelijkvloers) konden worden afgewikkeld, hield men in Amsterdam vast aan de ideeën van Dellaert dat de afhandeling diende te worden gesplitst in twee bouwlagen: één voor vertrek en één voor aankomst.[[Noten H6#6-86|&amp;lt;sup&amp;gt;[86]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Dit idee kwam uit de Verenigde Staten, waar onder andere de luchthaven van San Francisco van dit type was. Besloten werd ook om de bagageafdeling één niveau te laten zakken en in een kelderverdieping onder te brengen.[[Noten H6#6-87|&amp;lt;sup&amp;gt;[87]&amp;lt;/sup&amp;gt;]]  &lt;br /&gt;
Telkens weer moesten er compromissen worden gesloten tussen steeds nieuwe gebruikerseisen die de NVLS en de KLM naar voren brachten en de in ontwikkeling zijnde bouwkundige concepten. De actualiteit van de dag was daarin vaak bepalend. Zo ging de NVLS zich in mei 1962 – de internationale luchtvaart bevond zich op dat moment in een financiële crisis als gevolg van overcapaciteit en torenhoge afschrijvingslasten wegens de aanschaf van [[Het straaltijdperk: snelheid maar ook geluidshinder|'''straalvliegtuigen''']] – plotseling afvragen wat het gevolg zou zijn indien ze alsnog afzag van het bouwen van de inmiddels ‘definitief’ geplande middenpier. Wellicht, zo vroeg De Mul zich af, kon de bouw van de middenpier worden uitgesteld tot 1970 en was zolang een andere tijdelijke oplossing denkbaar.[[Noten H6#6-88|&amp;lt;sup&amp;gt;[88]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Juist deze onzekerheden benadrukten de noodzaak te komen tot een functionele en bescheiden vormgeving. Geïnspireerd door het ontwerp voor Orly, kwam Duintjer met een ‘speklagen-[[Begrippenlijst#Concept|concept]]’, waarin horizontale lijnen overheersten. Om licht en doorzicht in de terminal te krijgen, moest glas het belangrijkste gevelelement worden. Het moest vooral sober en strak zijn, want het gehele Schipholcomplex moest passen in het rechtlijnige polderlandschap van de Haarlemmermeer. De verschillende bouwlagen werden door smalle, naar buiten stekende repen beton gemarkeerd.[[Noten H6#6-89|&amp;lt;sup&amp;gt;[89]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Nadat het bouw- en investeringsprogramma door het Rijk was goedgekeurd, ging op 15 januari 1963 de eerste spade voor het nieuwe stationsgebouwcomplex met enig ceremonieel de grond in.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_137.jpg</id>
		<title>Bestand:Blz 137.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_137.jpg"/>
				<updated>2008-10-23T15:38:19Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Pieren_als_%22aanlegsteigers%22_voor_de_vliegtuigen</id>
		<title>Pieren als &quot;aanlegsteigers&quot; voor de vliegtuigen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Pieren_als_%22aanlegsteigers%22_voor_de_vliegtuigen"/>
				<updated>2008-10-23T15:37:54Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;[[afbeelding:Blz_137.jpg|thumb|400px|right]]Gaandeweg de studies naar de ontwikkeling van een nieuw concept voor Schiphol was er bij de luchthaven toch weer twijfel gerezen of men er verstandig aan deed voor pieren te kiezen. Zo vroeg De Muls vervanger in de werkgroep, J.G. Mesland, hoofd van de Operationele Dienst van de luchthaven, zich af of het niet toch verstandiger zou zijn een luchthaven aan te leggen die gebaseerd was op het [[begrippenlijst#Satelliet|satellietenconcept]]. Dit liet immers de meeste ruimte voor toekomstige uitbreidingen van de capaciteit van de passagiersfaciliteiten.[[Noten H6#6-78|&amp;lt;sup&amp;gt;[78]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Satellieten en tunnels waren weliswaar qua bouwkosten duurder dan [[Werking van de Aviobrug|'''pieren''']], maar zouden wellicht operationeel gunstiger uitpakken, aangezien zij het gehele platform vrij lieten. Ook het aspect van de geluidshinder rond het stationsgebouw zou bij keuze voor dit concept beter in de hand te houden zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Bovengronds bleef dan alle ruimte beschikbaar voor het manoeuvreren met vliegtuigen.[[Noten H6#6-79|&amp;lt;sup&amp;gt;[79]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
In de Verenigde Staten hadden de grotere luchthavens echter overwegend gekozen voor [[De introductie van de instapbrug voor passagiers|'''pierenstelsels''']] om hun langetermijngroei op te vangen en uiteindelijk zou ook Schiphol daarvoor kiezen. Uitgaande van een platform met daarop afhandel-opstelplaatsen voor 30 vliegtuigen (spanwijdte 45 meter), zouden bij de keuze voor een pierenstelsel drie pieren nodig zijn: twee geknikte L-vormige pieren ter weerszijden van het stationsgebouw en één rechte pier, in het midden van het stationsgebouw. De beide buitenpieren moesten ieder in totaal 500 meter lang worden; de middenpier 340 meter.[[Noten H6#6-80|&amp;lt;sup&amp;gt;[80]&amp;lt;/sup&amp;gt;]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De doorbraak kwam na een Amerikaanse studiereis in het najaar van 1959. De werkgroep bleek er inmiddels van overtuigd dat een pierenstelsel ook voor Schiphol de beste oplossing zou zijn. Op 7 december 1959 ging de werkgroep akkoord met De Muls voorstel om het nieuwe Schiphol te baseren op een stationsgebouw met pieren.[[Noten H6#6-81|&amp;lt;sup&amp;gt;[81]&amp;lt;/sup&amp;gt;]]&lt;br /&gt;
Dat liet evenwel nog één beslissing open: moest Schiphol drie pieren bouwen, of volstaan met twee? Tot dusverre hadden de plannen zich ontwikkeld in de richting van een luchthavengebouw met drie pieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
In het vroege voorjaar van 1960 kondigde de minister van Verkeer en Waterstaat echter aan dat in de periode tot 1967 het eerder geplande investeringsbedrag van ƒ 230 miljoen niet be¬schikbaar kon komen. De luchthaven zou het moeten doen met slechts ƒ 100 miljoen, aangezien de minister aan andere grootschalige projecten, zoals de Deltawerken, prioriteit toekende.[[Noten H6#6-82|&amp;lt;sup&amp;gt;[82]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
De Schiphol-ontwerpers trachtten het schetsontwerp via bezuinigingen elders overeind te houden. Het stationsgebouw werd verkleind en het aantal opstelplaatsen bij de pieren verminderd van 31 tot 25 – evenveel als het platform voor het oude stationsgebouw telde. Dat [[begrippenlijst#Impliceren|impliceerde]] dat de pieren – in de oorspronkelijke opzet weinig méér dan overdekte gangen op poten – wellicht in een vroegtijdig stadium weer zouden moeten worden verlengd. In het ontwerp werd daarmee rekening gehouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu het terminalgebouw zelf zo klein mogelijk werd gehouden, bouwden de ontwerpers de mogelijkheid in om de terminal in de toekomst met dertig procent te vergroten. Mede daarom diende de vormgeving functioneel en bescheiden te blijven.[[Noten H6#6-83|&amp;lt;sup&amp;gt;[83]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Op basis van de voorliggende schetsen van het SSB werd in januari 1961 aan een speciaal opgericht Bouwbureau Stationsgebouw Schiphol (BSS) opdracht verleend tot het maken van een alomvattend ontwerp voor het stationscomplex. In het BBS verenigden zich de NV NACO (Netherlands Airport Construction Office) uit Den Haag en het Rotterdamse architecten- en ingenieursbureau F.C. de Weger. De Amsterdamse hoogleraar en architect professor M. Duintjer werd belast met de vormgeving. Het BSS werd aangewezen om de verdere bouwplannen te coördineren. De onderdelen van het plan die te maken hadden met de aanleg van banen en platforms, werden onder toezicht van de Amsterdamse Dienst Publieke Werken uitgevoerd.[[Noten H6#6-84|&amp;lt;sup&amp;gt;[84]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Voor het ontwerp van de stationsvoorzieningen werd inmiddels rekening gehouden met een mogelijke [[Begrensde mobiliteit?|'''groei van Schiphol''']] tot 15 miljoen passagiers in 1975. Om die reden werd in de constructie van de pieren gekozen voor flexibiliteit. De uitgangen en wachtruimten in de pieren moesten op eenvoudige wijze kunnen worden verplaatst, vergroot of verkleind. De planning was dat er in 1975 dertig opstelplaatsen nodig zouden zijn, waarvan er vijftien zeer intensief zouden worden gebruikt. De loopafstanden naar deze vijftien meest gebruikte opstelplaatsen dienden zo kort mogelijk te zijn. De afstand naar verder weg gelegen opstelplaatsen kon via rolpaden worden bekort. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om geluiddichtheid te bereiken, werd ervoor gekozen de ventilatie en airconditioning van het gehele passagiersniveau onder overdruk te doen geschieden. Dat zou tevens kwalijke kerosinedampen buiten houden. De keuze voor instapbruggen zorgde ervoor dat de pieren op verdiepingsniveau moesten worden gebouwd; onder de pieren kwam daardoor ruimte voor de platformdiensten en voor het parkeren van voertuigen. De pieren en bruggen dienden zodanig te worden geconcipieerd dat de vliegtuigen deze op eigen kracht zouden kunnen bereiken en hiervandaan ook weer op eigen kracht konden wegtaxiën.[[Noten H6#6-85|&amp;lt;sup&amp;gt;[85]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Intussen werd eveneens gewerkt aan de lay-out van de [[Begrippenlijst#Terminal|terminal]]. In de voorlopige plannen van september 1960 arriveerden de aankomende passagiers op een tussenverdieping en zou de bagageafhandeling in zijn geheel op de begane grond plaatsvinden, zoals dat ook was voorzien voor het nieuwe stationsgebouw van Orly, waarvan de tekeningen op Schiphol tot in detail werden bestudeerd. Waar de Fransen echter meenden dat de passagiersbewegingen aan de landzijde van het gebouw het beste op één niveau (gelijkvloers) konden worden afgewikkeld, hield men in Amsterdam vast aan de ideeën van Dellaert dat de afhandeling diende te worden gesplitst in twee bouwlagen: één voor vertrek en één voor aankomst.[[Noten H6#6-86|&amp;lt;sup&amp;gt;[86]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Dit idee kwam uit de Verenigde Staten, waar onder andere de luchthaven van San Francisco van dit type was. Besloten werd ook om de bagageafdeling één niveau te laten zakken en in een kelderverdieping onder te brengen.[[Noten H6#6-87|&amp;lt;sup&amp;gt;[87]&amp;lt;/sup&amp;gt;]]  &lt;br /&gt;
Telkens weer moesten er compromissen worden gesloten tussen steeds nieuwe gebruikerseisen die de NVLS en de KLM naar voren brachten en de in ontwikkeling zijnde bouwkundige concepten. De actualiteit van de dag was daarin vaak bepalend. Zo ging de NVLS zich in mei 1962 – de internationale luchtvaart bevond zich op dat moment in een financiële crisis als gevolg van overcapaciteit en torenhoge afschrijvingslasten wegens de aanschaf van [[Het straaltijdperk: snelheid maar ook geluidshinder|'''straalvliegtuigen''']] – plotseling afvragen wat het gevolg zou zijn indien ze alsnog afzag van het bouwen van de inmiddels ‘definitief’ geplande middenpier. Wellicht, zo vroeg De Mul zich af, kon de bouw van de middenpier worden uitgesteld tot 1970 en was zolang een andere tijdelijke oplossing denkbaar.[[Noten H6#6-88|&amp;lt;sup&amp;gt;[88]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Juist deze onzekerheden benadrukten de noodzaak te komen tot een functionele en bescheiden vormgeving. Geïnspireerd door het ontwerp voor Orly, kwam Duintjer met een ‘speklagen-[[Begrippenlijst#Concept|concept]]’, waarin horizontale lijnen overheersten. Om licht en doorzicht in de terminal te krijgen, moest glas het belangrijkste gevelelement worden. Het moest vooral sober en strak zijn, want het gehele Schipholcomplex moest passen in het rechtlijnige polderlandschap van de Haarlemmermeer. De verschillende bouwlagen werden door smalle, naar buiten stekende repen beton gemarkeerd.[[Noten H6#6-89|&amp;lt;sup&amp;gt;[89]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Nadat het bouw- en investeringsprogramma door het Rijk was goedgekeurd, ging op 15 januari 1963 de eerste spade voor het nieuwe stationsgebouwcomplex met enig ceremonieel de grond in.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Pieren_als_%22aanlegsteigers%22_voor_de_vliegtuigen</id>
		<title>Pieren als &quot;aanlegsteigers&quot; voor de vliegtuigen</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Pieren_als_%22aanlegsteigers%22_voor_de_vliegtuigen"/>
				<updated>2008-10-23T15:37:37Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;[[afbeelding:blz_137.jpg|thumb|400px|right]]Gaandeweg de studies naar de ontwikkeling van een nieuw concept voor Schiphol was er bij de luchthaven toch weer twijfel gerezen of men er verstandig aan deed voor pieren te kiezen. Zo vroeg De Muls vervanger in de werkgroep, J.G. Mesland, hoofd van de Operationele Dienst van de luchthaven, zich af of het niet toch verstandiger zou zijn een luchthaven aan te leggen die gebaseerd was op het [[begrippenlijst#Satelliet|satellietenconcept]]. Dit liet immers de meeste ruimte voor toekomstige uitbreidingen van de capaciteit van de passagiersfaciliteiten.[[Noten H6#6-78|&amp;lt;sup&amp;gt;[78]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Satellieten en tunnels waren weliswaar qua bouwkosten duurder dan [[Werking van de Aviobrug|'''pieren''']], maar zouden wellicht operationeel gunstiger uitpakken, aangezien zij het gehele platform vrij lieten. Ook het aspect van de geluidshinder rond het stationsgebouw zou bij keuze voor dit concept beter in de hand te houden zijn. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Bovengronds bleef dan alle ruimte beschikbaar voor het manoeuvreren met vliegtuigen.[[Noten H6#6-79|&amp;lt;sup&amp;gt;[79]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
In de Verenigde Staten hadden de grotere luchthavens echter overwegend gekozen voor [[De introductie van de instapbrug voor passagiers|'''pierenstelsels''']] om hun langetermijngroei op te vangen en uiteindelijk zou ook Schiphol daarvoor kiezen. Uitgaande van een platform met daarop afhandel-opstelplaatsen voor 30 vliegtuigen (spanwijdte 45 meter), zouden bij de keuze voor een pierenstelsel drie pieren nodig zijn: twee geknikte L-vormige pieren ter weerszijden van het stationsgebouw en één rechte pier, in het midden van het stationsgebouw. De beide buitenpieren moesten ieder in totaal 500 meter lang worden; de middenpier 340 meter.[[Noten H6#6-80|&amp;lt;sup&amp;gt;[80]&amp;lt;/sup&amp;gt;]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De doorbraak kwam na een Amerikaanse studiereis in het najaar van 1959. De werkgroep bleek er inmiddels van overtuigd dat een pierenstelsel ook voor Schiphol de beste oplossing zou zijn. Op 7 december 1959 ging de werkgroep akkoord met De Muls voorstel om het nieuwe Schiphol te baseren op een stationsgebouw met pieren.[[Noten H6#6-81|&amp;lt;sup&amp;gt;[81]&amp;lt;/sup&amp;gt;]]&lt;br /&gt;
Dat liet evenwel nog één beslissing open: moest Schiphol drie pieren bouwen, of volstaan met twee? Tot dusverre hadden de plannen zich ontwikkeld in de richting van een luchthavengebouw met drie pieren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
In het vroege voorjaar van 1960 kondigde de minister van Verkeer en Waterstaat echter aan dat in de periode tot 1967 het eerder geplande investeringsbedrag van ƒ 230 miljoen niet be¬schikbaar kon komen. De luchthaven zou het moeten doen met slechts ƒ 100 miljoen, aangezien de minister aan andere grootschalige projecten, zoals de Deltawerken, prioriteit toekende.[[Noten H6#6-82|&amp;lt;sup&amp;gt;[82]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
De Schiphol-ontwerpers trachtten het schetsontwerp via bezuinigingen elders overeind te houden. Het stationsgebouw werd verkleind en het aantal opstelplaatsen bij de pieren verminderd van 31 tot 25 – evenveel als het platform voor het oude stationsgebouw telde. Dat [[begrippenlijst#Impliceren|impliceerde]] dat de pieren – in de oorspronkelijke opzet weinig méér dan overdekte gangen op poten – wellicht in een vroegtijdig stadium weer zouden moeten worden verlengd. In het ontwerp werd daarmee rekening gehouden. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Nu het terminalgebouw zelf zo klein mogelijk werd gehouden, bouwden de ontwerpers de mogelijkheid in om de terminal in de toekomst met dertig procent te vergroten. Mede daarom diende de vormgeving functioneel en bescheiden te blijven.[[Noten H6#6-83|&amp;lt;sup&amp;gt;[83]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Op basis van de voorliggende schetsen van het SSB werd in januari 1961 aan een speciaal opgericht Bouwbureau Stationsgebouw Schiphol (BSS) opdracht verleend tot het maken van een alomvattend ontwerp voor het stationscomplex. In het BBS verenigden zich de NV NACO (Netherlands Airport Construction Office) uit Den Haag en het Rotterdamse architecten- en ingenieursbureau F.C. de Weger. De Amsterdamse hoogleraar en architect professor M. Duintjer werd belast met de vormgeving. Het BSS werd aangewezen om de verdere bouwplannen te coördineren. De onderdelen van het plan die te maken hadden met de aanleg van banen en platforms, werden onder toezicht van de Amsterdamse Dienst Publieke Werken uitgevoerd.[[Noten H6#6-84|&amp;lt;sup&amp;gt;[84]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Voor het ontwerp van de stationsvoorzieningen werd inmiddels rekening gehouden met een mogelijke [[Begrensde mobiliteit?|'''groei van Schiphol''']] tot 15 miljoen passagiers in 1975. Om die reden werd in de constructie van de pieren gekozen voor flexibiliteit. De uitgangen en wachtruimten in de pieren moesten op eenvoudige wijze kunnen worden verplaatst, vergroot of verkleind. De planning was dat er in 1975 dertig opstelplaatsen nodig zouden zijn, waarvan er vijftien zeer intensief zouden worden gebruikt. De loopafstanden naar deze vijftien meest gebruikte opstelplaatsen dienden zo kort mogelijk te zijn. De afstand naar verder weg gelegen opstelplaatsen kon via rolpaden worden bekort. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om geluiddichtheid te bereiken, werd ervoor gekozen de ventilatie en airconditioning van het gehele passagiersniveau onder overdruk te doen geschieden. Dat zou tevens kwalijke kerosinedampen buiten houden. De keuze voor instapbruggen zorgde ervoor dat de pieren op verdiepingsniveau moesten worden gebouwd; onder de pieren kwam daardoor ruimte voor de platformdiensten en voor het parkeren van voertuigen. De pieren en bruggen dienden zodanig te worden geconcipieerd dat de vliegtuigen deze op eigen kracht zouden kunnen bereiken en hiervandaan ook weer op eigen kracht konden wegtaxiën.[[Noten H6#6-85|&amp;lt;sup&amp;gt;[85]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Intussen werd eveneens gewerkt aan de lay-out van de [[Begrippenlijst#Terminal|terminal]]. In de voorlopige plannen van september 1960 arriveerden de aankomende passagiers op een tussenverdieping en zou de bagageafhandeling in zijn geheel op de begane grond plaatsvinden, zoals dat ook was voorzien voor het nieuwe stationsgebouw van Orly, waarvan de tekeningen op Schiphol tot in detail werden bestudeerd. Waar de Fransen echter meenden dat de passagiersbewegingen aan de landzijde van het gebouw het beste op één niveau (gelijkvloers) konden worden afgewikkeld, hield men in Amsterdam vast aan de ideeën van Dellaert dat de afhandeling diende te worden gesplitst in twee bouwlagen: één voor vertrek en één voor aankomst.[[Noten H6#6-86|&amp;lt;sup&amp;gt;[86]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Dit idee kwam uit de Verenigde Staten, waar onder andere de luchthaven van San Francisco van dit type was. Besloten werd ook om de bagageafdeling één niveau te laten zakken en in een kelderverdieping onder te brengen.[[Noten H6#6-87|&amp;lt;sup&amp;gt;[87]&amp;lt;/sup&amp;gt;]]  &lt;br /&gt;
Telkens weer moesten er compromissen worden gesloten tussen steeds nieuwe gebruikerseisen die de NVLS en de KLM naar voren brachten en de in ontwikkeling zijnde bouwkundige concepten. De actualiteit van de dag was daarin vaak bepalend. Zo ging de NVLS zich in mei 1962 – de internationale luchtvaart bevond zich op dat moment in een financiële crisis als gevolg van overcapaciteit en torenhoge afschrijvingslasten wegens de aanschaf van [[Het straaltijdperk: snelheid maar ook geluidshinder|'''straalvliegtuigen''']] – plotseling afvragen wat het gevolg zou zijn indien ze alsnog afzag van het bouwen van de inmiddels ‘definitief’ geplande middenpier. Wellicht, zo vroeg De Mul zich af, kon de bouw van de middenpier worden uitgesteld tot 1970 en was zolang een andere tijdelijke oplossing denkbaar.[[Noten H6#6-88|&amp;lt;sup&amp;gt;[88]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Juist deze onzekerheden benadrukten de noodzaak te komen tot een functionele en bescheiden vormgeving. Geïnspireerd door het ontwerp voor Orly, kwam Duintjer met een ‘speklagen-[[Begrippenlijst#Concept|concept]]’, waarin horizontale lijnen overheersten. Om licht en doorzicht in de terminal te krijgen, moest glas het belangrijkste gevelelement worden. Het moest vooral sober en strak zijn, want het gehele Schipholcomplex moest passen in het rechtlijnige polderlandschap van de Haarlemmermeer. De verschillende bouwlagen werden door smalle, naar buiten stekende repen beton gemarkeerd.[[Noten H6#6-89|&amp;lt;sup&amp;gt;[89]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Nadat het bouw- en investeringsprogramma door het Rijk was goedgekeurd, ging op 15 januari 1963 de eerste spade voor het nieuwe stationsgebouwcomplex met enig ceremonieel de grond in.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=De_uitbouw_van_schiphol_tot_mainport</id>
		<title>De uitbouw van schiphol tot mainport</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=De_uitbouw_van_schiphol_tot_mainport"/>
				<updated>2008-10-23T15:36:06Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;[[afbeelding:blz_129.jpg|thumb|400px|right]]Wat een luchthaven is, diende steeds opnieuw te worden uitgevonden. Luchthaventechnologie ontwikkelde zich in eerste instantie als een reactie op veranderingen in de vliegtuigtechniek. Vanaf het prilste begin was het wezenskenmerk van het luchthavenbedrijf dat het zich trachtte aan te passen aan de veel sneller verlopende veranderingen in de luchtvaart zelf. De pogingen om te [[Begrippenlijst#Anticiperen|anticiperen]] op de veranderingen in de luchtvaart waren geen succes, zoals de geschiedenis van het [[Een nieuw banenstelsel voor Schiphol|'''plan-Dellaert''']] en die van het [[Automatisering van de vrachtafhandeling|'''Dortech-systeem''']] laten zien. De luchthaven moest zich erop instellen steeds weer zo flexibel mogelijk in te spelen op veranderingen en nieuwe eisen en die flexibiliteit ook in het ontwerp van bijvoorbeeld het stationsgebouw te verankeren. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Hoewel de luchthaven zelf uit de aard der zaak partij was bij de [[begrippenlijst#Incorporatie|incorporatie]] van alle nieuwe technologieën op de locatie Schiphol, was zij in de meeste gevallen niet de centrale [[begrippenlijst#Actoren|actor]] in de ontwikkeling daarvan. Radio, verlichting, [[De afhandeling van vliegtuigen, passagiers en vracht|'''brandstofvoorziening''']], verkeersleiding en baanverharding werden wel op Schiphol geïnstalleerd, maar werden ontwikkeld door toeleveranciers en partijen die actief waren op Schiphol. Als grootste gebruiker had de KLM veel invloed. Het netwerk van bedrijven op de luchthaven oriënteerde zich vaak op het buitenland, waarbij de Verenigde Staten voor Nederland richtinggevend was, zowel bij de keuze voor [[Verharde landingsbanen en baanverlichting|'''verharde banen''']] als bij de keuze voor een [[begrippenlijst#Tangentieel|tangentieel]] stelsel. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De buitenlandse voorbeelden konden niet zomaar worden gekopieerd, maar werden steeds aangepast aan de Nederlandse omstandigheden. Het was pas in de operationele inrichting van de nieuwe luchthavengebouwen dat de luchthaven zelf een centrale ontwerper werd. Dit was bijvoorbeeld het geval ten aanzien van de [[Automatisering van de vrachtafhandeling|'''bagageafhandeling''']], die door de luchthaven samen met de KLM werd ontwikkeld. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Schiphol kan worden gezien als een innovatieknooppunt omdat op deze locatie vele technieken op elkaar worden afgestemd. Communicatietechniek, banenstelsels, verlichting, de aanleg en inrichting van een stationsgebouw en de logistiek van vracht en passagiers hebben van alles met elkaar te maken. Tegelijkertijd is duidelijk dat de innovatie op Schiphol niet werd geleid door een centrale actor en dat de afzonderlijke innovatieprocessen een grote mate van eigen [[begrippenlijst#Dynamiek|dynamiek]] kenden. Het innovatieknooppunt werd nooit in bezit genomen of opgeëist door Schiphol zelf of door een andere partij, al kan de bundeling van technische ontwikkeling en kennis van de luchthaven met de oprichting in 1968 van het Bureau Luchthavenontwikkeling door Schiphol worden gezien als een poging daartoe. Schiphol kon echter niet buiten het netwerk van toeleveranciers en alle kennis daar aanwezig en het Bureau bleef op dat netwerk voortbouwen. Uiteindelijk werd het in 1989 ook weer opgeheven en werden de uitvoerende diensten geacht de kennis zelf te ontwikkelen. Voor planning en coördinatie werd een projectenbureau opgericht. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Met de opening van de nieuwe luchthaven op 28 april 1967 ging de ontwikkeling van Schiphol een volgende fase in.[[Noten H6#6-99|&amp;lt;sup&amp;gt;[99]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Aard en duur van het planningproces alsmede de financieringsproblemen die tijdens de bouw van het centrale areaal waren ondervonden, hadden een luchthaven opgeleverd die bij de ingebruikneming haast al weer te klein was. De [[begrippenlijst#Configuratie|baanconfiguratie]] gekoppeld aan landende [[Het straaltijdperk: snelheid maar ook geluidshinder|'''straalvliegtuigen''']] leidde tot overlast en daardoor tot een afbladderend imago. De luchtvaart moest opnieuw werken aan haar maatschappelijk draagvlak, juist op het moment dat de dagdromen uit het Interbellum over democratisering van het vliegen gestalte kregen. Het betekende dat de volledige capaciteit van het banenstelsel op Schiphol niet zou kunnen worden benut, terwijl voor de aantallen passagiers en vliegtuigbewegingen explosieve stijgingen werden tegemoet gezien. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Terwijl de luchthavendirectie in 1972 – aan de vooravond van de oliecrisis – het aantal passagiers op Schiphol in het jaar 2000 becijferde op om en nabij de 83 miljoen, kwamen de Rijksluchtvaartdienst en de KLM zelfs uit op ongeveer 104,5 miljoen.[[Noten H6#6-100|&amp;lt;sup&amp;gt;[100]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Het was duidelijk dat dit met de bestaande voorzieningen niet zou kunnen worden verwerkt. Er moest een vijfde baan komen, parallel aan de Zwanenburgbaan. De komst van deze baan betekende dat Schiphol afscheid nam van het tangentiële stelsel in zijn banenstelsel en het principe van parallelle banen omarmde. Het betekende ook dat het concept voor het pas geopende Schiphol op de helling moest. Dit was een moeizaam proces, met name op bestuurlijk vlak. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
In de daarop volgende jaren verdichtte de discussie zich tot de vraag of Schiphol, gezien de hinder en milieubelasting en het protest hiertegen, wel kon blijven groeien op de bestaande locatie en of de bouw van een nieuwe luchthaven nodig zou zijn. Het verplaatsen van de luchthaven, met haar bijbehorende infrastructuur, bleek financieel niet haalbaar. Ondertussen ontwikkelde Schiphol zich tot een actieve ondernemer die de vestigingsfactoren van de eigen locatie ging uitbuiten. Rondom de bestaande luchtvaartvoorzieningen werden immense parkeerterreinen aangelegd en werden distributiecentra gebouwd voor aan- en afvoer van luchtvracht. Schiphol, zo werd in 1988 in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening door het kabinet gesteld, mocht zich ontwikkelen tot een mainport: een knooppunt waar diverse [[begrippenlijst#Modaliteit|modaliteiten]] bij elkaar zouden komen: luchtvervoer, [[Mobiliteit tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Wederopbouw|'''wegvervoer''']], railvervoer. Breder nog: in de almaar toenemende internationalisatie van de economie ging de ‘Schiphol Area’ de distributie en zelfs de productie van hoogwaardige exportgoederen aantrekken. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De luchthaven ontwikkelde zich met een World Trade Center tevens tot een vergadercentrum voor internationaal opererende bedrijven. De functie van de luchthaven veranderde geleidelijk van publieke leverancier van infrastructuur – een rol die tot aan de opening van de nieuwe luchthaven het wezenskenmerk van het luchthavenbedrijf had uitgemaakt – tot een onderneming met specifieke eigen financieel-economische belangen in het aantrekken van luchtvaartgerelateerde activiteiten. Deze beperkten zich niet langer tot het in exploitatie geven van winkeloppervlakte in het stationsgebouw. Commercieel vastgoedbeheer werd een centrale activiteit van de luchthaven, evenals het uitbaten van een voor ieder toegankelijk winkelcentrum (Schiphol Plaza). &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De locatie Schiphol werd méér dan een vliegveld. Het werd een luchtvaartstad, die in de economische [[Begrippenlijst#Recessie|recessie]]periode van de jaren tachtig zelfs de status kreeg van ‘Economische Motor van Nederland’, tezamen met de Rotterdamse haven.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Automatisering_van_de_vrachtafhandeling</id>
		<title>Automatisering van de vrachtafhandeling</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Automatisering_van_de_vrachtafhandeling"/>
				<updated>2008-10-23T15:35:12Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;[[afbeelding:blz_140.jpg|thumb|400px|right]]Een heel ander probleem vormde het toenemend vervoer van luchtvracht, waarop de KLM zich aan het begin van de jaren vijftig had geworpen om niet geheel en al van het passagiersvervoer afhankelijk te zijn. In 1958 was het de planning van de KLM om rond 1965 een nieuw vrachtgebouw operationeel te hebben, dat zou verrijzen in het toekomstige centrale [[Begrippenlijst#Areaal|areaal]] van de luchthaven. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De luchtvaartcrisis, die in 1962 en 1963 beduidend lagere groeipercentages luchtvracht te zien gaf, maakte een en ander echter minder urgent, als gevolg waarvan het planningsproces voor het nieuwe gebouw werd stilgelegd. Toen het vrachtvervoer in 1964 weer zeer snel begon aan te trekken, vormde dit aanleiding tot een grondige heroriëntatie. Juist in deze periode, begin 1964, kwam de KLM in aanraking met de Amerikaanse ingenieurs- en [[begrippenlijst#Consultancy|consultancy]]firma Dorr Oliver, die werkte aan het ontwikkelen van een vérgaand gemechaniseerd en geautomatiseerd vrachtoverslagsysteem dat berekend was op de verwachte verdere groei van het luchtvrachtvervoer. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Dit resulteerde in een gezamenlijk project in het nieuw op te richten KLM-vrachtgebouw, het ‘Dortech Systeem’.[[Noten H6#6-94|&amp;lt;sup&amp;gt;[94]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
Door een grote sprong te nemen op het gebied van mechanisering en automatisering hoopte de KLM de [[De afhandeling van vliegtuigen, passagiers en vracht|'''grondafhandeling''']] van haar vrachtvervoer aanzienlijk sneller en goedkoper te kunnen afwikkelen. Het was de bedoeling via het Dortech-systeem in 1972 een kostenbesparing van ongeveer 25% te bereiken ten opzichte van de traditionele handmatige afhandeling van vracht.[[Noten H6#6-95|&amp;lt;sup&amp;gt;[95]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Het principe van Dortech berustte op een geautomatiseerde splitsing van aangevoerde goederen die zowel aan de landzijde als aan de luchtzijde het vrachtcentrum binnenkwamen, gekoppeld aan eveneens geautomatiseerd en gemechaniseerd transport en opslag. De kosten zouden ongeveer zestien miljoen gulden bedragen. Het gehele systeem was gebaseerd op het bereiken van een zo vlot mogelijke doorstroming van in- en uitgaande goederen via het creëren van een automatisch functionerende buffer voor tijdelijke opslag.[[Noten H6#6-96|&amp;lt;sup&amp;gt;[96]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Het hart van het systeem – en daarmee ook van het vrachtgebouw zelf – bestond uit een elf meter hoog opslagsysteem van stalen rekken, de [[Begrippenlijst#Stacken|‘stacker’]]. Voor het opstellen hiervan was het een vereiste dat het vrachtgebouw van een zodanige constructie zou zijn dat het een vrijdragend dak zou krijgen. Hierover werd tussen de KLM en de luchthaven – bouwer-eigenaar van het vrachtcentrum – overleg gevoerd, hetgeen resulteerde in een ontwerp voor een gebouw waarvan de dakconstructie bestond uit een zogenaamde ‘hangkap’, waarvan het centrale deel werd gedragen door doorhangende, in de breedte over het gebouw lopende, vier centimeter dikke staalkabels, opgelegd op de zestien meter hoge stalen hoofdkolommen ter weerszijden van het gebouw. Het midden van het dak werd bovendien overspannen met de randen van het dak aan de land- en de luchtzijde van het [[De bouw van bruggen en stations|'''gebouw''']]. Deze werden op hun beurt weer op hun plaats gehouden door in de fundering verankerde staalkabels.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Naast de stacker kwam aan de ene zijde een opslaggebied voor zeer grote of zware goederen of pallets die niet in de stacker konden worden opgeslagen; aan de andere zijde kwam een sorteerinrichting. Hier konden aangevoerde stukgoederen naar bestemming of soort worden gesplitst. De sorteerinrichting bestond uit een centrale lopende band met dwars daarop opgesteld 26 ‘pieren’ – zes voor importgoederen; zes voor de belangrijke KLM-bestemmingen New York, Montreal, Londen, Parijs, Brussel en Kopenhagen; zes pieren voor minder belangrijke bestemmingen die elk steeds twee plaatsen per pier bedienden; zes pieren voor de overige KLM-bestemmingen; de twee overblijvende pieren waren bestemd voor speciale zendingen en als reserve. &lt;br /&gt;
Aan het einde van elke pier bevond zich een speciaal systeemwagentje, ‘towveyorcart’ genaamd, dat tegelijkertijd dienst deed als opslagvehikel en als [[Transportsystemen op de containerterminal|'''transportmiddel binnen het vrachtgebouw''']] voor het vervoer van de goederen van en naar de verschillende secties van het gebouw. De inhoud van ieder wagentje werd geregistreerd en opgeslagen in een door IBM geleverd computersysteem dat vanuit een regulatiecentrum op de eerste verdieping van het vrachtgebouw werd bediend. Een grondketting verzorgde de aandrijving voor de towveyorcarts, die, eenmaal beladen en geregistreerd, automatisch naar hun vaste plaats in de stacker werden gebracht. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Volgens de [[begrippenlijst#Specificatie|specificatie]] had het systeem na aankomst van een vliegtuig aan minder dan een half uur genoeg voor het ordenen en opslaan van de lading. Omgekeerd kon de vrachtafdeling het computersysteem, dat ook het documententransport binnen het gebouw verving, gebruiken voor het samenstellen van de ‘load sheet’ voor uitgaande vliegtuigen. Deze informatie werd doorgegeven aan een stacker-operator, die daarna de uitgekozen towveyorcarts via een besturingsmechanisme uit het opslagsysteem lichtte en op de ketting zette voor transport naar de sectie Uitgaande Vracht om aan de luchtzijde van het gebouw op platformwagentjes te worden geschoven en naar het vliegtuig te worden afgevoerd. Ook voor dit proces was berekend dat het niet meer dan een half uur in beslag zou nemen. Het opvragen van vracht voor vervoer per truck ging precies zo.[[Noten H6#6-97|&amp;lt;sup&amp;gt;[97]&amp;lt;/sup&amp;gt;]] 	&lt;br /&gt;
Dat was althans de theorie. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
In de praktijk was de sprong die de KLM met Dortech had willen maken wel erg groot. De verschillende elementen van het automatische proces bleken storingsgevoelig, hetgeen nog extra werd aangezet door het feit dat de apparatuur later werd opgeleverd dan de bedoeling was en het daardoor niet mogelijk was geweest het personeel vooraf uitgebreid te laten oefenen. Het gevolg was dat de diverse onderdelen van het sorteer- en opslagproces die automatisch dienden te verlopen, door het personeel van de vrachtloods moesten worden uitgevoerd. De KLM moest bovendien verschillende extra controlepunten inbouwen in het proces. Evengoed kwam het herhaaldelijk voor dat vracht kwijt raakte in het systeem. In de stacker moest wekelijks een handmatige check worden uitgevoerd om zoekgeraakte vracht te [[begrippenlijst#Traceren|traceren]].[[Noten H6#6-98|&amp;lt;sup&amp;gt;[98]&amp;lt;/sup&amp;gt;]]  &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De problemen met het Dortech-systeem beperkten zich niet tot [[Transportsystemen op de containerterminal|'''het technische vlak''']]. Ook operationeel bleek het systeem niet toegesneden op de snel veranderende markt voor luchtvracht in de tweede helft van de jaren zestig. Niet alleen werd beduidend méér vracht per vliegtuig verscheept; de zendingen werden ook per stuk groter. Dat maakte ze minder geschikt voor opslag in het Dortech-systeem, dat vooral was toegesneden op het stukgoedvervoer van pakketten en dozen zoals dat aan het begin van de jaren zestig nog gebruikelijk was. Bovendien veranderde ook de [[begrippenlijst#Logistiek|logistiek]] van de luchtvracht: zendingen werden eerder, liefst direct, opgehaald voor verder transport en hoefden dus niet te worden opgeslagen in de Dortech-stellingen. De KLM had maar een klein deel van de Dortech-installatie in gebruik toen in 1969 werd besloten het luchtvrachtgebouw belangrijk uit te breiden wegens capaciteitstekort, daarmee het Dortech-systeem verlatend.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Werking_van_de_Aviobrug</id>
		<title>Werking van de Aviobrug</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Werking_van_de_Aviobrug"/>
				<updated>2008-10-23T15:33:30Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;[[afbeelding:blz_136.jpg|thumb|300px|right]]Het principe van de Aviobrug was vrij simpel. De brug was een buis die de passagiers beschermde en die verschillende bewegingen kon uitvoeren om de aansluiting exact ter plaatse van de deur van het vliegtuig te maken. Die bewegingen waren nodig om twee redenen: er waren verschillende vliegtuigtypen in omloop met deuren op verschillende hoogten en locaties, en de toestellen werden niet altijd op exact dezelfde plaats geparkeerd. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Daarom moest de Aviobrug de volgende bewegingen kunnen maken: het in- en uitschuiven van de kokers, het draaien rond een scharnier (de rotonde), een beweging omhoog en omlaag en ten slotte het draaien van een mondstuk (bridgehead of ‘kop’) aan het uiteinde van de brug om de exacte aansluiting met het vliegtuig te verzorgen. De aandrijving voor deze bewegingen van de Aviobrug verliep [[begrippenlijst#Hydraulisch|hydraulisch]] via een elektronische bediening. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De brug moest dus uitschuifbaar zijn. Het eerste prototype op het oude [[Pieren als &amp;quot;aanlegsteigers&amp;quot; voor de vliegtuigen|'''Schiphol''']] was daartoe uitgerust met drie als een telescoop in en uit elkaar te schuiven kokers, terwijl de uiteindelijke productieversie bestond uit slechts twee uitschuifbare kokers. Deze telescopische koker moest op twee steunpunten worden opgelegd en ondersteund. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Aan één kant was de brug daarom bevestigd aan de zogenaamde rotonde, een draaipunt met een complex mechanisme van gekromde deuren dat tijdens het draaien toch de toegang tot de telescopische koker en het inwendige van de rotonde vrijhield. Dit was een van de meest complexe en vernuftige delen van de Aviobrug. Om deze rotonde kon de telescopische koker maximaal 180 tot 220 graden roteren. Aan de andere kant was de brug opgehangen aan uitschuifbare hydraulische cilinders in de mover, een soort wagen met wielen. Zoals de naam al suggereerde, bewoog de mover de brug, zowel omhoog en omlaag alsook draaiend om de rotonde. De hydraulische aandrijving zat opgeborgen in het huis van de mover. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Bij het eerste prototype verzorgde de mover bovendien nog de uitschuivende beweging van de telescopische koker. De mover had daarom toen nog twee stellen van vier niet te zwenken wielen. Om over te gaan van de uitschuivende naar de ronddraaiende beweging moest de mover worden stilgezet en opgetild om het andere stel wielen, dat de rondgaande beweging kon maken, omlaag te drukken. Dit was een uiterst ingewikkelde oplossing. &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Bij de uiteindelijke productieversie voor het nieuwe Schiphol-areaal zou de kleinere mover daarom enkel een vaste cirkel kunnen doorlopen, terwijl de uitschuivende beweging gerealiseerd zou worden door een kettingmechanisme.&lt;br /&gt;
Aan het uiteinde van de telescopische koker was een draaibare en uitschuifbare bridgehead bevestigd, die de uiteindelijke koppeling met het vliegtuig verzorgde en vooral zonder kieren moest aansluiten om weer, wind en stank buiten te houden als de deur van het vliegtuig was geopend. De kop was hiertoe uitgerust met een soort huif in de vorm van een harmonica en met rubber om beschadiging van het vliegtuig tegen te gaan.&lt;br /&gt;
[[De introductie van de instapbrug voor passagiers|'''Aviolanda''']] stak uiteraard veel energie in het ontwikkelen van een beveiliging van de Aviobrug om te voorkomen dat het vliegtuig beschadigd zou raken door ongewenste bewegingen of door het mogelijk inzakken van de brug ten gevolge van een plotseling wegvallende hydraulische druk. Tasters moesten ervoor zorgen dat de beweging automatisch afgeremd werd als de brug dicht bij het vliegtuig kwam. De beveiliging moest tevens ervoor zorgen dat de brug automatisch stopte als voelers aan de kop het vliegtuig raakten en ook als de bestuurder de ‘dodemansknop’ zou loslaten.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De bediening kon door één persoon in de kop plaatsvinden. Het eerste prototype had een los, draagbaar bedieningspaneel omdat men dacht dat de bestuurder heen en weer moest kunnen lopen om goed zicht te kunnen krijgen op eventuele obstakels. Dat bleek bij nader inzien toch niet nodig te zijn en latere typen waren daarom uitgerust met een vaste bedieningsconsole in de kop.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_142.jpg</id>
		<title>Bestand:Blz 142.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_142.jpg"/>
				<updated>2008-10-23T15:31:39Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_140.jpg</id>
		<title>Bestand:Blz 140.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_140.jpg"/>
				<updated>2008-10-23T15:31:14Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_136.jpg</id>
		<title>Bestand:Blz 136.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_136.jpg"/>
				<updated>2008-10-23T15:30:46Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_135.jpg</id>
		<title>Bestand:Blz 135.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_135.jpg"/>
				<updated>2008-10-23T15:30:29Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_130_b.jpg</id>
		<title>Bestand:Blz 130 b.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_130_b.jpg"/>
				<updated>2008-10-23T15:29:59Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_130_a.jpg</id>
		<title>Bestand:Blz 130 a.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_130_a.jpg"/>
				<updated>2008-10-23T15:29:38Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_129.jpg</id>
		<title>Bestand:Blz 129.jpg</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Bestand:Blz_129.jpg"/>
				<updated>2008-10-23T15:29:05Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Wetenschappelijke_landbouw_als_vernieuwingsbeweging</id>
		<title>Wetenschappelijke landbouw als vernieuwingsbeweging</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Wetenschappelijke_landbouw_als_vernieuwingsbeweging"/>
				<updated>2007-07-30T12:30:06Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;[[Image:05_J8_70.JPG|thumb|200px]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De landbouw was gedurende de negentiende eeuw Nederlands grootste werkverschaffer, waar ongeveer een derde van de beroepsbevolking zijn brood in verdiende. Zoals in het vorige hoofdstuk is uiteengezet, produceerde de landbouw voedsel voor eigen gebruik en voor degenen die in andere sectoren werkzaam waren. Het is opvallend dat in Nederland de getalsverhouding tussen boeren en anderen relatief laag was in vergelijking met andere landen. Rond 1870 werkten in ons land tweemaal zoveel personen buiten de landbouw als er in; in Frankrijk en Duitsland lag die verhouding ongeveer één op één, terwijl in Zuid- en Oost-Europa naar schatting slechts 30% van de arbeidsbevolking buiten de landbouw actief was. Uit die gegevens zou men kunnen afleiden dat er op de Nederlandse landbouw een zwaar beroep werd gedaan in verband met de voeding van de bevolking. Immers, ongeveer 65% werd gevoed dankzij de inspanningen van 35%. Zowel akkerbouw als veeteelt stonden van oudsher op een hoog peil, waarbij er overigens grote verschillen waren tussen de rijke kleigronden en de schrale zandgronden in de zuidelijke en oostelijke provincies. Sommige produkten, zoals zuivel en vee, werden zelfs in grote hoeveelheden uitgevoerd vooral naar Engeland. Het enige basisvoedingsmiddel dat niet in voldoende mate van eigen bodem kwam, was graan. Al vanaf de late Middeleeuwen waren de steden van Holland voor hun voedselvoorziening afhankelijk van de invoer van rogge en tarwe, in het bijzonder uit het Oostzeegebied. Zelfs in tijden van hoge graanprijzen, zoals tussen 1760 en 1817, nam de Nederlandse graanproduktie onvoldoende toe om deze structurele import te vervangen. Het fundamentele probleem dat hierachter schuil ging, was de geringe elasticiteit van het aanbod van de agrarische produktie: een belangrijke stijging van de landbouwprijzen leidde niet of nauwelijks tot een toename van de produktie.&lt;br /&gt;
Het is de moeite waard iets dieper in te gaan op de factoren achter de geringe aanbodselasticiteit van de landbouw. De omvang van de landbouwproduktie was in de eerste plaats afhankelijk van de beschikbare landbouwgrond, die echter (vrijwel) niet toenam, zeker niet op de korte termijn. Zelfs de uitbreiding van het 'cultuurareaal' door het ontginnen van de heidegronden in Oost- en Zuid-Nederland, betekende in zekere zin alleen maar dat er op een andere, meer intensieve manier gebruik werd gemaakt van de beschikbare grond. De heidevelden speelden immers vanouds een belangrijke rol in de mestvoorziening van het bouwland als veeweide en plek waar de plaggen voor de potstallen gestoken werden.(1)De mogelijkheden om de heide te ontginnen werden echter beperkt door een belangrijk, zo niet het belangrijkste knelpunt in het produktieproces van de landbouw, de (geringe) mestproduktie. In feite kon de landbouwproduktie alleen opgevoerd worden door de opbrengst per hectare (cultuurareaal plus 'woeste' grond) te vergroten.&lt;br /&gt;
De vergroting van de produktiviteit van het areaal werd mogelijk gemaakt door de introductie en verspreiding van nieuwe 'technieken': nieuwe vruchtwisselingsstelsels met minder braak, nieuwe gewassen zoals de aardappel, het gebruik van vuilnis uit de steden als meststof, en zo meer. Het gemeenschappelijk kenmerk van deze nieuwe 'technieken' was dat de hogere opbrengst over het algemeen werd mogelijk gemaakt door een grotere inzet van arbeid per hectare, met andere woorden door intensivering van het grondgebruik.&lt;br /&gt;
De globale trend in de landbouwontwikkeling van West-Europa tot ver in de negentiende eeuw was dat de landbouwproduktie per hectare toenam door een sterk stijgende arbeidsinput, die weer ten dele het gevolg van de sterk toenemende bevolkingsdruk.(2)De braak, in de vroege Middeleeuwen volgens het tweeslagstelsel nog een op de twee jaren toegepast, werd geleidelijk teruggedrongen en vervangen door de cultuur van voedergewassen, peulvruchten en aardappels. Tegelijkertijd nam het belang van zeer arbeidsintensieve nijverheidsgewassen (vlas, meekrap, tabak) toe.(3) &lt;br /&gt;
Deze ontwikkelingen in de landbouw gingen echter langzaam. De (Nederlandse en Europese) landbouw bestond uit honderdduizenden over het algemeen kleine boeren, die in hun streven naar bestaanszekerheid geen grote commerciële risico's konden of wilden nemen. Voor radicale veranderingen dure nieuwe machines, onbekende gewassen met hoge risico's - had men vrijwel geen middelen beschikbaar. Nieuwe technieken verspreidden zich van boerderij tot boerderij en van veld tot veld. De grotere boeren voerden vaak de experimenten uit zij konden wel enig risico lopen waarna de kleine boeren de succesvolle vernieuwingen overnamen. Slicher van Bath toont aan de hand van een Frans voorbeeld uit de 18e eeuw aan dat nieuwe landbouwpraktijken zich daardoor zeer geleidelijk verspreidden in een periode van 30 jaar verschoof de grens tussen de 'traditionele' en de 'intensieve' landbouw daar 50 tot 70 km.(4)Het kon dus een generatie of zelfs meerdere generaties duren voordat bepaalde innovaties algemeen geaccepteerd waren, al zijn er natuurlijk uitzonderingen op deze regel.(5) &lt;br /&gt;
In Engeland en Frankrijk ontstond er in de tweede helft van de 18e eeuw onder 'verlichte' leden van de burgerij en de adel een groeiende belangstelling voor de problemen van de landbouw.(6)  Genootschappen werden gevormd die streefden naar de wetenschappelijke studie van de landbouw en het propageren van een 'wetenschappelijke' op wetenschappelijke inzichten gebaseerde - landbouwpraktijk. Pamfletten en boeken hierover zagen het licht, waarbij vooral in Engeland de belangstelling van de grootgrondbezitters uitging naar nieuwe, arbeidsbesparende landbouwmachines. Deze beweging ging echter tot ca 1800 aan ons land voorbij. Wel was een van de bekendste succesvolle experimenten op het terrein van de 'wetenschappelijke' landbouw, de inenting van koeien tegen de veepokken, het werk van de Groninger hereboer G. Reinders. Vanuit dezelfde idealen, ontleend aan de Verlichting, werd in 1800 de eerste 'minister van landbouw' J. Kops benoemd en volgde in 1805 de oprichting van de provinciale Commissies van Landbouw, die als doel hadden de 'wetenschappelijke' landbouw te bevorderen. Deze eerste vernieuwingsbeweging, sterk geïnspireerd door Franse voorbeelden, liet echter vrij weinig sporen na; na het eerste, soms enthousiaste begin, begonnen deze Commissies na 1810/13 vaak een papieren bestaan te leiden.(7)Bovendien waren en bleven de Commissies een affaire voor heren; slechts in de provincie Groningen, met zijn welgestelde hereboeren, was de basis ervan groter.&lt;br /&gt;
Een tweede hervormingsoffensief startte in de jaren dertig en veertig met de oprichting van een aantal provinciale maatschappijen van landbouw, waarbij onvrede met het (niet) functioneren van de Commissies van Landbouw vaak een rol speelde.(8)Ditmaal betrof het geen initiatief van hogerhand de centrale overheid maar nam de lokale elite in Middelburg, Arnhem of Assen, het voortouw. De grote sociale kloof tussen heren en boeren bleef echter ook bij de door juristen (rechters, advocaten), lokale politici (burgemeesters, leden van de provinciale staten) en grootgrondbezitters gedomineerde maatschappijen van landbouw voortbestaan.(9)Van belang voor het bereiken van de boeren was dat een aantal periodieken werd opgericht _ met veelzeggende namen als Vriend van de landman en Landbouwcourant waarin gepoogd werd de inzichten van de wetenschappelijke landbouw voor een breder publiek toegankelijk te maken. Deze periodieken bevatten onder meer de beschrijving van landbouwkundige experimenten, informatie over oogstopbrengsten en marktprijzen en verhalen over landbouwpraktijken in bepaalde streken. Helaas is er weinig of niets bekend over de vraag wie deze periodieken kochten en lazen. Het is zeker dat de meeste boeren, vooral in het noorden en het westen van het land, konden lezen en schrijven, maar of ze werkelijk kennis hebben genomen van deze tijdschriften is onzeker.&lt;br /&gt;
Voorlopig hoogtepunt van het hervormingsoffensief dat in de jaren dertig was ingezet, was de oprichting van het Nederlandsch Landhuishoudkundig Congres in Zwolle in 1846. Dit congres, dat voortaan jaarlijks bijeen zou komen, werd gevormd door leden van de provinciale landbouwmaatschappijen (en ander geïnteresseerden), waaronder vermoedelijk een kleine groep 'praktische landbouwers'.(10)De bloei van deze beweging in de jaren van hoogconjunctuur voor de landbouw tussen 1850 en 1880 blijkt misschien nog het best uit de gegevens over de groei van het aantal leden: rond 1850 hadden de maatschappijen van landbouw bij elkaar ongeveer 10.000 leden, welk aantal steeg naar een hoogtepunt van ca 30.000 rond 1880 (tabel 2.1). Ter vergelijking: in Nederland waren er toen bij benadering 100.000 boeren met minstens één paard.(11)Daaruit kan natuurlijk niet de conclusie getrokken worden dat één op de drie à vier boeren 'georganiseerd' was; een flink maar onbekend deel van de leden van de landbouwmaatschappijen bestond immers uit leden van de burgerij. Het is op zijn minst verdacht dat de spreiding van het ledental over het land, gezien het overwicht van Holland, eerder lijkt samen te hangen met de verstedelijkingsgraad dan met het aantal boeren in de verschillende provincies.(zie tabel 2.1)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Toch kan niet ontkend worden dat door de aandacht die de landbouwmaatschappijen en de verschillende landbouw-periodieken besteedden aan allerlei 'innovaties' in het landbouwbedrijf, de kennis ervan zich zeer snel kon verspreiden. In de volgende hoofdstukken zal dit nog meermalen blijken.&lt;br /&gt;
Desondanks kende deze hervormingsbeweging ernstige tekortkomingen, die de invloed ervan beperkte. Ideologische motieven en praktische problemen speelden daarbij een rol. Een van de uitgangspunten van de 'wetenschappelijke' landbouw althans van een groot aantal vertegenwoordigers ervan was dat de landbouw een ontwikkeling zou moeten doormaken die vergelijkbaar was met die van de industrie.(12)Twee trends waren in die industriële ontwikkeling opvallend: de opkomst van het grootbedrijf en de voortgaande mechanisatie van het produktieproces door de vervanging van arbeid door (stoom)machines. Toegepast op de landbouw betekende dit ten eerste dat men de vooruitgang van de landbouw geheel verwachtte van de grote boeren en ten tweede dat men veel aandacht had voor allerlei nieuwe landbouwmachines, het liefst met stoom aangedreven. Feitelijke ontwikkelingen leken deze 'strategie' overigens te ondersteunen: de landbouw had vooral in Engeland, waar grootgrondbezit en grote pachtbedrijven domineerden, grote sprongen vooruit gemaakt; daar ook werden tal van nieuwe machines ontwikkeld. Binnen Nederland vervulden vooral de Groninger hereboeren de rol van 'voorbeeldige' progressieve landbouwers. Daar kwam bij dat de hervormingsbeweging een flink aantal grootgrondbezitters telde, die zich nu bevestigd zagen in de rol van pionier, van wegbereider van de 'wetenschappelijke' landbouw.(13) &lt;br /&gt;
Het gevolg van een en ander was dat de beweging vrijwel geen aandacht had voor de economische problemen en mogelijkheden van het kleine landbouwbedrijf. In de visie van de hervormers was dit immers gedoemd te verdwijnen, zoals in de industrie het grootbedrijf het kleine, ambachtelijke bedrijf verdreef. Bovendien nam men aan dat kleine boeren conservatief en ongeletterd waren. Vooral in Noord-Brabant, een provincie met een groot aantal keuterboeren, was deze kloof zeer groot: de provinciale maatschappij van landbouw was in handen van een vrij kleine groep overwegend protestantse hereboeren en notabelen vooral uit de Noord-Westhoek. De grote meerderheid van (katholieke) keuterboeren stond volledig buiten soms zelfs vijandig tegenover de activiteiten van deze heren.(14)Dit verklaart mogelijk waarom de Brabantse maatschappij van landbouw in relatief opzicht zo klein bleef (tabel 2.1). In andere gebieden met veel kleine boeren deden zich vergelijkbare problemen voor. De Overijsselse boeren hadden zich slechts in kleine aantallen bij een landbouworganisatie aangesloten, zodat een afzonderlijke Overijsselse landbouwmaatschappij niet levensvatbaar bleek en men bleef samenwerken met de Gelderse organisatie.&lt;br /&gt;
Het onvermogen van de landbouwhervormers om de (kleinere) boeren te bereiken, leidde aan hun kant tot teleurstellingen. Staring, die in de jaren veertig en vijftig een zeer enthousiast pleitbezorger was van de wetenschappelijke landbouw, klaagde in de loop van de jaren zestig en zeventig steeds meer over het conservatisme van de Nederlandse boeren, die het produktieproces maar niet wilden mechaniseren.(15)Een enkel voorbeeld: in het Landbouwverslag van 1865 constateerde hij dat in Utrecht 'de ingevoerde dorschwerktuigen weder plaats maken voor de ouderwetsche Utrechtsche dorschrol, omdat deze het stroo beter zoude kneuzen en voor veevoeder geschikt maken,' maar hij liet daar dan op volgen dat 'elk wetenschappelijk landbouwer weet dat dit achteruitgang is'!&lt;br /&gt;
Een andere beperking van de hervormingsbeweging was de nog tamelijk zwakke natuurwetenschappelijke basis van een groot deel van de aanbevelingen en experimenten van de landbouwkundigen. Het fundamentele werk van de grondlegger van de moderne landbouwscheikunde, J. von Liebig, was nog omstreden en werd niet algemeen geaccepteerd.(16)Bovendien was Von Liebig zelf soms weinig gelukkig in zijn praktische analyses, zoals bij het voorbeeld van de guano nog zal laten zien. Er schortte dus nog van alles aan het inzicht in de werkelijke problemen van het landbouwbedrijf, waardoor van de aanbevelingen van de landbouwkundigen soms meer kwaad dan goeds kwam. Het wantrouwen van de (kleine) boeren jegens de aanbevelingen van de wetenschappelijke landbouwers was niet volledig ongegrond.(17) &lt;br /&gt;
Toen de agrarische depressie in de Nederlandse landbouw na ca 1880 begon, richtten de boeren zich niet massaal tot de landbouwmaatschappijen om hulp, maar werden vrijwel alle organisaties met een sterk ledenverlies geconfronteerd.(18)Dit wijst er op dat de boeren het lidmaatschap van de landbouwmaatschappij eerder zagen als een vorm van luxe-consumptie in tijden van overvloed dan als een bron van steun in moeilijke tijden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om te onderzoeken hoe innovatieprocessen in de landbouw in de praktijk verliepen, zijn in de volgende artikelen drie voorbeelden uitgewerkt, die min of meer typisch zijn voor het spectrum aan technische veranderingen in de landbouw in de periode tot 1890: [[De guano|'''de guano''']] de eerste 'kunstmest', [[De Arendploeg|'''de Arendploeg''']], een uit de Verenigde Staten geïmporteerd type ploeg, en [[De stoomploeg|'''de stoomploeg''']], een voorbeeld van een poging tot mechanisering van het landbouwbedrijf. In de theorievorming over technische veranderingen in het landbouwbedrijf wordt een onderscheid gemaakt tussen arbeidsbesparende, veelal mechanische vernieuwingen en grondbesparende, meestal biologische innovaties.(19)Beide typen zijn hier vertegenwoordigd, zoals uit de volgende artikelen zal blijken.&lt;br /&gt;
Ook in een ander opzicht verschillen de drie innovaties sterk van elkaar: de stoomploeg vroeg een zeer omvangrijke investering en was mede daardoor alleen geschikt voor het zeer grote landbouwbedrijf, terwijl de guano al in betrekkelijk kleine hoeveelheden in een kleinschalig landbouwbedrijf gebruikt kon worden. De investering die de Arendploeg vergde, lag tussen beide in. Om deze redenen geven de drie geselecteerde innovaties een aardig beeld van de problemen waar technische vernieuwingen in de landbouw in de periode voor 1890 gewoonlijk mee gepaard gingen.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Wetenschappelijke_landbouw_als_vernieuwingsbeweging</id>
		<title>Wetenschappelijke landbouw als vernieuwingsbeweging</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Wetenschappelijke_landbouw_als_vernieuwingsbeweging"/>
				<updated>2007-07-30T12:29:51Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;[[Image:05_J8_70.JPG|thumb]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De landbouw was gedurende de negentiende eeuw Nederlands grootste werkverschaffer, waar ongeveer een derde van de beroepsbevolking zijn brood in verdiende. Zoals in het vorige hoofdstuk is uiteengezet, produceerde de landbouw voedsel voor eigen gebruik en voor degenen die in andere sectoren werkzaam waren. Het is opvallend dat in Nederland de getalsverhouding tussen boeren en anderen relatief laag was in vergelijking met andere landen. Rond 1870 werkten in ons land tweemaal zoveel personen buiten de landbouw als er in; in Frankrijk en Duitsland lag die verhouding ongeveer één op één, terwijl in Zuid- en Oost-Europa naar schatting slechts 30% van de arbeidsbevolking buiten de landbouw actief was. Uit die gegevens zou men kunnen afleiden dat er op de Nederlandse landbouw een zwaar beroep werd gedaan in verband met de voeding van de bevolking. Immers, ongeveer 65% werd gevoed dankzij de inspanningen van 35%. Zowel akkerbouw als veeteelt stonden van oudsher op een hoog peil, waarbij er overigens grote verschillen waren tussen de rijke kleigronden en de schrale zandgronden in de zuidelijke en oostelijke provincies. Sommige produkten, zoals zuivel en vee, werden zelfs in grote hoeveelheden uitgevoerd vooral naar Engeland. Het enige basisvoedingsmiddel dat niet in voldoende mate van eigen bodem kwam, was graan. Al vanaf de late Middeleeuwen waren de steden van Holland voor hun voedselvoorziening afhankelijk van de invoer van rogge en tarwe, in het bijzonder uit het Oostzeegebied. Zelfs in tijden van hoge graanprijzen, zoals tussen 1760 en 1817, nam de Nederlandse graanproduktie onvoldoende toe om deze structurele import te vervangen. Het fundamentele probleem dat hierachter schuil ging, was de geringe elasticiteit van het aanbod van de agrarische produktie: een belangrijke stijging van de landbouwprijzen leidde niet of nauwelijks tot een toename van de produktie.&lt;br /&gt;
Het is de moeite waard iets dieper in te gaan op de factoren achter de geringe aanbodselasticiteit van de landbouw. De omvang van de landbouwproduktie was in de eerste plaats afhankelijk van de beschikbare landbouwgrond, die echter (vrijwel) niet toenam, zeker niet op de korte termijn. Zelfs de uitbreiding van het 'cultuurareaal' door het ontginnen van de heidegronden in Oost- en Zuid-Nederland, betekende in zekere zin alleen maar dat er op een andere, meer intensieve manier gebruik werd gemaakt van de beschikbare grond. De heidevelden speelden immers vanouds een belangrijke rol in de mestvoorziening van het bouwland als veeweide en plek waar de plaggen voor de potstallen gestoken werden.(1)De mogelijkheden om de heide te ontginnen werden echter beperkt door een belangrijk, zo niet het belangrijkste knelpunt in het produktieproces van de landbouw, de (geringe) mestproduktie. In feite kon de landbouwproduktie alleen opgevoerd worden door de opbrengst per hectare (cultuurareaal plus 'woeste' grond) te vergroten.&lt;br /&gt;
De vergroting van de produktiviteit van het areaal werd mogelijk gemaakt door de introductie en verspreiding van nieuwe 'technieken': nieuwe vruchtwisselingsstelsels met minder braak, nieuwe gewassen zoals de aardappel, het gebruik van vuilnis uit de steden als meststof, en zo meer. Het gemeenschappelijk kenmerk van deze nieuwe 'technieken' was dat de hogere opbrengst over het algemeen werd mogelijk gemaakt door een grotere inzet van arbeid per hectare, met andere woorden door intensivering van het grondgebruik.&lt;br /&gt;
De globale trend in de landbouwontwikkeling van West-Europa tot ver in de negentiende eeuw was dat de landbouwproduktie per hectare toenam door een sterk stijgende arbeidsinput, die weer ten dele het gevolg van de sterk toenemende bevolkingsdruk.(2)De braak, in de vroege Middeleeuwen volgens het tweeslagstelsel nog een op de twee jaren toegepast, werd geleidelijk teruggedrongen en vervangen door de cultuur van voedergewassen, peulvruchten en aardappels. Tegelijkertijd nam het belang van zeer arbeidsintensieve nijverheidsgewassen (vlas, meekrap, tabak) toe.(3) &lt;br /&gt;
Deze ontwikkelingen in de landbouw gingen echter langzaam. De (Nederlandse en Europese) landbouw bestond uit honderdduizenden over het algemeen kleine boeren, die in hun streven naar bestaanszekerheid geen grote commerciële risico's konden of wilden nemen. Voor radicale veranderingen dure nieuwe machines, onbekende gewassen met hoge risico's - had men vrijwel geen middelen beschikbaar. Nieuwe technieken verspreidden zich van boerderij tot boerderij en van veld tot veld. De grotere boeren voerden vaak de experimenten uit zij konden wel enig risico lopen waarna de kleine boeren de succesvolle vernieuwingen overnamen. Slicher van Bath toont aan de hand van een Frans voorbeeld uit de 18e eeuw aan dat nieuwe landbouwpraktijken zich daardoor zeer geleidelijk verspreidden in een periode van 30 jaar verschoof de grens tussen de 'traditionele' en de 'intensieve' landbouw daar 50 tot 70 km.(4)Het kon dus een generatie of zelfs meerdere generaties duren voordat bepaalde innovaties algemeen geaccepteerd waren, al zijn er natuurlijk uitzonderingen op deze regel.(5) &lt;br /&gt;
In Engeland en Frankrijk ontstond er in de tweede helft van de 18e eeuw onder 'verlichte' leden van de burgerij en de adel een groeiende belangstelling voor de problemen van de landbouw.(6)  Genootschappen werden gevormd die streefden naar de wetenschappelijke studie van de landbouw en het propageren van een 'wetenschappelijke' op wetenschappelijke inzichten gebaseerde - landbouwpraktijk. Pamfletten en boeken hierover zagen het licht, waarbij vooral in Engeland de belangstelling van de grootgrondbezitters uitging naar nieuwe, arbeidsbesparende landbouwmachines. Deze beweging ging echter tot ca 1800 aan ons land voorbij. Wel was een van de bekendste succesvolle experimenten op het terrein van de 'wetenschappelijke' landbouw, de inenting van koeien tegen de veepokken, het werk van de Groninger hereboer G. Reinders. Vanuit dezelfde idealen, ontleend aan de Verlichting, werd in 1800 de eerste 'minister van landbouw' J. Kops benoemd en volgde in 1805 de oprichting van de provinciale Commissies van Landbouw, die als doel hadden de 'wetenschappelijke' landbouw te bevorderen. Deze eerste vernieuwingsbeweging, sterk geïnspireerd door Franse voorbeelden, liet echter vrij weinig sporen na; na het eerste, soms enthousiaste begin, begonnen deze Commissies na 1810/13 vaak een papieren bestaan te leiden.(7)Bovendien waren en bleven de Commissies een affaire voor heren; slechts in de provincie Groningen, met zijn welgestelde hereboeren, was de basis ervan groter.&lt;br /&gt;
Een tweede hervormingsoffensief startte in de jaren dertig en veertig met de oprichting van een aantal provinciale maatschappijen van landbouw, waarbij onvrede met het (niet) functioneren van de Commissies van Landbouw vaak een rol speelde.(8)Ditmaal betrof het geen initiatief van hogerhand de centrale overheid maar nam de lokale elite in Middelburg, Arnhem of Assen, het voortouw. De grote sociale kloof tussen heren en boeren bleef echter ook bij de door juristen (rechters, advocaten), lokale politici (burgemeesters, leden van de provinciale staten) en grootgrondbezitters gedomineerde maatschappijen van landbouw voortbestaan.(9)Van belang voor het bereiken van de boeren was dat een aantal periodieken werd opgericht _ met veelzeggende namen als Vriend van de landman en Landbouwcourant waarin gepoogd werd de inzichten van de wetenschappelijke landbouw voor een breder publiek toegankelijk te maken. Deze periodieken bevatten onder meer de beschrijving van landbouwkundige experimenten, informatie over oogstopbrengsten en marktprijzen en verhalen over landbouwpraktijken in bepaalde streken. Helaas is er weinig of niets bekend over de vraag wie deze periodieken kochten en lazen. Het is zeker dat de meeste boeren, vooral in het noorden en het westen van het land, konden lezen en schrijven, maar of ze werkelijk kennis hebben genomen van deze tijdschriften is onzeker.&lt;br /&gt;
Voorlopig hoogtepunt van het hervormingsoffensief dat in de jaren dertig was ingezet, was de oprichting van het Nederlandsch Landhuishoudkundig Congres in Zwolle in 1846. Dit congres, dat voortaan jaarlijks bijeen zou komen, werd gevormd door leden van de provinciale landbouwmaatschappijen (en ander geïnteresseerden), waaronder vermoedelijk een kleine groep 'praktische landbouwers'.(10)De bloei van deze beweging in de jaren van hoogconjunctuur voor de landbouw tussen 1850 en 1880 blijkt misschien nog het best uit de gegevens over de groei van het aantal leden: rond 1850 hadden de maatschappijen van landbouw bij elkaar ongeveer 10.000 leden, welk aantal steeg naar een hoogtepunt van ca 30.000 rond 1880 (tabel 2.1). Ter vergelijking: in Nederland waren er toen bij benadering 100.000 boeren met minstens één paard.(11)Daaruit kan natuurlijk niet de conclusie getrokken worden dat één op de drie à vier boeren 'georganiseerd' was; een flink maar onbekend deel van de leden van de landbouwmaatschappijen bestond immers uit leden van de burgerij. Het is op zijn minst verdacht dat de spreiding van het ledental over het land, gezien het overwicht van Holland, eerder lijkt samen te hangen met de verstedelijkingsgraad dan met het aantal boeren in de verschillende provincies.(zie tabel 2.1)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Toch kan niet ontkend worden dat door de aandacht die de landbouwmaatschappijen en de verschillende landbouw-periodieken besteedden aan allerlei 'innovaties' in het landbouwbedrijf, de kennis ervan zich zeer snel kon verspreiden. In de volgende hoofdstukken zal dit nog meermalen blijken.&lt;br /&gt;
Desondanks kende deze hervormingsbeweging ernstige tekortkomingen, die de invloed ervan beperkte. Ideologische motieven en praktische problemen speelden daarbij een rol. Een van de uitgangspunten van de 'wetenschappelijke' landbouw althans van een groot aantal vertegenwoordigers ervan was dat de landbouw een ontwikkeling zou moeten doormaken die vergelijkbaar was met die van de industrie.(12)Twee trends waren in die industriële ontwikkeling opvallend: de opkomst van het grootbedrijf en de voortgaande mechanisatie van het produktieproces door de vervanging van arbeid door (stoom)machines. Toegepast op de landbouw betekende dit ten eerste dat men de vooruitgang van de landbouw geheel verwachtte van de grote boeren en ten tweede dat men veel aandacht had voor allerlei nieuwe landbouwmachines, het liefst met stoom aangedreven. Feitelijke ontwikkelingen leken deze 'strategie' overigens te ondersteunen: de landbouw had vooral in Engeland, waar grootgrondbezit en grote pachtbedrijven domineerden, grote sprongen vooruit gemaakt; daar ook werden tal van nieuwe machines ontwikkeld. Binnen Nederland vervulden vooral de Groninger hereboeren de rol van 'voorbeeldige' progressieve landbouwers. Daar kwam bij dat de hervormingsbeweging een flink aantal grootgrondbezitters telde, die zich nu bevestigd zagen in de rol van pionier, van wegbereider van de 'wetenschappelijke' landbouw.(13) &lt;br /&gt;
Het gevolg van een en ander was dat de beweging vrijwel geen aandacht had voor de economische problemen en mogelijkheden van het kleine landbouwbedrijf. In de visie van de hervormers was dit immers gedoemd te verdwijnen, zoals in de industrie het grootbedrijf het kleine, ambachtelijke bedrijf verdreef. Bovendien nam men aan dat kleine boeren conservatief en ongeletterd waren. Vooral in Noord-Brabant, een provincie met een groot aantal keuterboeren, was deze kloof zeer groot: de provinciale maatschappij van landbouw was in handen van een vrij kleine groep overwegend protestantse hereboeren en notabelen vooral uit de Noord-Westhoek. De grote meerderheid van (katholieke) keuterboeren stond volledig buiten soms zelfs vijandig tegenover de activiteiten van deze heren.(14)Dit verklaart mogelijk waarom de Brabantse maatschappij van landbouw in relatief opzicht zo klein bleef (tabel 2.1). In andere gebieden met veel kleine boeren deden zich vergelijkbare problemen voor. De Overijsselse boeren hadden zich slechts in kleine aantallen bij een landbouworganisatie aangesloten, zodat een afzonderlijke Overijsselse landbouwmaatschappij niet levensvatbaar bleek en men bleef samenwerken met de Gelderse organisatie.&lt;br /&gt;
Het onvermogen van de landbouwhervormers om de (kleinere) boeren te bereiken, leidde aan hun kant tot teleurstellingen. Staring, die in de jaren veertig en vijftig een zeer enthousiast pleitbezorger was van de wetenschappelijke landbouw, klaagde in de loop van de jaren zestig en zeventig steeds meer over het conservatisme van de Nederlandse boeren, die het produktieproces maar niet wilden mechaniseren.(15)Een enkel voorbeeld: in het Landbouwverslag van 1865 constateerde hij dat in Utrecht 'de ingevoerde dorschwerktuigen weder plaats maken voor de ouderwetsche Utrechtsche dorschrol, omdat deze het stroo beter zoude kneuzen en voor veevoeder geschikt maken,' maar hij liet daar dan op volgen dat 'elk wetenschappelijk landbouwer weet dat dit achteruitgang is'!&lt;br /&gt;
Een andere beperking van de hervormingsbeweging was de nog tamelijk zwakke natuurwetenschappelijke basis van een groot deel van de aanbevelingen en experimenten van de landbouwkundigen. Het fundamentele werk van de grondlegger van de moderne landbouwscheikunde, J. von Liebig, was nog omstreden en werd niet algemeen geaccepteerd.(16)Bovendien was Von Liebig zelf soms weinig gelukkig in zijn praktische analyses, zoals bij het voorbeeld van de guano nog zal laten zien. Er schortte dus nog van alles aan het inzicht in de werkelijke problemen van het landbouwbedrijf, waardoor van de aanbevelingen van de landbouwkundigen soms meer kwaad dan goeds kwam. Het wantrouwen van de (kleine) boeren jegens de aanbevelingen van de wetenschappelijke landbouwers was niet volledig ongegrond.(17) &lt;br /&gt;
Toen de agrarische depressie in de Nederlandse landbouw na ca 1880 begon, richtten de boeren zich niet massaal tot de landbouwmaatschappijen om hulp, maar werden vrijwel alle organisaties met een sterk ledenverlies geconfronteerd.(18)Dit wijst er op dat de boeren het lidmaatschap van de landbouwmaatschappij eerder zagen als een vorm van luxe-consumptie in tijden van overvloed dan als een bron van steun in moeilijke tijden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om te onderzoeken hoe innovatieprocessen in de landbouw in de praktijk verliepen, zijn in de volgende artikelen drie voorbeelden uitgewerkt, die min of meer typisch zijn voor het spectrum aan technische veranderingen in de landbouw in de periode tot 1890: [[De guano|'''de guano''']] de eerste 'kunstmest', [[De Arendploeg|'''de Arendploeg''']], een uit de Verenigde Staten geïmporteerd type ploeg, en [[De stoomploeg|'''de stoomploeg''']], een voorbeeld van een poging tot mechanisering van het landbouwbedrijf. In de theorievorming over technische veranderingen in het landbouwbedrijf wordt een onderscheid gemaakt tussen arbeidsbesparende, veelal mechanische vernieuwingen en grondbesparende, meestal biologische innovaties.(19)Beide typen zijn hier vertegenwoordigd, zoals uit de volgende artikelen zal blijken.&lt;br /&gt;
Ook in een ander opzicht verschillen de drie innovaties sterk van elkaar: de stoomploeg vroeg een zeer omvangrijke investering en was mede daardoor alleen geschikt voor het zeer grote landbouwbedrijf, terwijl de guano al in betrekkelijk kleine hoeveelheden in een kleinschalig landbouwbedrijf gebruikt kon worden. De investering die de Arendploeg vergde, lag tussen beide in. Om deze redenen geven de drie geselecteerde innovaties een aardig beeld van de problemen waar technische vernieuwingen in de landbouw in de periode voor 1890 gewoonlijk mee gepaard gingen.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Wetenschappelijke_landbouw_als_vernieuwingsbeweging</id>
		<title>Wetenschappelijke landbouw als vernieuwingsbeweging</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Wetenschappelijke_landbouw_als_vernieuwingsbeweging"/>
				<updated>2007-07-30T12:29:37Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;[[Image:05_J8_70.JPG]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
De landbouw was gedurende de negentiende eeuw Nederlands grootste werkverschaffer, waar ongeveer een derde van de beroepsbevolking zijn brood in verdiende. Zoals in het vorige hoofdstuk is uiteengezet, produceerde de landbouw voedsel voor eigen gebruik en voor degenen die in andere sectoren werkzaam waren. Het is opvallend dat in Nederland de getalsverhouding tussen boeren en anderen relatief laag was in vergelijking met andere landen. Rond 1870 werkten in ons land tweemaal zoveel personen buiten de landbouw als er in; in Frankrijk en Duitsland lag die verhouding ongeveer één op één, terwijl in Zuid- en Oost-Europa naar schatting slechts 30% van de arbeidsbevolking buiten de landbouw actief was. Uit die gegevens zou men kunnen afleiden dat er op de Nederlandse landbouw een zwaar beroep werd gedaan in verband met de voeding van de bevolking. Immers, ongeveer 65% werd gevoed dankzij de inspanningen van 35%. Zowel akkerbouw als veeteelt stonden van oudsher op een hoog peil, waarbij er overigens grote verschillen waren tussen de rijke kleigronden en de schrale zandgronden in de zuidelijke en oostelijke provincies. Sommige produkten, zoals zuivel en vee, werden zelfs in grote hoeveelheden uitgevoerd vooral naar Engeland. Het enige basisvoedingsmiddel dat niet in voldoende mate van eigen bodem kwam, was graan. Al vanaf de late Middeleeuwen waren de steden van Holland voor hun voedselvoorziening afhankelijk van de invoer van rogge en tarwe, in het bijzonder uit het Oostzeegebied. Zelfs in tijden van hoge graanprijzen, zoals tussen 1760 en 1817, nam de Nederlandse graanproduktie onvoldoende toe om deze structurele import te vervangen. Het fundamentele probleem dat hierachter schuil ging, was de geringe elasticiteit van het aanbod van de agrarische produktie: een belangrijke stijging van de landbouwprijzen leidde niet of nauwelijks tot een toename van de produktie.&lt;br /&gt;
Het is de moeite waard iets dieper in te gaan op de factoren achter de geringe aanbodselasticiteit van de landbouw. De omvang van de landbouwproduktie was in de eerste plaats afhankelijk van de beschikbare landbouwgrond, die echter (vrijwel) niet toenam, zeker niet op de korte termijn. Zelfs de uitbreiding van het 'cultuurareaal' door het ontginnen van de heidegronden in Oost- en Zuid-Nederland, betekende in zekere zin alleen maar dat er op een andere, meer intensieve manier gebruik werd gemaakt van de beschikbare grond. De heidevelden speelden immers vanouds een belangrijke rol in de mestvoorziening van het bouwland als veeweide en plek waar de plaggen voor de potstallen gestoken werden.(1)De mogelijkheden om de heide te ontginnen werden echter beperkt door een belangrijk, zo niet het belangrijkste knelpunt in het produktieproces van de landbouw, de (geringe) mestproduktie. In feite kon de landbouwproduktie alleen opgevoerd worden door de opbrengst per hectare (cultuurareaal plus 'woeste' grond) te vergroten.&lt;br /&gt;
De vergroting van de produktiviteit van het areaal werd mogelijk gemaakt door de introductie en verspreiding van nieuwe 'technieken': nieuwe vruchtwisselingsstelsels met minder braak, nieuwe gewassen zoals de aardappel, het gebruik van vuilnis uit de steden als meststof, en zo meer. Het gemeenschappelijk kenmerk van deze nieuwe 'technieken' was dat de hogere opbrengst over het algemeen werd mogelijk gemaakt door een grotere inzet van arbeid per hectare, met andere woorden door intensivering van het grondgebruik.&lt;br /&gt;
De globale trend in de landbouwontwikkeling van West-Europa tot ver in de negentiende eeuw was dat de landbouwproduktie per hectare toenam door een sterk stijgende arbeidsinput, die weer ten dele het gevolg van de sterk toenemende bevolkingsdruk.(2)De braak, in de vroege Middeleeuwen volgens het tweeslagstelsel nog een op de twee jaren toegepast, werd geleidelijk teruggedrongen en vervangen door de cultuur van voedergewassen, peulvruchten en aardappels. Tegelijkertijd nam het belang van zeer arbeidsintensieve nijverheidsgewassen (vlas, meekrap, tabak) toe.(3) &lt;br /&gt;
Deze ontwikkelingen in de landbouw gingen echter langzaam. De (Nederlandse en Europese) landbouw bestond uit honderdduizenden over het algemeen kleine boeren, die in hun streven naar bestaanszekerheid geen grote commerciële risico's konden of wilden nemen. Voor radicale veranderingen dure nieuwe machines, onbekende gewassen met hoge risico's - had men vrijwel geen middelen beschikbaar. Nieuwe technieken verspreidden zich van boerderij tot boerderij en van veld tot veld. De grotere boeren voerden vaak de experimenten uit zij konden wel enig risico lopen waarna de kleine boeren de succesvolle vernieuwingen overnamen. Slicher van Bath toont aan de hand van een Frans voorbeeld uit de 18e eeuw aan dat nieuwe landbouwpraktijken zich daardoor zeer geleidelijk verspreidden in een periode van 30 jaar verschoof de grens tussen de 'traditionele' en de 'intensieve' landbouw daar 50 tot 70 km.(4)Het kon dus een generatie of zelfs meerdere generaties duren voordat bepaalde innovaties algemeen geaccepteerd waren, al zijn er natuurlijk uitzonderingen op deze regel.(5) &lt;br /&gt;
In Engeland en Frankrijk ontstond er in de tweede helft van de 18e eeuw onder 'verlichte' leden van de burgerij en de adel een groeiende belangstelling voor de problemen van de landbouw.(6)  Genootschappen werden gevormd die streefden naar de wetenschappelijke studie van de landbouw en het propageren van een 'wetenschappelijke' op wetenschappelijke inzichten gebaseerde - landbouwpraktijk. Pamfletten en boeken hierover zagen het licht, waarbij vooral in Engeland de belangstelling van de grootgrondbezitters uitging naar nieuwe, arbeidsbesparende landbouwmachines. Deze beweging ging echter tot ca 1800 aan ons land voorbij. Wel was een van de bekendste succesvolle experimenten op het terrein van de 'wetenschappelijke' landbouw, de inenting van koeien tegen de veepokken, het werk van de Groninger hereboer G. Reinders. Vanuit dezelfde idealen, ontleend aan de Verlichting, werd in 1800 de eerste 'minister van landbouw' J. Kops benoemd en volgde in 1805 de oprichting van de provinciale Commissies van Landbouw, die als doel hadden de 'wetenschappelijke' landbouw te bevorderen. Deze eerste vernieuwingsbeweging, sterk geïnspireerd door Franse voorbeelden, liet echter vrij weinig sporen na; na het eerste, soms enthousiaste begin, begonnen deze Commissies na 1810/13 vaak een papieren bestaan te leiden.(7)Bovendien waren en bleven de Commissies een affaire voor heren; slechts in de provincie Groningen, met zijn welgestelde hereboeren, was de basis ervan groter.&lt;br /&gt;
Een tweede hervormingsoffensief startte in de jaren dertig en veertig met de oprichting van een aantal provinciale maatschappijen van landbouw, waarbij onvrede met het (niet) functioneren van de Commissies van Landbouw vaak een rol speelde.(8)Ditmaal betrof het geen initiatief van hogerhand de centrale overheid maar nam de lokale elite in Middelburg, Arnhem of Assen, het voortouw. De grote sociale kloof tussen heren en boeren bleef echter ook bij de door juristen (rechters, advocaten), lokale politici (burgemeesters, leden van de provinciale staten) en grootgrondbezitters gedomineerde maatschappijen van landbouw voortbestaan.(9)Van belang voor het bereiken van de boeren was dat een aantal periodieken werd opgericht _ met veelzeggende namen als Vriend van de landman en Landbouwcourant waarin gepoogd werd de inzichten van de wetenschappelijke landbouw voor een breder publiek toegankelijk te maken. Deze periodieken bevatten onder meer de beschrijving van landbouwkundige experimenten, informatie over oogstopbrengsten en marktprijzen en verhalen over landbouwpraktijken in bepaalde streken. Helaas is er weinig of niets bekend over de vraag wie deze periodieken kochten en lazen. Het is zeker dat de meeste boeren, vooral in het noorden en het westen van het land, konden lezen en schrijven, maar of ze werkelijk kennis hebben genomen van deze tijdschriften is onzeker.&lt;br /&gt;
Voorlopig hoogtepunt van het hervormingsoffensief dat in de jaren dertig was ingezet, was de oprichting van het Nederlandsch Landhuishoudkundig Congres in Zwolle in 1846. Dit congres, dat voortaan jaarlijks bijeen zou komen, werd gevormd door leden van de provinciale landbouwmaatschappijen (en ander geïnteresseerden), waaronder vermoedelijk een kleine groep 'praktische landbouwers'.(10)De bloei van deze beweging in de jaren van hoogconjunctuur voor de landbouw tussen 1850 en 1880 blijkt misschien nog het best uit de gegevens over de groei van het aantal leden: rond 1850 hadden de maatschappijen van landbouw bij elkaar ongeveer 10.000 leden, welk aantal steeg naar een hoogtepunt van ca 30.000 rond 1880 (tabel 2.1). Ter vergelijking: in Nederland waren er toen bij benadering 100.000 boeren met minstens één paard.(11)Daaruit kan natuurlijk niet de conclusie getrokken worden dat één op de drie à vier boeren 'georganiseerd' was; een flink maar onbekend deel van de leden van de landbouwmaatschappijen bestond immers uit leden van de burgerij. Het is op zijn minst verdacht dat de spreiding van het ledental over het land, gezien het overwicht van Holland, eerder lijkt samen te hangen met de verstedelijkingsgraad dan met het aantal boeren in de verschillende provincies.(zie tabel 2.1)&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Toch kan niet ontkend worden dat door de aandacht die de landbouwmaatschappijen en de verschillende landbouw-periodieken besteedden aan allerlei 'innovaties' in het landbouwbedrijf, de kennis ervan zich zeer snel kon verspreiden. In de volgende hoofdstukken zal dit nog meermalen blijken.&lt;br /&gt;
Desondanks kende deze hervormingsbeweging ernstige tekortkomingen, die de invloed ervan beperkte. Ideologische motieven en praktische problemen speelden daarbij een rol. Een van de uitgangspunten van de 'wetenschappelijke' landbouw althans van een groot aantal vertegenwoordigers ervan was dat de landbouw een ontwikkeling zou moeten doormaken die vergelijkbaar was met die van de industrie.(12)Twee trends waren in die industriële ontwikkeling opvallend: de opkomst van het grootbedrijf en de voortgaande mechanisatie van het produktieproces door de vervanging van arbeid door (stoom)machines. Toegepast op de landbouw betekende dit ten eerste dat men de vooruitgang van de landbouw geheel verwachtte van de grote boeren en ten tweede dat men veel aandacht had voor allerlei nieuwe landbouwmachines, het liefst met stoom aangedreven. Feitelijke ontwikkelingen leken deze 'strategie' overigens te ondersteunen: de landbouw had vooral in Engeland, waar grootgrondbezit en grote pachtbedrijven domineerden, grote sprongen vooruit gemaakt; daar ook werden tal van nieuwe machines ontwikkeld. Binnen Nederland vervulden vooral de Groninger hereboeren de rol van 'voorbeeldige' progressieve landbouwers. Daar kwam bij dat de hervormingsbeweging een flink aantal grootgrondbezitters telde, die zich nu bevestigd zagen in de rol van pionier, van wegbereider van de 'wetenschappelijke' landbouw.(13) &lt;br /&gt;
Het gevolg van een en ander was dat de beweging vrijwel geen aandacht had voor de economische problemen en mogelijkheden van het kleine landbouwbedrijf. In de visie van de hervormers was dit immers gedoemd te verdwijnen, zoals in de industrie het grootbedrijf het kleine, ambachtelijke bedrijf verdreef. Bovendien nam men aan dat kleine boeren conservatief en ongeletterd waren. Vooral in Noord-Brabant, een provincie met een groot aantal keuterboeren, was deze kloof zeer groot: de provinciale maatschappij van landbouw was in handen van een vrij kleine groep overwegend protestantse hereboeren en notabelen vooral uit de Noord-Westhoek. De grote meerderheid van (katholieke) keuterboeren stond volledig buiten soms zelfs vijandig tegenover de activiteiten van deze heren.(14)Dit verklaart mogelijk waarom de Brabantse maatschappij van landbouw in relatief opzicht zo klein bleef (tabel 2.1). In andere gebieden met veel kleine boeren deden zich vergelijkbare problemen voor. De Overijsselse boeren hadden zich slechts in kleine aantallen bij een landbouworganisatie aangesloten, zodat een afzonderlijke Overijsselse landbouwmaatschappij niet levensvatbaar bleek en men bleef samenwerken met de Gelderse organisatie.&lt;br /&gt;
Het onvermogen van de landbouwhervormers om de (kleinere) boeren te bereiken, leidde aan hun kant tot teleurstellingen. Staring, die in de jaren veertig en vijftig een zeer enthousiast pleitbezorger was van de wetenschappelijke landbouw, klaagde in de loop van de jaren zestig en zeventig steeds meer over het conservatisme van de Nederlandse boeren, die het produktieproces maar niet wilden mechaniseren.(15)Een enkel voorbeeld: in het Landbouwverslag van 1865 constateerde hij dat in Utrecht 'de ingevoerde dorschwerktuigen weder plaats maken voor de ouderwetsche Utrechtsche dorschrol, omdat deze het stroo beter zoude kneuzen en voor veevoeder geschikt maken,' maar hij liet daar dan op volgen dat 'elk wetenschappelijk landbouwer weet dat dit achteruitgang is'!&lt;br /&gt;
Een andere beperking van de hervormingsbeweging was de nog tamelijk zwakke natuurwetenschappelijke basis van een groot deel van de aanbevelingen en experimenten van de landbouwkundigen. Het fundamentele werk van de grondlegger van de moderne landbouwscheikunde, J. von Liebig, was nog omstreden en werd niet algemeen geaccepteerd.(16)Bovendien was Von Liebig zelf soms weinig gelukkig in zijn praktische analyses, zoals bij het voorbeeld van de guano nog zal laten zien. Er schortte dus nog van alles aan het inzicht in de werkelijke problemen van het landbouwbedrijf, waardoor van de aanbevelingen van de landbouwkundigen soms meer kwaad dan goeds kwam. Het wantrouwen van de (kleine) boeren jegens de aanbevelingen van de wetenschappelijke landbouwers was niet volledig ongegrond.(17) &lt;br /&gt;
Toen de agrarische depressie in de Nederlandse landbouw na ca 1880 begon, richtten de boeren zich niet massaal tot de landbouwmaatschappijen om hulp, maar werden vrijwel alle organisaties met een sterk ledenverlies geconfronteerd.(18)Dit wijst er op dat de boeren het lidmaatschap van de landbouwmaatschappij eerder zagen als een vorm van luxe-consumptie in tijden van overvloed dan als een bron van steun in moeilijke tijden.&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
Om te onderzoeken hoe innovatieprocessen in de landbouw in de praktijk verliepen, zijn in de volgende artikelen drie voorbeelden uitgewerkt, die min of meer typisch zijn voor het spectrum aan technische veranderingen in de landbouw in de periode tot 1890: [[De guano|'''de guano''']] de eerste 'kunstmest', [[De Arendploeg|'''de Arendploeg''']], een uit de Verenigde Staten geïmporteerd type ploeg, en [[De stoomploeg|'''de stoomploeg''']], een voorbeeld van een poging tot mechanisering van het landbouwbedrijf. In de theorievorming over technische veranderingen in het landbouwbedrijf wordt een onderscheid gemaakt tussen arbeidsbesparende, veelal mechanische vernieuwingen en grondbesparende, meestal biologische innovaties.(19)Beide typen zijn hier vertegenwoordigd, zoals uit de volgende artikelen zal blijken.&lt;br /&gt;
Ook in een ander opzicht verschillen de drie innovaties sterk van elkaar: de stoomploeg vroeg een zeer omvangrijke investering en was mede daardoor alleen geschikt voor het zeer grote landbouwbedrijf, terwijl de guano al in betrekkelijk kleine hoeveelheden in een kleinschalig landbouwbedrijf gebruikt kon worden. De investering die de Arendploeg vergde, lag tussen beide in. Om deze redenen geven de drie geselecteerde innovaties een aardig beeld van de problemen waar technische vernieuwingen in de landbouw in de periode voor 1890 gewoonlijk mee gepaard gingen.&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Landbouw_en_voeding_in_de_19e_eeuw</id>
		<title>Landbouw en voeding in de 19e eeuw</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Landbouw_en_voeding_in_de_19e_eeuw"/>
				<updated>2007-07-24T10:22:06Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;__NOEDITSECTION__&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[afbeelding:Beestenmarkt.JPEG|thumb|300px|right|Beestenmarkt]]&lt;br /&gt;
===Mest en ploeg===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Wetenschappelijke landbouw als vernieuwingsbeweging]]&lt;br /&gt;
*[[De guano]]&lt;br /&gt;
*[[De Arendploeg]]&lt;br /&gt;
*[[De stoomploeg]]&lt;br /&gt;
*[[De verbreiding van nieuwe technieken]]&lt;br /&gt;
[[Afbeelding:TIN19_blz75.jpeg|thumb|300px|right|Beltmolen te Gilze-Rijen]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Meel=== &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Energie en het molenbedrijf]]      &lt;br /&gt;
*[[Het malen met een windmolen]]&lt;br /&gt;
*[[Korenmolenaar als beroep]]&lt;br /&gt;
*[[De molenaar en de ambtenaar]]&lt;br /&gt;
*[[De stoomkorenmolen van Cantillon]]&lt;br /&gt;
*[[De mislukte innovatie]]&lt;br /&gt;
*[[Latere stoomkorenmolens]]&lt;br /&gt;
*[[Veranderingen in de bedrijfsvoering in het molenbedrijf]]&lt;br /&gt;
*[[De afschaffing van de accijns op het gemaal]]&lt;br /&gt;
*[[De Mouture Economique]]&lt;br /&gt;
*[[De meelfabriek in Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[Een nieuw produkt]]&lt;br /&gt;
*[[Meel en gezondheid]]&lt;br /&gt;
*[[Molenbedrijf en meelfabriek]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Boter===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Boerinnen en boerencoöperaties in de boterbereiding]]&lt;br /&gt;
*[[De Nederlandse boterhandel]]&lt;br /&gt;
*[[Botervervalsing]]&lt;br /&gt;
*[[Ontwikkelingen in Denemarken]]&lt;br /&gt;
*[[De commissie Pasma]]&lt;br /&gt;
*[[Zuivel en onderwijs]]&lt;br /&gt;
*[[De praktijk van de zuivelleraar]]&lt;br /&gt;
*[[De positie van de boerin]]&lt;br /&gt;
*[[Zuivelfabrieken in Noord Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[Zuivel in Zuid Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[Keuze tussen alternatieven]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Margarine===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Kunstboter de andere kant van de botermarkt]]&lt;br /&gt;
*[[De boterhandel van Jurgens en Van den Bergh]]&lt;br /&gt;
*[[De uitvinding van een nieuwe voedingsvet]]&lt;br /&gt;
*[[De pioniers van de margarineindustrie]]&lt;br /&gt;
*[[Het fabricageproces van oleomargarine]]&lt;br /&gt;
*[[Waarom was Nederland pioniersland]]&lt;br /&gt;
*[[De strijd om het margarine octrooi]]&lt;br /&gt;
*[[Een Nederlandse fabrikant voor een Engelse rechter]]&lt;br /&gt;
*[[De andere pioniers: de outsiders]]&lt;br /&gt;
*[[Octrooien in Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[De prijs van margarine]]&lt;br /&gt;
*[[Een nieuwe koeltechniek een nieuw produkt]]&lt;br /&gt;
*[[De Boterwet van 1889]]&lt;br /&gt;
*[[Knoeierijen in de boterhandel]]&lt;br /&gt;
*[[Boterwetten in internationaal perspectief]]&lt;br /&gt;
*[[De Nederlandse margarine industrie een eigenaardige ontwikkeling]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Bier===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Volksdrank en genotmiddel]]        [[Afbeelding:Heineken_reclameaffiche_1900.jpeg|thumb|300px|right|heineken reclame-affiche]]&lt;br /&gt;
*[[De traditionele brouwmethode]]&lt;br /&gt;
*[[De brouwnijverheid tot omstreeks 1850]]&lt;br /&gt;
*[[Vernieuwing uit Engeland]]&lt;br /&gt;
*[[Stoom en de Nederlandse brouwerijen]]&lt;br /&gt;
*[[Beheersing van het brouwproces]]&lt;br /&gt;
*[[Beieren zet de toon]]&lt;br /&gt;
*[[De accijnskwestie]]&lt;br /&gt;
*[[Smaak en kwaliteit]]&lt;br /&gt;
*[[Het Beiers bier in Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[De opmars van de ondergisting]]&lt;br /&gt;
*[[Engeland als voorloper bij de temperatuurregeling]]&lt;br /&gt;
*[[Koeling in de Nederlandse brouwerijen]]&lt;br /&gt;
*[[Na de pioniers]]&lt;br /&gt;
*[[Levendige wormen en ander ongerief]]&lt;br /&gt;
*[[De reincultuur]]&lt;br /&gt;
*[[Van ambacht naar industrie]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Suiker===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Het luxeprodukt suiker]]&lt;br /&gt;
*[[Suikeraccijns]]&lt;br /&gt;
*[[Raffinage in de eerste helft van de  negentiende eeuw]]&lt;br /&gt;
*[[Vernieuwingen in het buitenland]]&lt;br /&gt;
*[[Reacties in Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[Expansief ondernemen]]&lt;br /&gt;
*[[De Nederlandsche Handel-Maatschappij]]&lt;br /&gt;
*[[Het industrieel grootbedrijf]]&lt;br /&gt;
*[[De bietsuikerindustrie]]&lt;br /&gt;
*[[Bietsuikerfabricage in Nederland na 1813]]&lt;br /&gt;
*[[De raffinaderijen tot 1830]]&lt;br /&gt;
*[[Bietsuiker in het buitenland]]&lt;br /&gt;
*[[Een nieuwe start voor de bietsuikerindustrie]]&lt;br /&gt;
*[[De teelt van bieten tot en met de jaren 1860]]&lt;br /&gt;
*[[De teelt van bieten na 1870]]&lt;br /&gt;
*[[Kwaliteitsverbetering van bietsuiker]]&lt;br /&gt;
*[[Suikerraffinaderij en bietsuikerindustrie]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Actuele thema's op het gebied van Landbouw en voeding===&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Landbouw_en_voeding_in_de_19e_eeuw</id>
		<title>Landbouw en voeding in de 19e eeuw</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Landbouw_en_voeding_in_de_19e_eeuw"/>
				<updated>2007-07-24T10:15:47Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;__NOEDITSECTION__&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[afbeelding:Beestenmarkt.jpg|thumb|300px|right|Beestenmarkt]]&lt;br /&gt;
===Mest en ploeg===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Wetenschappelijke landbouw als vernieuwingsbeweging]]&lt;br /&gt;
*[[De guano]]&lt;br /&gt;
*[[De Arendploeg]]&lt;br /&gt;
*[[De stoomploeg]]&lt;br /&gt;
*[[De verbreiding van nieuwe technieken]]&lt;br /&gt;
[[Afbeelding:TIN19_blz75.jpeg|thumb|300px|right|Beltmolen te Gilze-Rijen]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Meel=== &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Energie en het molenbedrijf]]      &lt;br /&gt;
*[[Het malen met een windmolen]]&lt;br /&gt;
*[[Korenmolenaar als beroep]]&lt;br /&gt;
*[[De molenaar en de ambtenaar]]&lt;br /&gt;
*[[De stoomkorenmolen van Cantillon]]&lt;br /&gt;
*[[De mislukte innovatie]]&lt;br /&gt;
*[[Latere stoomkorenmolens]]&lt;br /&gt;
*[[Veranderingen in de bedrijfsvoering in het molenbedrijf]]&lt;br /&gt;
*[[De afschaffing van de accijns op het gemaal]]&lt;br /&gt;
*[[De Mouture Economique]]&lt;br /&gt;
*[[De meelfabriek in Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[Een nieuw produkt]]&lt;br /&gt;
*[[Meel en gezondheid]]&lt;br /&gt;
*[[Molenbedrijf en meelfabriek]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Boter===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Boerinnen en boerencoöperaties in de boterbereiding]]&lt;br /&gt;
*[[De Nederlandse boterhandel]]&lt;br /&gt;
*[[Botervervalsing]]&lt;br /&gt;
*[[Ontwikkelingen in Denemarken]]&lt;br /&gt;
*[[De commissie Pasma]]&lt;br /&gt;
*[[Zuivel en onderwijs]]&lt;br /&gt;
*[[De praktijk van de zuivelleraar]]&lt;br /&gt;
*[[De positie van de boerin]]&lt;br /&gt;
*[[Zuivelfabrieken in Noord Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[Zuivel in Zuid Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[Keuze tussen alternatieven]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Margarine===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Kunstboter de andere kant van de botermarkt]]&lt;br /&gt;
*[[De boterhandel van Jurgens en Van den Bergh]]&lt;br /&gt;
*[[De uitvinding van een nieuwe voedingsvet]]&lt;br /&gt;
*[[De pioniers van de margarineindustrie]]&lt;br /&gt;
*[[Het fabricageproces van oleomargarine]]&lt;br /&gt;
*[[Waarom was Nederland pioniersland]]&lt;br /&gt;
*[[De strijd om het margarine octrooi]]&lt;br /&gt;
*[[Een Nederlandse fabrikant voor een Engelse rechter]]&lt;br /&gt;
*[[De andere pioniers: de outsiders]]&lt;br /&gt;
*[[Octrooien in Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[De prijs van margarine]]&lt;br /&gt;
*[[Een nieuwe koeltechniek een nieuw produkt]]&lt;br /&gt;
*[[De Boterwet van 1889]]&lt;br /&gt;
*[[Knoeierijen in de boterhandel]]&lt;br /&gt;
*[[Boterwetten in internationaal perspectief]]&lt;br /&gt;
*[[De Nederlandse margarine industrie een eigenaardige ontwikkeling]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Bier===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Volksdrank en genotmiddel]]        [[Afbeelding:Heineken_reclameaffiche_1900.jpeg|thumb|300px|right|heineken reclame-affiche]]&lt;br /&gt;
*[[De traditionele brouwmethode]]&lt;br /&gt;
*[[De brouwnijverheid tot omstreeks 1850]]&lt;br /&gt;
*[[Vernieuwing uit Engeland]]&lt;br /&gt;
*[[Stoom en de Nederlandse brouwerijen]]&lt;br /&gt;
*[[Beheersing van het brouwproces]]&lt;br /&gt;
*[[Beieren zet de toon]]&lt;br /&gt;
*[[De accijnskwestie]]&lt;br /&gt;
*[[Smaak en kwaliteit]]&lt;br /&gt;
*[[Het Beiers bier in Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[De opmars van de ondergisting]]&lt;br /&gt;
*[[Engeland als voorloper bij de temperatuurregeling]]&lt;br /&gt;
*[[Koeling in de Nederlandse brouwerijen]]&lt;br /&gt;
*[[Na de pioniers]]&lt;br /&gt;
*[[Levendige wormen en ander ongerief]]&lt;br /&gt;
*[[De reincultuur]]&lt;br /&gt;
*[[Van ambacht naar industrie]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Suiker===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Het luxeprodukt suiker]]&lt;br /&gt;
*[[Suikeraccijns]]&lt;br /&gt;
*[[Raffinage in de eerste helft van de  negentiende eeuw]]&lt;br /&gt;
*[[Vernieuwingen in het buitenland]]&lt;br /&gt;
*[[Reacties in Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[Expansief ondernemen]]&lt;br /&gt;
*[[De Nederlandsche Handel-Maatschappij]]&lt;br /&gt;
*[[Het industrieel grootbedrijf]]&lt;br /&gt;
*[[De bietsuikerindustrie]]&lt;br /&gt;
*[[Bietsuikerfabricage in Nederland na 1813]]&lt;br /&gt;
*[[De raffinaderijen tot 1830]]&lt;br /&gt;
*[[Bietsuiker in het buitenland]]&lt;br /&gt;
*[[Een nieuwe start voor de bietsuikerindustrie]]&lt;br /&gt;
*[[De teelt van bieten tot en met de jaren 1860]]&lt;br /&gt;
*[[De teelt van bieten na 1870]]&lt;br /&gt;
*[[Kwaliteitsverbetering van bietsuiker]]&lt;br /&gt;
*[[Suikerraffinaderij en bietsuikerindustrie]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Actuele thema's op het gebied van Landbouw en voeding===&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Landbouw_en_voeding_in_de_19e_eeuw</id>
		<title>Landbouw en voeding in de 19e eeuw</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Landbouw_en_voeding_in_de_19e_eeuw"/>
				<updated>2007-07-24T10:11:10Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;__NOEDITSECTION__&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[afbeelding:Beestenmarkt.jpeg|thumb|300px|right|Beestenmarkt]]&lt;br /&gt;
===Mest en ploeg===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Wetenschappelijke landbouw als vernieuwingsbeweging]]&lt;br /&gt;
*[[De guano]]&lt;br /&gt;
*[[De Arendploeg]]&lt;br /&gt;
*[[De stoomploeg]]&lt;br /&gt;
*[[De verbreiding van nieuwe technieken]]&lt;br /&gt;
[[Afbeelding:TIN19_blz75.jpeg|thumb|300px|right|Beltmolen te Gilze-Rijen]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Meel=== &lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Energie en het molenbedrijf]]      &lt;br /&gt;
*[[Het malen met een windmolen]]&lt;br /&gt;
*[[Korenmolenaar als beroep]]&lt;br /&gt;
*[[De molenaar en de ambtenaar]]&lt;br /&gt;
*[[De stoomkorenmolen van Cantillon]]&lt;br /&gt;
*[[De mislukte innovatie]]&lt;br /&gt;
*[[Latere stoomkorenmolens]]&lt;br /&gt;
*[[Veranderingen in de bedrijfsvoering in het molenbedrijf]]&lt;br /&gt;
*[[De afschaffing van de accijns op het gemaal]]&lt;br /&gt;
*[[De Mouture Economique]]&lt;br /&gt;
*[[De meelfabriek in Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[Een nieuw produkt]]&lt;br /&gt;
*[[Meel en gezondheid]]&lt;br /&gt;
*[[Molenbedrijf en meelfabriek]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Boter===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Boerinnen en boerencoöperaties in de boterbereiding]]&lt;br /&gt;
*[[De Nederlandse boterhandel]]&lt;br /&gt;
*[[Botervervalsing]]&lt;br /&gt;
*[[Ontwikkelingen in Denemarken]]&lt;br /&gt;
*[[De commissie Pasma]]&lt;br /&gt;
*[[Zuivel en onderwijs]]&lt;br /&gt;
*[[De praktijk van de zuivelleraar]]&lt;br /&gt;
*[[De positie van de boerin]]&lt;br /&gt;
*[[Zuivelfabrieken in Noord Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[Zuivel in Zuid Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[Keuze tussen alternatieven]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Margarine===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Kunstboter de andere kant van de botermarkt]]&lt;br /&gt;
*[[De boterhandel van Jurgens en Van den Bergh]]&lt;br /&gt;
*[[De uitvinding van een nieuwe voedingsvet]]&lt;br /&gt;
*[[De pioniers van de margarineindustrie]]&lt;br /&gt;
*[[Het fabricageproces van oleomargarine]]&lt;br /&gt;
*[[Waarom was Nederland pioniersland]]&lt;br /&gt;
*[[De strijd om het margarine octrooi]]&lt;br /&gt;
*[[Een Nederlandse fabrikant voor een Engelse rechter]]&lt;br /&gt;
*[[De andere pioniers: de outsiders]]&lt;br /&gt;
*[[Octrooien in Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[De prijs van margarine]]&lt;br /&gt;
*[[Een nieuwe koeltechniek een nieuw produkt]]&lt;br /&gt;
*[[De Boterwet van 1889]]&lt;br /&gt;
*[[Knoeierijen in de boterhandel]]&lt;br /&gt;
*[[Boterwetten in internationaal perspectief]]&lt;br /&gt;
*[[De Nederlandse margarine industrie een eigenaardige ontwikkeling]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Bier===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Volksdrank en genotmiddel]]        [[Afbeelding:Heineken_reclameaffiche_1900.jpeg|thumb|300px|right|heineken reclame-affiche]]&lt;br /&gt;
*[[De traditionele brouwmethode]]&lt;br /&gt;
*[[De brouwnijverheid tot omstreeks 1850]]&lt;br /&gt;
*[[Vernieuwing uit Engeland]]&lt;br /&gt;
*[[Stoom en de Nederlandse brouwerijen]]&lt;br /&gt;
*[[Beheersing van het brouwproces]]&lt;br /&gt;
*[[Beieren zet de toon]]&lt;br /&gt;
*[[De accijnskwestie]]&lt;br /&gt;
*[[Smaak en kwaliteit]]&lt;br /&gt;
*[[Het Beiers bier in Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[De opmars van de ondergisting]]&lt;br /&gt;
*[[Engeland als voorloper bij de temperatuurregeling]]&lt;br /&gt;
*[[Koeling in de Nederlandse brouwerijen]]&lt;br /&gt;
*[[Na de pioniers]]&lt;br /&gt;
*[[Levendige wormen en ander ongerief]]&lt;br /&gt;
*[[De reincultuur]]&lt;br /&gt;
*[[Van ambacht naar industrie]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Suiker===&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*[[Het luxeprodukt suiker]]&lt;br /&gt;
*[[Suikeraccijns]]&lt;br /&gt;
*[[Raffinage in de eerste helft van de  negentiende eeuw]]&lt;br /&gt;
*[[Vernieuwingen in het buitenland]]&lt;br /&gt;
*[[Reacties in Nederland]]&lt;br /&gt;
*[[Expansief ondernemen]]&lt;br /&gt;
*[[De Nederlandsche Handel-Maatschappij]]&lt;br /&gt;
*[[Het industrieel grootbedrijf]]&lt;br /&gt;
*[[De bietsuikerindustrie]]&lt;br /&gt;
*[[Bietsuikerfabricage in Nederland na 1813]]&lt;br /&gt;
*[[De raffinaderijen tot 1830]]&lt;br /&gt;
*[[Bietsuiker in het buitenland]]&lt;br /&gt;
*[[Een nieuwe start voor de bietsuikerindustrie]]&lt;br /&gt;
*[[De teelt van bieten tot en met de jaren 1860]]&lt;br /&gt;
*[[De teelt van bieten na 1870]]&lt;br /&gt;
*[[Kwaliteitsverbetering van bietsuiker]]&lt;br /&gt;
*[[Suikerraffinaderij en bietsuikerindustrie]]&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
===Actuele thema's op het gebied van Landbouw en voeding===&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten</id>
		<title>Noten</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten"/>
				<updated>2007-06-20T11:15:56Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;'''Landbouw en voeding in de 19e eeuw'''&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[Noten TIN19-1-H2|Techniek in Nederland in de Negentiende eeuw Deel I H2]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN19-1-H3|Techniek in Nederland in de Negentiende eeuw Deel I H3]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN19-1-H4|Techniek in Nederland in de Negentiende eeuw Deel I H4]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN19-1-H5|Techniek in Nederland in de Negentiende eeuw Deel I H5]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN19-1-H6|Techniek in Nederland in de Negentiende eeuw Deel I H6]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN19-1-H7|Techniek in Nederland in de Negentiende eeuw Deel I H7]]&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Transport en mobiliteit in de 19e eeuw'''&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN19-2-H7|Techniek in Nederland in de Negentiende eeuw Deel II H7]]&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Landbouw en voeding in de 20e eeuw'''&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[Noten TIN20-3-H1|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H1]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN20-3-H2|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H2]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN20-3-H3|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H3]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN20-3-H4|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H4]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN20-3-H5|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H5]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN20-3-H6|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H6]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN20-3-H7|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H7]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN20-3-H8|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H8]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN20-3-H9|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H9]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten TIN20-3-H10|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H10]]&amp;lt;br&amp;gt;&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
'''Transport en mobiliteit in de 20e eeuw'''&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[Noten H1|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel V H1]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten H2|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel V H2]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten H3|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel V H3]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten H4|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H4]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten H5|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H5]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten H6|Techniek in Nederland in de Twintigste eeuw Deel III H6]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
[[Noten Made in Holland|Made in Holland H12]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
[[Noten Gedreven door Nieuwsgierigheid|Gedreven door Nieuwsgierigheid H15]]&amp;lt;br&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-2-H7</id>
		<title>Noten TIN19-2-H7</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-2-H7"/>
				<updated>2007-06-20T11:13:43Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk H7''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-1&amp;gt;[1] H.J.Dyos and D.H.Aldcroft, British transport. An economic survey from the seventeenth century to the twentieth (Harmondsworth 1974); Michael Robbins, The railway age (Harmondsworth 1965); C.Hamilton Ellis, British railway history. An outline from the accession of William iv to the nationalisation of railways, vol.1, 1830-1876. (London 1954).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-2&amp;gt;[2] G.Biddle, The railway surveyors. The story of railway property management 1800-1990 (London 1990), 60-64. Over vader en zoon Stephenson zie: L.T.C.Rolt, George and Robert Stephenson. The railway revolution (Harmondsworth 1978) en Michael Robbins, George &amp;amp; Robert Stephenson (London 1980).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-3&amp;gt;[3] Dyos/Aldcroft, British transport, 143.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-4&amp;gt;[4] Voor Frankrijk zie: Yves Leclercq, Le réseau impossible; la résistance au système des grandes compagnies ferroviaires et la politique économique en France, 1820-1850 (Genève 1987) en Cecil O.Smith, Jr.,_The longest run: Public engineers and planning in France_, in: The American Historical Review, vol.95, nr.3 (June 1990), 657-692.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-5&amp;gt;[5] Voor Duitsland: K.E.Maedel, Das Eisenbahn-Jahrhundert. Die Grosze Zeit der Dampflokomotiven. Deutsche Eisenbahngeschichte in Wort und Bild (Stuttgart 1973), 16. Over Friedrich List: H.Weigelt. _Friedrich List und das Verkehrswesen seiner Zeit_, in: Jahrbuch für Eisenbahngeschichte 23 (1991), 5-16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-6&amp;gt;[6] Maedel, Eisenbahn-Jahrhundert, 26-31; W.Klee, Preussische Eisenbahngeschichte (Stuttgart-Berlin-Köln-Mainz 1982); W.Steitz, Die Entstehung der Köln-Mindener Eisenbahngesellschaft. Ein Beitrag zur Frühgeschichte der Deutschen Eisenbahnen und des Preussischen Aktienwesens. Schriften zur Rheinisch-Westfälischen Wirtschaftsgeschichte, Band 27 (Köln 1974).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-7&amp;gt;[7] Voor België: A. de Laveleye, Histoire des vint-cinq premières années des chemins de fer belges (Bruxelles-Paris 1862); U.Lamalle, Histoire des chemins de fer belges (Bruxelles 1953).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-8&amp;gt;[8] S.Boom en P.Saal, _Spoorwegaanleg en het beeld van de eerste helft van de negentiende eeuw_, in: Economisch- en Sociaal-Historisch Jaarboek, 46 (1983), 5-25. Over de verbinding van Amsterdam en Rotterdam met het Duitse achterland: J.H.Schawacht, Schiffahrt und Güterverkehr zwischen den Häfen des deutschen Niederrhein und Rotterdam vom Ende des 18. bis zur Mitte des 19. Jahrhunderts (Köln 1973); J.F.E.Bläsing, Das goldene Delta und sein eisernes Hinterland 1815-1851. Von niederländisch-preussischen zu deutsch-niederländischen Wirtschaftsbeziehungen (Leiden 1973); H.P.A.Nusteling, De Rijnvaart in het tijdperk van stoom en steenkool, 1831-1914 (Amsterdam 1974).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-9&amp;gt;[9] J. de Vries, Barges and capitalism; passenger transportation in the Dutch economy 1632-1839 (Utrecht 1981).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-10&amp;gt;[10] W.Fritschy, _Spoorwegaanleg in Nederland van 1831 tot 1845 en de rol van de Staat_, in: Economisch en Sociaal-Historisch Jaarboek 46 (1983), 180-227.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-11&amp;gt;[11] M.G. de Boer, Leven en bedrijf van Gerhard Moritz Roentgen, grondvester van de Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij thans Maatschappij voor Scheeps- en Werktuigbouw _Fijenoord_ 1823-1923 (S.l. 1923).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-12&amp;gt;[12] W. van der Ham, Tot gerief van de reiziger. Vier eeuwen Amsterdam-Haarlem (_s-Gravenhage 1989), 55-56.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-13&amp;gt;[13] Nog steeds onmisbaar is het overzicht van J.H.Jonckers Nieboer, Geschiedenis der Nederlandsche Spoorwegen 1832-1938. Tweede druk (Rotterdam 1938). Nuttig is ook: W.van den Broeke, _Het spoor terug gevolgd. De eerste honderd jaar (1839-1939)_, en van dezelfde auteur _Preludium op een vijfsporenbeleid (1839-1939)_, in: J.A.Faber,red. Het Spoor. 150 jaar spoorwegen in Nederland (Amsterdam-Utrecht 1989), 11-51 en 52-85. Een overzicht van data van opening en sluiting van lijnen in: J.W.Sluiter, Beknopt overzicht van de Nederlandse spoor- en tramwegbedrijven. 2e druk (Leiden 1967). &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-14&amp;gt;[14] J.A. de Jonge, _Overheidsfinanciën_, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, 12 (Haarlem 1977), 55-58.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-15&amp;gt;[15] W.A.Reiger, _Financiën_, in: P.H.Ritter, red. Eene Halve Eeuw 1848-1898 (Amsterdam 1898), 195-216; J.A. de Jonge, De industrialisatie in Nederland tussen 1850 en 1914 (Amsterdam 1968), 313-315.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-16&amp;gt;[16] W.C.Brade, Theoretisch en practisch bouwkundig handboek. 4 dln. in 1 band, 1e druk (_s-Gravenhage 1827-1834); 2e druk (_s-Gravenhage 1842).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-17&amp;gt;[17] Jonckers Nieboer, Geschiedenis, 20-29; zie ook het officiële gedenkboek van de hijsm: Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij 1839-1889 (Amsterdam 1889).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-18&amp;gt;[18] Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij 1839-1889 (Amsterdam 1889), 19-22.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-19&amp;gt;[19] L.T.C.Rolt, Isambard Kingdom Brunel, a biography (London 1957).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-20&amp;gt;[20] Hamilton Ellis, British Railway History, 105-107.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-21&amp;gt;[21] Een goede biografie van Conrad ontbreekt nog; zie over hem Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, 2 (Leiden 1912), 314-320.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-22&amp;gt;[22] G.F. van Reeuwijk, De breedspoorlokomotieven van de hijsm (Alkmaar 1985), 26.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-23&amp;gt;[23] Boom/Saal, _Spoorwegaanleg_, 17.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-24&amp;gt;[24] Biddle, Railway surveyors, 83-104.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-25&amp;gt;[25] Hollandsche IJzeren Spoorweg, 52.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-26&amp;gt;[26] Conrad beschreef zelf de spoorbruggen in de lijn Amsterdam-Rotterdam in De Nederlandsche Stoompost, 2e jrg.(1847).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-27&amp;gt;[27] H.Romers, De Spoorwegarchitectuur in Nederland 1841-1938 (Zutphen 1981), 16-24.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-28&amp;gt;[28] Romers, Spoorwegarchitectuur, 16, is van mening dat Amsterdam Willemspoort door Conrad ontworpen is, terwijl Van Reeuwijk, Breedspoorlokomotieven, 112, Outshoorn als zodanig noemt.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-29&amp;gt;[29] J.G.H.Warren, A century of locomotive building by Robert Stephenson &amp;amp; Co. 1823-1923. Reprint (Newton Abbot 1970), 53 vlg.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-30&amp;gt;[30] Van Reeuwijk, Breedspoorlokomotieven, 35-36.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-31&amp;gt;[31] Warren, A century of locomotive building, 311 vlg.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-32&amp;gt;[32] James W.Lowe, British steam locomotive builders. 2nd ed. ( Hinckley 1989), 431-438.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-33&amp;gt;[33] J.J.Teyler van Hall was een neef van C.C. van Hall, de adjunct-werktuigkundige van de hijsm, en van F.A. van Hall, de advocaat van de maatschappij en later minister van Financiën. Nederland_s Patriciaat 24 (1938).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-34&amp;gt;[34] Van Reeuwijk, Breedspoorlokomotieven, 51-52.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-35&amp;gt;[35] Brian Reed, 150 years of British steam locomotives (Newton Abbot 1975), 51.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-36&amp;gt;[36] Zie over de fabriek van Verveer: W.H.P.M. van Hooff, In het rijk van de Nederlandse Vulcanus. De Nederlandse machinenijverheid 1825-1914, een historische bedrijfstakverkenning (Amsterdam 1990), 74, 98, 221.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-37&amp;gt;[37] C.C. van Hall was de auteur van Handleiding tot de kennis van de verschillende soorten van locomotieven, benevens praktische voorschriften tot het geleiden van dezelve (Haarlem 1844).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-38&amp;gt;[38] Zie over de Nederlandse stoomlocomotieven in het algemeen: H.Waldorp,  Onze Nederlandse stoomlocomotieven in woord en beeld. 7e druk (Alkmaar 1986).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-39&amp;gt;[39] Warren, A century of locomotive building, 346 vlg.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-40&amp;gt;[40] Zie over Van Hasselt: N.H.Nierstrasz, _A.K.P.F.R. van Hasselt_, in: Mannen en Vrouwen van Beteekenis, deel xl, afl. 8 (1908). Over G.A.A.Middelberg: A.J.Veenendaal jr., _Gerrit Middelberg, een veelzijdig spoorwegingenieur uit de 19e eeuw_, in: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek, 1 (1984), 231-255.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-41&amp;gt;[41] Van Reeuwijk, Breedspoorlokomotieven, 41-59. Zie ook N.J. van Wijck Jurriaanse, De Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij, 1 (Rotterdam 1975), 21-34.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-42&amp;gt;[42] Van der Ham,Tot gerief van de reiziger, 33.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-43&amp;gt;[43] Marie-Anne Asselberghs, Het ijzeren paard. Versierd verslag van de lotgevallen van de stoomlocomotief (Amsterdam 1959), 63-64.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-44&amp;gt;[44] H.Klompmaker en D.Mulder, _De treinreiziger in de literatuur. Een historisch consumentenonderzoek aan de hand van Nederlandse literatuur 1830-1980_, in: ehjb 48 (1985), 169-181. Zie ook: W.Hansen, ed., Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen (Amsterdam 1989).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-45&amp;gt;[45] W.J.M.Benschop, Eduard Wenckebach en de Hollandse IJzeren Spoorwegmaatschappij als baanbrekers voor de openbare telegrafie in Nederland (_s-Gravenhage 1957). Zie ook Hollandsche IJzeren Spoorweg, 77-78.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-46&amp;gt;[46] W.C.P. van Reede van Oudtshoorn, _Beschrijving van de brug in den Rijnspoorweg, over den IJssel bij Westervoort_, in: Verhandelingen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1856-1857, 4-28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-47&amp;gt;[47] J.G.W.Fijnje, _Beschrijving van de brug over de rivier de Mark, in den spoorweg van Antwerpen naar Rotterdam_, in: Verhandelingen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1855-1856, 200-204; J.J. van Kerkwijk, _Over het gebruik van het elektrisch licht bij het stellen van de ijzeren draaibrug over de rivier de Mark, in den spoorweg van Antwerpen naar Rotterdam_, in: Ibidem, 205-208.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-48&amp;gt;[48] A.J.Veenendaal jr., _De kennisoverdracht op het gebied van de spoorwegtechniek in Nederland 1830-1870_, in: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek JbGBT 7 (1990), 54-82, waarin korte biografiën van de vooraanstaande Nederlandse spoorwegingenieurs.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-49&amp;gt;[49] Terry Coleman, The railway navvies. A history of the men who made the railways (Harmondsworth 1968).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-50&amp;gt;[50] A.Doedens en L.Mulder, Een spoor van verandering. Nederland en 150 jaar spoorwegen (1839-1989) (Baarn 1989), 127-128.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-51&amp;gt;[51] A.J.C.Rüter, ed. Rapporten van de gouverneurs in de provinciën 1840-1849, deel ii. Werken uitgegeven door het Historisch Genootschap, derde serie, no.77 (Utrecht 1949) 89-94; Doedens/Mulder, Spoor van verandering, 125.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-52&amp;gt;[52] Het reglement van de hijsm is afgedrukt in Hollandsche IJzeren Spoorweg, 22-32.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-53&amp;gt;[53] Zie over de financiering van de spoorwegen: W. van den Broeke, Financiën en financiers van de Nederlandse spoorwegen 1837-1890 (Zwolle 1985).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-54&amp;gt;[54] De dividenden van de hijsm zijn opgesomd in: Hollandsche IJzeren Spoorweg, Bijlage E.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-55&amp;gt;[55] Voor de bedrijfsresultaten van de nrs zie: Van den Broeke, Financiën, 254-255.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-56&amp;gt;[56] H.Pollins, Britain_s railways: An industrial history (Newton Abbot 1971), 41; Van den Broeke, Financiën, 186-187.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-57&amp;gt;[57] A.H.Jenniskens, Het Spoor. Honderdvijftig jaar spoorweggeschiedenis Maastricht (Maastricht 1985). Zie ook M.Hartgerink-Koomans, _Een spoorlijn voor Nederlandss Limburg_, in: Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden xvii (1962), 83-89.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-58&amp;gt;[58] M.Hartgerink-Koomans, _De Zuiderlijnen. Opzet en bestrijding der spoorlijnen beneden de grote rivieren_, in: Economisch Historisch Jaarboek ehjb, 30 (1965) 3-76, hier speciaal 32-40; zie ook van dezelfde auteur: _Handelsbetrekkingen en spoorwegverbindingen in de eerste helft der 19de eeuw. Plannen tot spoorwegbouw in de Noord-Oostelijke provincies 1845-1854_, in: Economisch Historisch Jaarboek ehjb 26 (1956) 1-72.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-59&amp;gt;[59] N.J. van Wijck Jurriaanse, De Nederlandsche Centraal Spoorwegmaatschappij (Rotterdam 1973).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-60&amp;gt;[60] Hartgerink-Koomans, _Zuiderlijnen_, 67.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-61&amp;gt;[61] H.Lintsen, Ingenieurs in Nederland in de negentiende eeuw. Een streven naar erkenning en macht (_s-Gravenhage 1980), 172-177.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-62&amp;gt;[62] Hartgerink-Koomans, _Zuiderlijnen_, 72.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-63&amp;gt;[63] R.P.J.Tutein Nolthenius, _Onze Openbare Werken_, in: P.H.Ritter, ed. Eene Halve Eeuw 1848-1898 (Amsterdam 1898), 233-248, hier speciaal 240-241.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-64&amp;gt;[64] Sir John Rennie (1794-1874), bekend Engels ingenieur, was in de jaren veertig bezig geweest met de opneming van een spoorlijn Vlissingen-Bergen op Zoom, en daarna betrokken bij een landaanwinningsproject op Zuid-Beveland. Hartgerink-Koomans, _Zuiderlijnen_, 24.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-65&amp;gt;[65] L.G.J. Verberne, Geschiedenis van Nederland in de jaren 1850-1925. Deel i, 3e druk (Utrecht-Antwerpen 1957), 86.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-66&amp;gt;[66] I.J.Brugmans, Paardenkracht en mensenmacht. Sociaal-economische geschiedenis van Nederland 1795-1940 (_s-Gravenhage 1961), 228.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-67&amp;gt;[67] Jonckers Nieboer, Geschiedenis, 120.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-68&amp;gt;[68] E.H.Stieltjes, _Overzicht van de ontwikkeling van het spoorwegnet in Nederland_, in: Gedenkboek, uitgegeven ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1847-1897 (_s-Gravenhage 1897), 63-71.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-69&amp;gt;[69] Zie Veenendaal, _Kennisoverdracht_, speciaal 76-82 voor een levensbeschrijving van de betrokken ingenieurs.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-70&amp;gt;[70] Zie voor de tegenstellingen tussen burgerlijke en militaire ingenieurs: Lintsen, Ingenieurs, 253 vlg.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-71&amp;gt;[71] R.A. van Sandick, _De verdiensten van Nederlandsche ingenieurs als ontwerpers der bruggen te Zutphen en Venlo (1861)_, in: De Ingenieur 33 (1918), 290.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-72&amp;gt;[72] W.F.Leemans, _IJsopruiming op rivieren en open houden bij vorst, van den toegang tot Amsterdam uit zee_, in: Gedenkboek kivi, 25-30, hier speciaal 25-28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-73&amp;gt;[73] 75 Jahre Deutscher Brückenbau, herausgegeben von der Gesellschaft Harkort Duisburg aus Anlass ihres 50 jährigen Bestehens (Duisburg 1922), 37. Dat de bruggen bij Dirschau in Nederland de aandacht trokken blijkt wel uit: G.G. van der Hoeven, _De bruggen over de Weichsel bij Dirschau en over de Nogat bij Marienburg_, in: Verhandelingen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1856-1857, 29-40.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-74&amp;gt;[74] 75 Jahre Deutscher Brückenbau, 42.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-75&amp;gt;[75] Zie voor een overzicht van alle spoorbruggen: Jhr. P.H.A.Martini Buys, _Gegevens omtrent de spoorwegbruggen, in Nederland over groote rivieren en kanalen, gebouwd in de tweede helft der xixde eeuw_, in: Gedenkboek kivi, 90-93. Over de Culemborgse brug: G.J.L.Koolhof, De spoorbrug bij Culemborg 1868-1982 (Culemborg 1982). Over Van Diesen: Biografisch Woordenboek van Nederland, 1 (_s-Gravenhage 1979), 142-143.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-76&amp;gt;[76] Zie over Nierstrasz: Biografisch Woordenboek van Nederland, 2 (Amsterdam 1985), 402-404. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-77&amp;gt;[77] De afdamming der Oosterschelde_, in: Onze Tijd, nieuwe serie, jrg.3, deel ii (1868), 310-324. Over het zandvervoer: P.J.Neyt, _Over het vervoeren van grond per locomotief_, in: Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1870-1871, 259-289.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-78&amp;gt;[78] W.F.Stoel, _Afdamming van het Sloe met de kanalen door Walcheren en door Zuid-Beveland_, in: Gedenkboek kivi, 45-47.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-79&amp;gt;[79] H.C.Arbouw en J.R.Bos, Schakel tussen Noord en Zuid. Geschiedenis van de spoorwegen op het Eiland van Dordrecht. Kwartaal &amp;amp; Teken extra 11 (Dordrecht 1989), 22-27.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-80&amp;gt;[80] J.L.Cluijsenaer, _De overbrugging van het Hollandsch Diep_, in: Onze Tijd, nieuwe serie, jrg.7, deel I (1872), 193-292.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-81&amp;gt;[81] Over het faillissement van de Koninklijke Fabriek, zie: M.G. de Boer, Honderd jaar machine-industrie op Oostenburg Amsterdam (Amsterdam 1927), 63-73.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-82&amp;gt;[82] N.H.Nierstrasz, De spoorweg Nijmegen-Arnhem met de overbrugging van de Waal en den Rijn (_s-Hertogenbosch 1869).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-83&amp;gt;[83] J.Schroeder van der Kolk, _Bouw, onderzoek en onderhoud der metalen spoorwegbruggen_, in: Gedenkboek kivi, 93-97.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-84&amp;gt;[84] De eerste secretaris van de Staatsspoorwegen beschrijft in zijn memoires de vormingsjaren van de maatschappij: H.P.G.Quack, Herinneringen uit de levensjaren van Mr.H.P.G.Quack 1834-1914. 2e druk (Amsterdam 1915), 99-121. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-85&amp;gt;[85] [R.A. van Sandick], _De eerste jaren der Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen_, in: De Ingenieur 18 (1903), 735-737.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-86&amp;gt;[86] R.L.Hills and D.Patrick, Beyer, Peacock locomotive builders to the world (Glossop 1982), 45-46.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-87&amp;gt;[87] Zie voor een algemene theorie: A.D.Chandler, The visible hand: managerial revolution in American business. 2nd edition (Cambridge, Mass. 1978) speciaal 79-206. Voor de Verenigde Staten is ook van belang: Walter Licht, Working for the railroad. The organization of work in the nineteenth century (Princeton, N.J. 1983). Voor Nederland: P.W.N.M.Dehing, _...Eene soort van dynastie van spoorwegbeambten_. Arbeidsmarkt en spoorwegen in Nederland, 1875-1914 (Hilversum 1989).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-88&amp;gt;[88] Veenendaal, _Gerrit Middelberg_, 238.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-89&amp;gt;[89] Hollandsche IJzeren Spoorweg, 55-56.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-90&amp;gt;[90] [R.A. van Sandick], _De eerste jaren_, 736.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-91&amp;gt;[91] De in 1869 door het Verein goedgekeurde regels voor de aanleg van buurtspoorwegen, werden in Nederland gepubliceerd als: _Grondregelen voor de inrigting van buurtspoorwegen_, in: Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1869-1870, 109-130.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-92&amp;gt;[92] E.H.Baucke, De goedkoope aanleg van lokaalspoorwegen, door een voorbeeld in Nederland toegelicht (Deventer 1872). Het voorbeeld is de lijn Deventer-Almelo.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-93&amp;gt;[93] G. van Diesen, _Lokale Spoorwegen_, in: De Gids juli 1872, 109-132.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-94&amp;gt;[94] H.C.Bosscha, Beschouwingen over lokale spoorwegen (Groningen 1873).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H7</id>
		<title>Noten TIN19-1-H7</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H7"/>
				<updated>2007-06-20T11:12:59Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk H7''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-1&amp;gt;[1] Sidney W. Mintz, Sweetness and power. The place of sugar in modern history (Harmondsworth 1986), 14-16, 17, 229-230.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-2&amp;gt;[2] Handelingen Tweede Kamer, 1854/55, Bijlage 611.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-3&amp;gt;[3] Handelingen Tweede Kamer, 1854/55, Bijlagen, p. 820.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-4&amp;gt;[4] Handelingen Tweede Kamer, 1854/55, Bijlagen, p. 611.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-5&amp;gt;[5] H.G. Prinsen Geerligs, Geschiedenis van de wetgeving op beetwortelsuiker in de verschillende produktielanden in Europa en haar invloed op de suikerproduktie en -consumptie (Amsterdam 1911), passim.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-6&amp;gt;[6] Doorman, Het Nederlandsch octrooiwezen, nr. 06.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-7&amp;gt;[7] E.O. von Lippmann, Geschichte des Zuckers (Berlin 1929), 633.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-8&amp;gt;[8] Poutet, Nouveau manuel du raffineur de sucre (Marseille 1826), 47; zie ook Bousquet, Notice historique et statistique sur le commerce du noir animal résidu de raffinerie de sucre.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-9&amp;gt;[9] Poutet, Nouvel manuel, 7; B. Dureau, La question des sucres considé_é du point de vue scientifique, économique et industriel (Paris, ....), 66.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-10&amp;gt;[10] Chandelet, Art du raffineur, ou traité théorique et pratique du raffinage de sucre de cannes (Paris 1828), 98.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-11&amp;gt;[11] British Patent 3745 (30 nov. 1813).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-12&amp;gt;[12] Howard was zelf geparenteerd aan de Dukes of Norfolk en getrouwd met een raffinadeursdochter. Al eerder had hij zich met het zuiveren van ruwsuiker beziggehouden, maar een ander terrein van zijn belangstelling waren de natuurwetenschappen: hij had enkele ontdekkingen op het gebied van de scheikunde op zijn naam staan en was raadgevend scheikundige bij de West Indian Association of Planters. N. Deerr and A. Brooks, &amp;lt;Development of the practice of evaporation, with special reference to the sugar industry&amp;gt;, in: Transactions of the Newcomen Society (1942), 4.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-13&amp;gt;[13] Chandelet, Art du raffineur, 121-122: 107.000 + 10.000 francs voor een stoomwerktuig van 4 pk; A. Leon, Raffinage du sucre par la cuisson au bain de vapeur et dans le vide (Paris 1827) noemt een bedrag van £ 3000, ongeveer ¦ 43.000, maar Leon heeft volgens Chandelet een veel te optimistisch beeld geschetst.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-14&amp;gt;[14] E.O. von Lippmann, Abhandlungen und Vorträge zur Geschichte der Naturwissenschaften und Technik (Berlin 1919), ii, 401 e.v.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-15&amp;gt;[15] Chandelet, Art du raffineur; A. Leon, Mémoire sur les avantages que présente l'appareil de Howard pour raffiner le sucre (Paris 1828).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-16&amp;gt;[16] A. Leon, Mémoire.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-17&amp;gt;[17] J. Baxa, Die Zuckererzeugung, 1600-1850 (Jena 1937), 86.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-18&amp;gt;[18] E. Degrand, &amp;lt;Raffinage du sucre. Des appareils pour évaporer les dissolutions de sucre à l'abri de la pression atmosphérique et du procédé nouveau inventé par M. Degrand&amp;gt;, in: Annales des Sciences et de l'Industrie du Midi de la France, Vol. iii (1832), 129-137.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-19&amp;gt;[19] Ch. Derosne et Cail, De la fabrication du sucre aux colonies et des nouveaux appareils propres à améliorer cette fabrication, 2ème partie, 2ème section (z.p. 1844), 143 e.v.. Verder ook: John A. Leon, The art of manufacturing and refining sugar (London 1850), 20.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-20&amp;gt;[20] Schaumann, Technik und technischer Fortschritt, 124-125 en 149-151: de eerste echte Howard-kookpan werd in Keulen, een raffinage-centrum, pas in 1842 geïnstalleerd, nadat een raffinadeur persoonlijk naar Engeland was gegaan. In 1830 was in Duisburg een vacuümpan van een eenvoudiger type geplaatst, in 1836 volgde een Keulse raffinaderij, in 1839 nog twee andere.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-21&amp;gt;[21] Reisig, De suikerraffinadeur, 31.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-22&amp;gt;[22] Brugmans, Statistieken, ii, 852-853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-23&amp;gt;[23] Keur van 23 november 1663, Handvest 3e deel, pag. 996, par. 2, art. 1.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-24&amp;gt;[24] Reesse, De suikerhandel, ii, 16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-25&amp;gt;[25] Gemeentearchief Amsterdam, archief Publieke Werken, 1830, doss. 754.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-26&amp;gt;[26] Ibidem, 1834, doss. 98.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-27&amp;gt;[27] Ibidem, 1834, doss. 140.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-28&amp;gt;[28] Doorman, Nederlandsch octrooiwezen, nr. 588; zie ook ara, archief Ministerie van Binnenlandse Zaken, Onderwijs, inv. nr. 4611, stuk 4 nov. 1834.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-29&amp;gt;[29] Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid, 1836, 251-257.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-30&amp;gt;[30] Gemeentearchief Amsterdam, archief Publieke Werken, 1835, doss. 527.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-31&amp;gt;[31] Gemeentearchief Amsterdam, archief Publieke Werken, 1835, doss. 719.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-32&amp;gt;[32] Ibidem, 1835, doss. 358: hij had er eerst een klein, 6 pk lage druk-keteltje geplaatst dat &amp;lt;niet strekt om eene volledige stoomraffinaderij met daartoe behorende stoomwerktuig en verder toestel volgens de methode van Howard opterigten&amp;gt; maar &amp;lt;om de suiker door de stoom te smelten of te kooken.&amp;gt; In 1836 werd hier toch een pelletan vacuümpan met een stoomketel van 30 pk en hoge druk bijgezet. Ibidem, 1836, doss. 209.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-33&amp;gt;[33] Ibidem, 1836, doss. 28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-34&amp;gt;[34] Werkspoor-museum, Amsterdam, contracten Van Vlissingen, Dudok van Heel met Fisler &amp;amp; Tetterode, 8 april 1836.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-35&amp;gt;[35] Gemeentearchief Amsterdam, archief Van der Masch-Spakler, inv. nr. 85.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-36&amp;gt;[36] Ibidem, inv. nr. 14: Balans per 31-7-1842.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-37&amp;gt;[37] Gemeentearchief Amsterdam, N.19.01: los inliggende Engelse brief met tekening.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-38&amp;gt;[38] Gemeentearchief Amsterdam, archief Publieke Werken, 1844, doss. 1076.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-39&amp;gt;[39] Reesse, De suikerhandel, ii, p....&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-40&amp;gt;[40] Verslagen Kamer van Koophandel Amsterdam, 1859-1870.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-41&amp;gt;[41] Verslag Kamer van Koophandel Amsterdam, 1864.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-42&amp;gt;[42] Bakker, Ondernemerschap, hoofdstuk iv.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-43&amp;gt;[43] Timmer, &amp;lt;Beetwortelcultuur&amp;gt;, 126.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-44&amp;gt;[44] Reesse, De suikerhandel, i, 251-253.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-45&amp;gt;[45] Verleende licenties naar aanleiding van het Décret Impérial van 15 januari 1812: *Ten Cate Nilant &amp;amp; Comp., Zwolle; F.G. van Lynden van Hemmen, Wageningen; *Wed. Scholten &amp;amp; Zoon, Amsterdam; *Gerrit Bosch Jr., Amsterdam; *J.O. van Beek, Utrecht; J. Lenssen, Venlo; *Spakler, Pferstorff en Backer, Oosterbeek; Louis Noorduyn, Nijmegen; *Backer &amp;amp; Selis, Dordrecht; *Kesselius &amp;amp; Rens, Dordrecht; *Bicker &amp;amp; Spakler, Dordrecht; *Hordijk &amp;amp; Van der Elst, Dordrecht; J. Emmery, Middelburg; Beylanus Jr. &amp;amp; Cie, Zierikzee; *Jan en Harmen Scholten, Amsterdam; Gebrs. Lysen &amp;amp; Rieselink, Zutphen; L.A. van Meerten, ??; Nijpels &amp;amp; Willem Damen, Maastricht; *A. en J. van Beefting, Rotterdam. (*: raffinaderij) Bron: Gemeentearchief Amsterdam, archief Van der Masch-Spakler, inv. nr 138a, gecombineerd met de lijsten in Le Moniteur Universel van 11, 16, 28 maart, 8, 9 april, 1, 27 mei en 26 juli 1812.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-46&amp;gt;[46] Bulletin des lois de l'Empire français, 4e serie, vol. 16, nr. 414 (Paris 1812), art. 2 en 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-47&amp;gt;[47] Timmer, &amp;lt;Beetwortelcultuur&amp;gt;, 126-127.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-48&amp;gt;[48] Geplaatst in 1830, concessie verleend aan &amp;lt;J. Backer, fabrikant van stroop uit beetwortelen en andere gewassen&amp;gt;. Nederlandsche Staatscourant, 1832, nr. 126; ook ara, archief Ministerie van Binnenlandse Zaken _ Nationale Nijverheid en Voorgangers, 1817-1877, inv. nrs. 406 (20 okt. 1831), 427 (26 juli 1834), 458 (6 juli 1837).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-49&amp;gt;[49] Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid, 1839, 477.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-50&amp;gt;[50] Ibidem, 1843, 561.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-51&amp;gt;[51] Wetenschappelijk Maandschrift, (1836), 371-372 en 399-410.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-52&amp;gt;[52] Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid, 1838, 49-86.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-53&amp;gt;[53] P.J. Bouman, Geschiedenis van de Zeeuwsche landbouw (Wageningen 1946), 117-118; A. Hallema, &amp;lt;Suiker- en stroopfabricage uit Nederlandse gewassen tussen 1813 en 1858&amp;gt;, in: Sociaal-Economisch Historisch Jaarboek, 24 (1950), 209-238.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-54&amp;gt;[54] W.M.F. Mansvelt, Geschiedenis van de Nederlandsche Handel-Maatschappij ii (Haarlem, z.j.), 197.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-55&amp;gt;[55] Ruperti, Der Ursprung der französischen Rübenzucker-Industrie, passim.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-56&amp;gt;[56] A. Rabich, Entwicklung der Lebensmittel-Verfahrenstechnik, 95-109.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-57&amp;gt;[57] Friedrich List, in: Eisenbahn-Journal und national-Magazin 24 (1836), 51 en 76.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-58&amp;gt;[58] Uit het Compte rendu des travaux des Ingénieurs des Mines 1835 blijkt dat er in alle Franse raffinaderijen en bietsuikerfabrieken samen in gebruik zijn: 112 stoomwerktuigen (met een stoomketel) en 196 stoomketels zonder krachtwerktuig, dus alleen voor verwarmingsdoeleinden. In 1837 zijn die aantallen resp. 172 en 330.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-59&amp;gt;[59] Wet van 18 juli 1837; zie ook R. Villeneuve, &amp;lt;Le financement de l'industrie sucrière&amp;gt;.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-60&amp;gt;[60] R. Villeneuve, &amp;lt;Le financement de l'industrie sucrière&amp;gt;, 299.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-61&amp;gt;[61] N. Deerr and A. Brooks, &amp;lt;Development of the practice of evaporation&amp;gt;, passim.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-62&amp;gt;[62] S. Malolepszy et E. Kaczmarek, L'industrie alimenaire, 153-163, 168-171, 277-281.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-63&amp;gt;[63] Verslag van den landbouw in Nederland, 1865, 192.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-64&amp;gt;[64] Verslag van de landbouw in Nederland, 1864, 176.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-65&amp;gt;[65] Verslag van den Landbouw in Nederland, 1866, 223.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-66&amp;gt;[66] Boeren-Goudmijn, 8 (1862), 177-187.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-67&amp;gt;[67] Verslag van den landbouw in Nederland over 1862, 306.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-68&amp;gt;[68] Verslag van den landbouw in Nederland, 1865, 148.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-69&amp;gt;[69] Boeren-Goudmijn, 8 (1862), 177-187 en 380-384.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-70&amp;gt;[70] Landbouw-Courant, 25 (1871), afl. 12, naar aanleiding van een artikel in de Arnhemsche Courant omstreeks 13 maart 1871.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H6</id>
		<title>Noten TIN19-1-H6</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H6"/>
				<updated>2007-06-20T11:12:36Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 6''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-1&amp;gt;[1] R.W. Unger, &amp;lt;Brewing in the Netherlands and the Baltic Grain Trade&amp;gt;, in: W.G. Heeres, e.a. (red.), From Dunkirk to Dantzig: shipping and trade in the North Sea and the Baltic, 1350-1850, 429-446; J.C.A. Everwijn, Beschrijving van Handel en Nijverheid in Nederland, Deel ii ('s-Gravenhage 1912), 598; G.Z. Jol, Ontwikkeling en organisatie der Nederlandsche Brouwindustrie (Haarlem 1933), 37-48; I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de negentiende eeuw, 1813-1870, (Utrecht/Antwerpen 19718), 155-156; H. Blink, &amp;lt;Bierbrouwerijen en bierhandel in Nederland&amp;gt;, in: Vragen van den dag, 15 (1900), 81-95.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-2&amp;gt;[2] A.M. Ballot, Het Bier beschouwd als volksdrank (Rotterdam 1856); G.J. Mulder, Het Bier scheikundig beschouwd (Rotterdam 1857), 9.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-3&amp;gt;[3] Handelingen Tweede Kamer, 1863/64, Bijlagen, p. 1866.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-4&amp;gt;[4] Handelingen Tweede Kamer, 1863/63, Bijlagen, p. 1865.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-5&amp;gt;[5] Alleen dr. A. Vrolik, Minister van Financiën, waarschuwde voor de situatie in België: &amp;lt;Daar ziet men menschen die dronken zijn van bier, zoo als hier van Jenever.&amp;gt; Handelingen Tweede Kamer, 1856/57, 744.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-6&amp;gt;[6] Voor een samenvatting van de vroege geschiedenis van de drankbestrijding, zie: J.G.L. Theunisse, Jan Frederik Vlekke (1849-1903). Ethiek en rentabiliteit in een ondernemersleven (Tilburg 1966), 201-225.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-7&amp;gt;[7] Gegevens over de traditionele brouwmethode en de grondstoffen zijn ondermeer ontleend aan J. van Loenen, Haarlemse brouwindustrie voor 1600 (Amsterdam 1950), 22-30; G. Doorman, De middeleeuwse brouwerij en de gruit (Den Haag 1955), 47-60; J.F.L.M. Cornelissen, Het bierboeck (Eindhoven 1983), 63-109.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-8&amp;gt;[8] A. Hallema en J.A. Emmens, Het bier en zijn brouwers. De geschiedenis van onze oudste volksdrank (Amsterdam 1968), 192.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-9&amp;gt;[9] Doorman, Middeleeuwse brouwerij, 54.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-10&amp;gt;[10] Van Loenen, Haarlemse brouwindustrie, 123-128; J. Willemsen, Klein Breda's Brouwersboek (Breda 1986), 4-10; Hallema en Emmens, Het bier, 88-89. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-11&amp;gt;[11] De geschiedenis van dit college is beschreven in E.M.A. Timmer, De generale brouwers van Holland. Een bijdrage tot de geschiedenis der brouwnering in Holland in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw (Haarlem 1918).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-12&amp;gt;[12] R.A. Kattenwinkel, De industrie van de stad Utrecht vanaf de Fransche tijd tot 1900 (Utrecht 1952), 103, 110, 122. Zie ook Gemeentearchief Utrecht, Archief brouwerij De Boog, inv. nrs. 1153-1174. Jol, Ontwikkeling en organisatie, 41-43; K.J.Th. Janssen de Limpens e.a., Honderd jaar Brand (Wylre 1970), 70.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-13&amp;gt;[13] U. Laufer, &amp;lt;Das bayerische Brauwesen in frühindustrieller Zeit&amp;gt;, in: R.A. Müller, und M. Henker, (Hrsgb.), Aufbruch ins Industriezeitalter. Band 2, Aufsätze zur Wirtschafts- Sozialgeschichte Bayerns 1750-1850, 289-290.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-14&amp;gt;[14] Arbeidsloonen en levensbehoeften in de gemeente Arnhem, Bijlage A, 20.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-15&amp;gt;[15] J. Lucassen, Jan, Jan Salie en diens kinderen. Vergelijkend onderzoek naar continuïteit en discontinuïteit in de ontwikkeling van arbeidsverhoudingen (Amsterdam 1991), 11-14.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-16&amp;gt;[16] H.A. Korthals, Korte geschiedenis der Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij nv 1873-1948 (z.p. 1948), 243.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-17&amp;gt;[17] Everwijn, Handel en Nijverheid, ii, 598.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-18&amp;gt;[18] P. Mathias, The Brewing Industry in England, 1700-1830 (Cambridge 1959), 13-21.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-19&amp;gt;[19] Ibidem, 78-94.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-20&amp;gt;[20] Ibidem, 94-98.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-21&amp;gt;[21] Korthals, Korte geschiedenis, 29.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-22&amp;gt;[22] E. Struve, Die Entwicklung des Bayerischen Braugewerbes im neunzehnten Jahrhundert (Leipzig 1893), 11-17; Laufer, &amp;lt;Das bayerische Brauwesen&amp;gt;, 288-289.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-23&amp;gt;[23] Laufer, &amp;lt;Das bayerische Brauwesen&amp;gt;, 288.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-24&amp;gt;[24] Struve, Entwicklung des Bayerischen Braugewerbes, 45-62.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-25&amp;gt;[25] Jol, Ontwikkeling en organisatie, 45.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-26&amp;gt;[26] Hallema en Emmens, Het bier, 184.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-27&amp;gt;[27] Hallema en Emmens, Het bier, ... en S.H.A.M. Zoetmulder, Honderd jaar Oost-Brabants bedrijfsleven 1852-1952 (Eindhoven 1952), ...&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-28&amp;gt;[28] Doorman, Middeleeuwse brouwerij, 22-26; Timmer, Generale Brouwers, 50-66; Hallema en  Emmens, Het bier, 42-52, 99-102, 171-172. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-29&amp;gt;[29] Wet van 2 augustus 1822 (Stbl. 32)&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-30&amp;gt;[30] Jol, Ontwikkeling en organisatie, 137-138.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-31&amp;gt;[31] Ibidem, 29-31, 138.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-32&amp;gt;[32] Perk, Prospect van de oprigting, 1.  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-33&amp;gt;[33] Handelingen Tweede Kamer, 1856/57, Bijlagen, p. 723.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-34&amp;gt;[34] Ibidem.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-35&amp;gt;[35] Handelingen Tweede Kamer, 1866/67, Bijlagen, p. 865.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-36&amp;gt;[36] Handelingen Tweede Kamer, 1866/67, Bijlagen, p. 865.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-37&amp;gt;[37] Van Zanden, Industrialisatie in Amsterdam, 46; Jol, Ontwikkeling en organisatie, 47, 138-139.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-38&amp;gt;[38] Mulder, Het bier scheikundig beschouwd, 368-371.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-39&amp;gt;[39] Ibidem.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-40&amp;gt;[40] Zie voor een interessante en doorleefde uiteenzetting over mode in biersmaken en regionale smaakverschillen, A.C.M. Jansen, Bier in Nederland en België. Een geografie van de smaak (Amsterdam 1987)&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-41&amp;gt;[41] Van Zanden, Industrialisatie in Amsterdam, 63-64; Korthals, Korte geschiedenis, 118-121.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-42&amp;gt;[42] Jol, Ontwikkeling en organisatie, 55-56.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-43&amp;gt;[43] R. Philips, Mestreechs Aajt. Geschiedenis van de Maastrichtse brouwers en hun bier (Maastricht 1982), 61.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-44&amp;gt;[44] J.J.M. Heeren, De familie Swinkels en de Bierbrouwerij &amp;lt;Bavaria&amp;gt; te Lieshout, (Helmond 1938), 28-30. Zie voor de kwaliteit van de Brabantse bieren ook Chemisch Weekblad, 11 (1914), 1096-1097. Bij het Bierbesluit 1926 werd een minimaal stamwortgehalte van 9% vastgesteld. Dit komt ongeveer overeen met een alcoholgehalte van 3%. Bier met een lager gehalte was in die tijd niet goed houdbaar.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-45&amp;gt;[45] Zie voor gegevens over de oprichting en de aandeelhouders: Nederlandsche Staatscourant, 15 november 1864. H. Henninger, in Neurenberg directeur van de &amp;lt;Nieuwe Brouwerij&amp;gt;, had 15 aandelen in bezit. Hij was daarmee een van de grootste aandeelhouders. Twee aandelen waren in handen van G.A. Heineken te Amsterdam. Bij alle brouwerijen die met de ondergistende methode werkten, waren de belangrijkste leidinggevende en gespecialiseerde personeelsleden afkomstig uit Duitsland. Ook enkele Duitse bedrijven voor brouwapparatuur vestigden zich in Nederland.  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-46&amp;gt;[46] H.J.M. Roetemeijer, &amp;lt;Brouwen in Amsterdam&amp;gt;, in: Ons Amsterdam, 56.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-47&amp;gt;[47] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij, Gegevens familie Heineken: Didericus was predikant in Doornspijk, maar woonde in Elburg. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-48&amp;gt;[48] Korthals, Korte geschiedenis, 13-18. Het is onbekend in welke Utrechtse brouwerij Feltmann had gewerkt. In een In Memoriam is sprake van de brouwerij van de Broedergemeente, maar dit bedrijf _ dat overigens in Zeist lag en niet in Utrecht _ was al rond 1820 stil gelegd. Of er rond 1865 sprake is geweest van een heropening van de brouwerij, waaraan Feltmann dan leiding zou geven, is niet duidelijk. Uit het gemeente-archief van Zeist blijkt echter niet dat Feltmann ooit in die plaats heeft gewoond.   &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-49&amp;gt;[49] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij, Gegevens W. Feltmann jr. Feltmann overleed in april 1897.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-50&amp;gt;[50] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij, Manuscript H. van Malsen, 44-50. Dit is het zeer uitvoerige door de historicus H. van Malsen opgestelde manuscript over de periode 1864-1923 van het bedrijf. Het boek van H.A. Korthals is voor een deel gebaseerd op dit manuscript, dat echter over een groot aantal zaken veel uitvoeriger informatie bevat.   &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-51&amp;gt;[51] Gemeenteverslag Amsterdam over 1870, 57.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-52&amp;gt;[52] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij, Akte van Oprichting Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij nv. W. Feltmann jr. had zeven aandelen in de nv; Korthals, Korte geschiedenis, 54-56.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-53&amp;gt;[53] Jol, Ontwikkeling en organisatie, 178-179. De brouwerijen De Gekroonde Valk en d'Oranjeboom werden in respectievelijk 1893 en 1902 nv's met aandelenkapitalen van ¦ 550.000 en ¦ 2.200.000. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-54&amp;gt;[54] Philips, Mestreechs Aajt, 61.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-55&amp;gt;[55] J. Diederen, Het verhaal van De Leeuw (Valkenburg 1986), 3-6.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-56&amp;gt;[56] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij, inv. nr. 3992, Brouwerij De Gekroonde Valk, Korte Geschiedenis van Van Vollenhoven's Bierbrouwerij nv, 1733-1933, 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-57&amp;gt;[57] Willemsen, Klein Breda's brouwersboek, 14.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-58&amp;gt;[58] Mathias, Brewing Industry, 73-75.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-59&amp;gt;[59] Ibidem, 76.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-60&amp;gt;[60] Philipe, &amp;lt;Einleitung&amp;gt;; O. Jung, &amp;lt;Die Bedeutung der Kältemaschine&amp;gt;. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-61&amp;gt;[61] A. Wouters, &amp;lt;De Brusselse ijsindustrie rond de eeuwwisseling&amp;gt;, in: Tijdschrift voor Geschiedenis van Techniek en Industriële Cultuur, 7 (1990), 19-21; Hallema en Emmens, Het bier, 182-183. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-62&amp;gt;[62] J. de Loverdo, Le Froid Artificiel, et ses Applications Industrielles, Commerciales et Agricoles (Paris 1903), 1-13; Planck, Handbuch der Kältetechnik, 1. Band, 133-136; Von Linde, &amp;lt;Meine Kältemaschinen in der Brauerei&amp;gt;, in: Carl von Lindes Kältemaschinen, 25-27.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-63&amp;gt;[63] Von Linde, &amp;lt;Meine Kältemaschinen in der Brauerei&amp;gt;, 25-27.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-64&amp;gt;[64] Ibidem, 31.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-65&amp;gt;[65] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij, Manuscript Van Malsen, 282-283; Roetemeijer, &amp;lt;Brouwen in Amsterdam&amp;gt;, 54. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-66&amp;gt;[66] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij, Manuscript Van Malsen, 150, 199-200. De kosten voor de aanleg van de Brainardkelder werden begroot op ¦ 22.000.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-67&amp;gt;[67] Ibidem, 329-333.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-68&amp;gt;[68] Korthals, Korte geschiedenis, 85-86, 90.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-69&amp;gt;[69] K.W. Geisler, &amp;lt;Technischer Ausbau und Entwicklung der Kälte-erzeugungsanlagen für den Brauereibetrieb&amp;gt;, in: Carl von Lindes Kältemaschinen und ihre Bedeutung für die Entwicklung der modernen Lagerbierbrauerei, 36-37.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-70&amp;gt;[70] Jol, Ontwikkeling en organisatie, 84.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-71&amp;gt;[71] Ibidem, 59-60.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-72&amp;gt;[72] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij, Manuscript Van Malsen, 356, 370.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-73&amp;gt;[73] Korthals, Korte geschiedenis, 95-97. Van Gelder, &amp;lt;Bierbrouwerij d'Oranjeboom&amp;gt;.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-74&amp;gt;[74] Philips, &amp;lt;Brand's Bierbrouwerij&amp;gt;, 79.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-75&amp;gt;[75] J.F.H. Koopman, &amp;lt;Les machines frigorifiques aux Pays-Bas, dans les colonies Néerlandaises et a bord des vaisseaux Néerlandais&amp;gt;, in: Premier Congrès International du Froid (Paris 1908). Koopman geeft zelf aan dat zijn overzicht niet geheel volledig is. Voor de brouwerijen lijkt de volledigheid niettemin dicht benaderd. Incompleet lijkt het alleen voor de provincie Limburg, waar onder meer de door Koopman niet vermelde brouwerijen De Leeuw in Valkenburg en Brand in Wylre over koelmachines beschikten.    &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-76&amp;gt;[76] Ibidem, 8-13. Tegenwoordig wordt de koelcapaciteit niet meer in calorieën maar in kilocalorieën per uur uitgedrukt.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-77&amp;gt;[77] Ibidem, 8-13 en 50-51.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-78&amp;gt;[78] E.M. Sigsworth, &amp;lt;Science and the Brewing Industry, 1850-1900&amp;gt;, in: The Economic History Review, 17 (1965), 536.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-79&amp;gt;[79] Buys, De bierbrouwer, 50-56.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-80&amp;gt;[80] Zie voor een min of meer volledige opsomming van dergelijke hulpmiddeltjes Cornelissen, Het bierboeck, 139-147.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-81&amp;gt;[81] Sigsworth, &amp;lt;Science and the Brewing Industry&amp;gt;.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-82&amp;gt;[82] M. Teich, &amp;lt;Fermentation Theory and Practice: the Beginnings of Pure Yeast Cultivation and English Brewing, 1883-1913&amp;gt;, in: History of Technology, 8 (1983), 120.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-83&amp;gt;[83] L. Pasteur, Etudes sur la Bière, ses maladies, causes qui les provoquent, procédé pour la rendre inaltérable avec une Théorie Nouvelle de la Fermentation (Paris 1876), 1-17 en 326-378.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-84&amp;gt;[84] Zie voor het belang van de gisthandel voor de brouwers in Holland in de achttiende eeuw: Timmer, Generale Brouwers, 126-175. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-85&amp;gt;[85] Teich, Frementation Theory and Practice, 121; Gemeentearchief Amsterdam, Archief Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij, Manuscript Van Malsen, 553.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-86&amp;gt;[86] Ibidem, Manuscript Van Malsen, 757-758; Korthals, Korte geschiedenis, 129-136.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-87&amp;gt;[87] &amp;lt;E.C. Hansen&amp;gt;, in: C.C. Gillispie (ed.), Dictionary of Scientific Biography (New York 1972), Vol. vi, 99-101.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-88&amp;gt;[88] N. Hjelte Claussen, &amp;lt;Leben und Wirken Emil Christian Hansen's&amp;gt;, 8-16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-89&amp;gt;[89] H. Lüers und F. Weinfurtner, &amp;lt;Die Einführung der Hefereinzucht in den Brauereibetrieb&amp;gt;, in: Die Hefereinzucht in der Entwicklungsgeschichte der Brauerei, 72-73.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-90&amp;gt;[90] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij, Manuscript Van Malsen, 758.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-91&amp;gt;[91] &amp;lt;In Memoriam dr.ir. H. Elion, 1853-1930&amp;gt;, in: Chemisch Weekblad, 27 (1930), 282-283.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-92&amp;gt;[92] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij, Manuscript Van Malsen, 611-612.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-93&amp;gt;[93] E. Elion, &amp;lt;Die Fabriksmassige Herstellung von Reinhefe und die Hefereinzucht in der Entwicklungsgeschichte der Brauerei&amp;gt;, in: Chemisch Weekblad, 29 (1932), 470-475. Dit artikel, dat was geschreven door een zoon van H. Elion, werd gepubliceerd naar aanleiding van de verschijning van het boek Die Hefereinzucht in der Entwicklungsgeschichte der Brauerei. Twee Duitse medewerkers van het Wissenschaftliche Station in München (H. Lüers en H. Weinfurtner) hadden daarin een bijdrage geschreven over &amp;lt;Die Einführung der Hefereinzucht in dem Brauereibetrieb&amp;gt;. H. Elion werd slechts summier vermeld en alleen als medewerker van het wetenschappelijk instituut voor de brouwindustrie in Wenen. Hier had hij echter nooit gewerkt. Elions verdienste voor het in de praktijk toepassen van de &amp;lt;reincultuur&amp;gt; staat overigens buiten kijf en is ook erkend door Duitse en Deense specialisten op dit terrein.  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-94&amp;gt;[94] Teich, &amp;lt;Fermentation Theory and Practice&amp;gt;, 121, 126-130.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-95&amp;gt;[95] Elion, &amp;lt;Die Fabrikmässige Herstellung&amp;gt;, 473.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-96&amp;gt;[96] Ibidem.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-97&amp;gt;[97] &amp;lt;Een bezoek aan de Amstelbrouwerij&amp;gt;, in: De Ingenieur, (1910), 979.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-98&amp;gt;[98] Jol, Ontwikkeling en organisatie, 81.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H5</id>
		<title>Noten TIN19-1-H5</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H5"/>
				<updated>2007-06-20T11:12:12Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 5''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-1&amp;gt;[1] Ch. Wilson, Geschiedenis van Unilever, een beeld van economische groei en maatschappelijke verandering, ii ('s‑Gravenhage 1954), 25.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-2&amp;gt;[2] E. Franck, Die Kunstbutterfrage, insbesondere Entstehung, Einführung und wirtschaftliche Bedeutung des Margarins (Frankfurt a.M. 1887).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-3&amp;gt;[3] R. Wollny, Über die Kunstbutterfrage (Leizig 1887), 1.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-4&amp;gt;[4] Wilson, Geschiedenis, ii, 26.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-5&amp;gt;[5] Zie het vorige hoofdstuk.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-6&amp;gt;[6] S. van den Bergh jr., Het leven van het echtpaar Simon van den Bergh en Elisabeth van der Wielen (Rotterdam 1907, herdruk 1952), 65.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-7&amp;gt;[7] Frans octrooi no 86480, 15 juillet 1869 en British Patent no. 2157, 18..&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-8&amp;gt;[8] U.S. Patent no. 146012.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-9&amp;gt;[9] Mège Mouriès is zelf ook korte tijd betrokken geweest bij de exploi­tatie van zijn uitvinding. In Poissy, in de buurt van Parijs, had hij een fabriekje opgezet, waarschijnlijk met behulp van een zekere M. Julien, die voor het Département Seine-et-Oise (waartoe ook Poissy behoort) over een licentie beschik­te.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-10&amp;gt;[10] Hiermee wordt bedoeld: artikelen in jubileumboeken, be­drijfs­bladen en promotiemateriaal van de firma Jurgens, waarin de &amp;lt;margarine‑geschiedenis&amp;gt; vanuit de Jurgens‑inzichten wordt beschreven.De belangrijkste bron voor het meeste materiaal is Jurgens, Notes.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-11&amp;gt;[11] Archives Nationales, Parijs: 65 AQ/R11; Minutier Central/ET/XXXIV/1332.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-12&amp;gt;[12] Frans oktrooi 100.060, 24 sept. 1873.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-13&amp;gt;[13] Archives Nationales, Parijs: Minutier Central/ET/XXXIV/1332; GA Rotterdam, Unilever‑archief, inv. nr. 1206F, briefwisseling uit 1953 tussen M. Ellwood (Unilever Ltd.) en R. Habasque te Parijs, betreffende het onderzoek van de laatste in Franse archieven ten behoeve van het boek Geschiedenis van Unilever van Ch. Wilson.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-14&amp;gt;[14] Artikel 3 van de overeenkomst: &amp;lt;La société sera administrée en commun par les Sociétaires dans leurs emplois respectifs, dont il sera convenu entre les parties. Sous l'administration est compris l'achat, la vente, etc.&amp;gt; Die bezighe­den (emplois) zijn niet nader omschreven.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-15&amp;gt;[15] Van Alphen, &amp;lt;Hippolyte Mège Mouriès (1817‑1880)&amp;gt;, 125‑126.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-16&amp;gt;[16] Gegevens over de rechtszaak zijn afkomstig uit het Public Record Office, London: High Court of Justice, Queens Bench Division, Statements of claim en Statements of defence, 1881 H. no. 1037, J. 54\341.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-17&amp;gt;[17] Statement of defence, XC 3217 CL, J. 54\341, page 2.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-18&amp;gt;[18] GA Rotter­dam, Unilever‑archief, inv.nr. 1206F, brief van S. van den Bergh aan J.L. Polak, betreffende het octrooi van Mège Mouriès in Duitsland, ongeda­teerd (na 1930). Aangehaald door een medewerker van Ch. Wilson in verband met De geschiedenis van Unilever.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-19&amp;gt;[19] GA Rotter­dam, Unilever‑archief, A.J.V.F. Archives no. 216, Memoranda and Judge­ment in case Julien Halphen &amp;amp; Compagnie Anonyme du Brevet Mège Mouriès and Lovell &amp;amp; Christmas and Anthony Jurgens.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-20&amp;gt;[20] Frans octrooi, no. 100.060, 24 sept. 1873.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-21&amp;gt;[21] British Patent no. 4209, 1873.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-22&amp;gt;[22] British Patent no. 661, 1874.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-23&amp;gt;[23] British Patent no. 664, 1874.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-24&amp;gt;[24] Resp. British Patent ..., 30 mrt. 1872 en British Patent 2709, 14 juli 1877.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-25&amp;gt;[25] F. Gerzon, Nederland, een volk van struikrovers? De herinvoering van de Nederlandse octrooiwet (1869‑1912) ('s‑Gravenhage 1986), passim.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-26&amp;gt;[26] De Haagse Kamer van Koophandel constateerde in 1883: &amp;lt;Hoewel de lage prijzen der natuurboter natuurlijk ook haar debiet [van de Haagsche Margarineboterfabriek], vooral gedurende de zomer, drukten (...).&amp;gt; In 1884: &amp;lt;De resultaten waren ten gevolge van de lage prijzen der natuurboter minder bevredigend.&amp;gt; In 1888: &amp;lt;Grote produktie en lage prijzen der natuurboter, vooral van mindere qualiteiten, drukten de kunst­boterprijzen zeer.&amp;gt;&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-27&amp;gt;[27] NV Middelbugsche Kunstboterfabriek: de technoloog M.P.A. Proos (Nederlandsche Staatscourant 5 sept. 1879); NV Hollandsche Boter- en Margarinefabriek Pales, te Amsterdam: dr. Jac. Cohen, technisch directeur van de Maatschappij voor Chemische Industrie, en diens algemeen directeur, J.N.W.C. Sieburgh (idem, 24 juni 1879); NV Hollandsche Boterfabriek, te Vlaardingen (een kunstboterfabriek, MB): J.W. Muurling, doctor is de wis- en natuurkunde (idem, 14 nov. 1879).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-28&amp;gt;[28] J.Th. Mouton, Margarineboter ('s-Gravenhage 1881), 4.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-29&amp;gt;[29] Gerzon, Nederland, een volk van struikrovers?, 18; Verslag Algemene Vergadering der vfhn (Vereeniging ter bevorde­ring van Fabrieks‑ en Handwerknijverheid in Nederland) in 1888, punt 26.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-30&amp;gt;[30] Verslag Kamer van Koophandel Den Haag, 1883.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-31&amp;gt;[31] Ibidem, 1889.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-32&amp;gt;[32] Ibidem, 1890.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-33&amp;gt;[33] Bijvoorbeeld in: Girard et Brevans, La margarine et le beurre artifi­ciel, 21.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-34&amp;gt;[34] Verslag Kamer van Koophandel Den Haag, 1882.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-35&amp;gt;[35] Robroeks, &amp;lt;Het ontstaan&amp;gt;, 200.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-36&amp;gt;[36] H. Mott, &amp;lt;Manufacture of artificial butter&amp;gt;, in: American Chemist, 7 (1877), 233-241.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-37&amp;gt;[37] Verslag Kamer van Koophandel Goor, 1882.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-38&amp;gt;[38] Verslag Kamer van Koophandel Middelburg, 1881, 1882 en 1883.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-39&amp;gt;[39] Verslag Kamer van Koophandel Middelburg, 1881, 1882 en 1883.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-40&amp;gt;[40] Een advertentie van Heine­ken's Bierbrouwerij in: De Boterhan­del, courant voor den Handel in Boter, Butterine, Margarine en aanverwante artikelen, 12 mei 1883.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-41&amp;gt;[41] Verslag Kamer van Koophandel Alkmaar, 1889&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-42&amp;gt;[42] In het Franse weekblad L'Industrie Laitière is tussen 1876 en 1881 hoegenaamd geen aandacht besteed aan margarine. Vooral tweederangs natuurbotersoorten werden als concurrent aangemerkt.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-43&amp;gt;[43] Mouton, Margarineboter, 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-44&amp;gt;[44] Ibidem, 6.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-45&amp;gt;[45] Margarineboter, hare bereiding verteerbaarheid en bestrijding (Oss 1884), 64.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-46&amp;gt;[46] Ibidem, 69.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-47&amp;gt;[47] Ibidem; A. Jurgens, Butterine of Margarinebo­ter (z.p. 1884); Timmermans &amp;amp; Co., Manufacturers of high class butterines (Nijmegen 1884); J.Th. Mouton, Butteri­ne, a good, useful, wholesome and cheap article of food ('s-Gravenhage 1885).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-48&amp;gt;[48] Mouton, Butterine, Preface.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-49&amp;gt;[49] Wollny, Über die Kunstbutterfrage, 7.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-50&amp;gt;[50] Algemeen Handelsblad, 24 maart 1886.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-51&amp;gt;[51] Ibidem.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-52&amp;gt;[52] Verslag van de vergadering van de Vereeniging tot Bestrij­ding van Knoeierijen in den Boterhan­del, 20 januari 1886, 3, in: Adres van de Vereeniging van Margarineboterfabrikanten in Nederland, 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-53&amp;gt;[53] Ibidem, 5.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-54&amp;gt;[54] Handelingen Tweede Kamer, 1888/89, 1226.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-55&amp;gt;[55] Ibidem, 1196.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-56&amp;gt;[56] Ibidem, 1197.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-57&amp;gt;[57] L'Industrie Laitière, 14 (1889), 213.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-58&amp;gt;[58] De term &amp;lt;margarine&amp;gt; werd gebruikt door de uitvinder Mège Mouriès. Volgens de overlevering had Mège's leermeester, M. Chevreul, die naam gegeven aan bepaalde vetkorrels, die de glans van &amp;lt;margarites&amp;gt; (het Griekse woord voor parels) zouden bezit­ten.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-59&amp;gt;[59] W.H.C. Knapp, Botercontrole in Nederland ('s-Gravenhage 1927), 69.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-60&amp;gt;[60] Zie bijvoorbeeld Grafiek 2. Er is geen markante trendbreuk in 1889; de daling in de volgende jaren heeft te maken met de import van goedkope natuurbo­ter uit de koloniën.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-61&amp;gt;[61] Wilson, Geschiedenis, ii, 105.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-62&amp;gt;[62] Ibidem, 275: het margarineverbruik per hoofd van de bevolking in Neder­land was in 1913 ongeveer 3 kilo, in 1927 was dit cijfer gestegen tot 8,2 kilo.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-63&amp;gt;[63] De cijfers zijn afkomstig uit gemeenteverslagen en jaarverslagen van Kamers van Koophandel.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H4</id>
		<title>Noten TIN19-1-H4</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H4"/>
				<updated>2007-06-20T11:11:47Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 4''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-1&amp;gt;[1] J. Rinkes Borger, Praktisch leesboek over zuivelbereiding (Arnhem 1883), 26.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-2&amp;gt;[2] Mededeelingen en Berichten der Friesche Maatschappij van Landbouw (1878), 69.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-3&amp;gt;[3] Ibidem, 147.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-4&amp;gt;[4] Ibidem, 151.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-5&amp;gt;[5] Ibidem, 153.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-6&amp;gt;[6] Ibidem, 156.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-7&amp;gt;[7] Ibidem (1882), 73.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-8&amp;gt;[8] Ibidem (1878), 163.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-9&amp;gt;[9] Ibidem.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-10&amp;gt;[10] Nederlandsch Landbouw-Weekblad 2 (1893), nr. 25. Men citeert uit de verga­dering van de Maatschappij ter bevordering van Landbouw en Veeteelt in Zeeland van 14 juni 1893.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-11&amp;gt;[11] Voor dit gedeelte is vooral gebruik gemaakt van J. van der Wijk, Boerenboter of fabrieksboter. Een omwenteling in het bestaan van de Friese boerin, ca. 1875 - ca. 1900 (Leeuwarden 1984).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-12&amp;gt;[12] Ibidem, 63; het citaat is ontleend aan de Landbouw-Courant van juli 1878.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-13&amp;gt;[13] Treurniet en Tromp, De zuivelfabriek, 10.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-14&amp;gt;[14] Mededeelingen en Berichten der Geldersch-Overijselsche Maatschappij van Landbouw (1896), 189-190.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H3</id>
		<title>Noten TIN19-1-H3</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H3"/>
				<updated>2007-06-20T11:11:10Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 3''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-1&amp;gt;[1] Het betreft in 1878/1879 124 bedrijfjes, waarvan 110 in Noord‑Brabant. In 1850/1851 waren het er 435, waarvan 364 in Noord‑Brabant. Bescheiden betreffende de geldmiddelen, &amp;lt;Statistieke tabellen van het patentregt over de dienstjaren 1850‑1851 en 1878‑1879&amp;gt;.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-2&amp;gt;[2] W.C.H. Staring, &amp;lt;Hand‑graanmolens&amp;gt;, in: De Volksvlijt, 1856, 55‑56.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-3&amp;gt;[3] Mededeling van P.W.E.A. van Bussel. Met name horizontale molentjes met een steenmiddellijn van 40 cm konden fijn meel produceren. Zie ook: Gemeentearchief Dordrecht, archief van de Commissie ter oprichting van een Meel‑ en Broodfabriek te Dordrecht, nr. 224, inv.nr. 2, brief van J. Boeke aan J. Vriesendorp, 10‑4‑1863.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-4&amp;gt;[4] Provinciaal Verslag Zeeland, 1846.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-5&amp;gt;[5] Aan het begin van de negentiende eeuw werden in de noordelijke provincies 156 boekweitmolens geteld. Slechts twee waren windmolens, de rest rosmolens. Dezelfde statistiek maakte melding van 995 korenmolens, waarvan 10 aangedreven door paarden, 857 door wind en 818 door water. F.J.B. d'Alphonse, &amp;lt;Aperçu sur la Hollande&amp;gt;, Bijdragen tot de Statistiek der Nederlanden, Centraal Bureau voor de Statistiek, deel i,  544‑545.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-6&amp;gt;[6] Er is bij het schrijven van het navolgende vooral gebruik gemaakt van het werk van P.W.E.A. van Bussel, Korenmolens van ambacht tot industrie (Eindhoven 1981), een van de weinige standaardwerken op het gebied van de oude maaltechniek. Zie verder ook: D.J. Abelskamp, &amp;lt;Van oud naar nieuw in het malerijbedrijf&amp;gt;, dln. 1 9, in: De Gelderse Molen, jaargangen 1974-1978; L. Gebuis, &amp;lt;Het malen van tarwe, van huishoudelijke arbeid tot industrietak&amp;gt;, in: Samen sterk 1969; V. Mulder, &amp;lt;Van roe en rad tot loper en ligger&amp;gt;, in: Van Haver tot Gort 1977, 1978, 1979; P.H.J. Trouwen, &amp;lt;Op de molen&amp;gt;, in: S.H.A.M. Zoetmulder (red.), De Brabantse molens (Helmond 1973), 34 45; P.H.J. Trouwen , &amp;lt;Tussen Eendracht en Amer&amp;gt;, in: idem, 46 83; W.A.G. Perks, Zes eeuwen molens in Utrecht (Utrecht 1974). A. Bicker Caarten, De molen in ons volksleven (Leiden 1958); Gelders Molenboek (Zutphen 1969); I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw (Utrecht 1971), 64 66; H.A. Visser, Zwaaiende wieken, over de geschiedenis en het bedrijf van de windmolens in Nederland (Arnhem 1979); A.J. Morrenga Stapff, Verdwenen windmolens in Zuid Holland (Eindhoven 1979); In de tijdschriften Gelderse Molen, Samen Sterk en Van Haver tot Gort bevatten nog meer publikaties over de maaltechniek in het molenbedrijf.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-7&amp;gt;[7] Doordat het gluten korrelig werd. C.C.J. Teerlink, &amp;lt;Over het onderzoek van tarwemeel&amp;gt;, in: Tijdschrift van de Maatschappij ter bevordering van Nijverheid, 1862, 257-307; hier: 296.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-8&amp;gt;[8] Ibidem, 259-260 en 293-294.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-9&amp;gt;[9] Een van de weinige handleidingen is Van Bussel, Korenmolens, die verscheen lang na het hoogtepunt van het molenbedrijf. Zij dient nu vooral de geschiedschrijving en de herbeoefening van het oude ambacht. Voor een zeer uitgebreid overzicht van de Franse molenhandleidingen uit de achttiende en negentiende eeuw, zie de bibliografie bij S.L. Kaplan, Les ventres de Paris. Pouvoir et approvisionnement dans la France de l'Ancien Régime, (Paris 1988) en M. Arpin, Historique de la meunerie et de la boulangerie, 2 vols. (Paris 1948).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-10&amp;gt;[10] Zo heeft de molendwang bijvoorbeeld nooit gegolden in de stad Utrecht. Perks, Zes eeuwen, 44.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-11&amp;gt;[11] Zie J.H. van der Hoek Ostende, &amp;lt;Concurrentie tussen binnen‑ en buitenmolenaars&amp;gt;, in: Ons Amsterdam, 19 (1967), nr. 3,  82‑89.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-12&amp;gt;[12] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Algemene Zaken, 1841, nr.634, brief van de korenmolenaars G. Rutjes, J. Jongeboer en J.C. Weers aan Burgemeester en Wethouders, 15 januari 1841.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-13&amp;gt;[13] J.L. van Zanden, &amp;lt;De introductie van stoom in de Amsterdamse meelfabricage, 1828-1855; over de rol van marktstructuren, ondernemersgedrag en de overheid&amp;gt;, in: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek, 8 (1991), 69.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-14&amp;gt;[14] Bicker Caarten, De molen in ons volksleven, 18.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-15&amp;gt;[15] Wet van 21 aug. 1822, Stbl. 36.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-16&amp;gt;[16] Wet van 29 mrt. 1833, Stbl. 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-17&amp;gt;[17] J.H. van den Hoek Ostende, &amp;lt;Stoomkorenmolens in Amsterdam&amp;gt;, in: Ons Amsterdam, 19 (1967), 370‑375.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-18&amp;gt;[18] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 725, brief van 17 eigenaren aan de burgemeester van de stad Amsterdam, 13 maart 1827.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-19&amp;gt;[19] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 1119, brief van zeven molenaars aan de Koning.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-20&amp;gt;[20] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 835, brief van de molenaars J. Beerekamp en P. Fruithof aan Burgemeester en wethouders.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-21&amp;gt;[21] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 927, brief van de commissaris over de publieke werken aan de wethouder van Financiën, 28 maart 1827.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-22&amp;gt;[22] Ibidem, 1827, nr. 926, brief van de commissaris over de stedelijke accijnzen en belastingen aan de wethouder van Financiën, 16 maart 1827.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-23&amp;gt;[23] Ibidem, 1828, nr. 157, brief van G. Cantillon aan Burgemeester en wethouders 12 januari 1828.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-24&amp;gt;[24] Rijksarchief Noord‑Holland, Provinciaal Bestuur 1814‑1850, brief van de arrondissementsinspecteur van Amsterdam aan de gouverneur 19 juni 1828, ingekomen stukken gouverneur, inv.nr. 770, afd. Rijksmiddelen reg.nr. 217.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-25&amp;gt;[25] Gemeente-archief Amsterdam, Algemene Zaken, 1842, doss. 4605.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-26&amp;gt;[26] Naar aanleiding van de publicatie van een eerdere versie van deze innovatiestudie (H. Lintsen, Molenbedrijf en meelfabriek in Nederland in de negentiende eeuw, (Den Haag 1989)) verscheen een uitvoerige reactie van J.L. van Zanden, &amp;lt;De introductie van stoom in de Amsterdamse meelfabricage, 1828-1855. over de rol van marktstrukturen, ondernemersgedrag en de overheid,&amp;gt; in: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek, 8 (1991), 63-80. Zijn kritiek is in deze en de volgende paragraaf verwerkt. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-27&amp;gt;[27] Van Zanden, &amp;lt;De introductie van stoom&amp;gt;, passim.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-28&amp;gt;[28] Ibidem, 76.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-29&amp;gt;[29] Ibidem, 76.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-30&amp;gt;[30] Ibidem, 76.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-31&amp;gt;[31] Van den Hoek Ostende, &amp;lt;Stoomkorenmolens in Amsterdam&amp;gt;, 370‑375.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-32&amp;gt;[32] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Algemene Zaken, 1837, nr. 7598, brief van de korenmolenaars H.K. Harreveld en D. v.d. Made aan Burgemeester en Wethouders (niet gedateerd). Gemeentearchief Amsterdam, Archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 725, brief van 17 eigenaren aan de burgemeester van de stad Amsterdam, 13 maart 1827.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-33&amp;gt;[33] De omstandigheden waren in dat jaar ook nog gunstig, daar de aardappeloogst was mislukt en diverse voedingsmiddelen duur waren in verhouding tot tarwe en rogge. Gemeenteverslag Amsterdam 1843.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-34&amp;gt;[34] Het gaande werk of het gangwerk is het samenstel van spillen, wielen of raderen en assen die de molenstenen of de machines aandrijven (Van Bussel, Korenmolens, 96).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-35&amp;gt;[35] Gemeenteverslag Zevenaar 1858.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-36&amp;gt;[36] Gemeenteverslagen Leeuwarden 1852 en 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-37&amp;gt;[37] Provinciaal verslag Friesland 1857.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-38&amp;gt;[38] Provinciaal verslag Friesland 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-39&amp;gt;[39] ara, Provinciaal Bestuur Zuid‑Holland 1850‑1945, minuut besluiten GS met bijlagen, inv.nr. 658. Brief van Van der Hoogt 13 december 1853, no. 39.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-40&amp;gt;[40] Rijksarchief in Gelderland, archief Gedeputeerde Staten, Nijverheid, inv. nr. 2505 107/1, request van L. Blom, oktober 1858. Een ander voorbeeld in Gelderland betrof grondeigenaar Mr. A. Boxman te Gorinchem die ook een stoommachine wilde in &amp;lt;zijnen steenen windkoornmolen ... ten einde bij windstilte de burgerij des te beter te kunnen gerieven ...&amp;gt; (Ibidem, 2505, brief van A. Boxman aan GS, 6 oktober 1852 Gorinchem).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-41&amp;gt;[41] ara, Provinciaal Bestuur Zuid‑Holland 1850‑1945, minuut besluiten GS met bijlagen, inv. nr. 658, request van Moens, 21 april 1857, no. 15.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-42&amp;gt;[42] Gemeenteverslag van Delfshaven 1859.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-43&amp;gt;[43] Verslag Kamer van Koophandel Groningen over 1852. Het gemeenteverslag van Groningen voegde daar in 1853 aan toe, dat &amp;lt;de nieuw opgerigte stoomkorenmolen in vollen gang (is) en ... vooral gedurende de windstilte in den herfst van groot nut (is) geweest&amp;gt; (Gemeenteverslag van Groningen 1853).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-44&amp;gt;[44] Gemeenteverslag Vlissingen 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-45&amp;gt;[45] ara, Provinciaal Bestuur Zuid-Holland 1850‑1945, minuut besluiten GS met bijlagen, inv.nr. 728, advies B&amp;amp;W Sliedrecht aan GS Zuid‑Holland, 3 juni 1857 nr. 12.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-46&amp;gt;[46] Gemeenteverslag Lichtenvoorde 1858. Sas van Gent zag haar stoommolen in 1856 eveneens zelden werken. De molen maalde alleen bij windstilte (Gemeenteverslag Sas van Gent 1857).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-47&amp;gt;[47] Bicker Caarten, De molen in ons volksleven, 31. Zie voor het zware en vaak ook ongezonde werk op de molen ook: Nijhof, Windmolens in Nederland, 75-80.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-48&amp;gt;[48] Gemeenteverslag van Leeuwarden 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-49&amp;gt;[49] Rijksarchief in Gelderland, archief Gedeputeerde Staten, Nijverheid 25.05 67/1, brief van T. Krabbenberg en H. Harberts, Exh. 22 dec. 1855, No. 12.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-50&amp;gt;[50] Ibidem, stad Doetinchem/1, Brief van B. Vels, 14 october 1855.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-51&amp;gt;[51] Rijksarchief in Gelderland, archief Gedeputeerde Staten, Hinderwet, inv. no. 16.08 54/1, brief van H. Kleve en P. Kerkhofs, 3 maart 1856.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-52&amp;gt;[52] ara, Provinciaal Bestuur Zuid‑Holland 1850‑1945, minuut besluiten G.S. met bijlagen inv. nr. 726, brief van Estor 12 mei 1857, no. 24.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-53&amp;gt;[53] Rijksarchief Noord-Holland, Provinciaal Bestuur, inv. nr. 2324 (30 dec. 1846); inv. nr. 2328 (25 jan. 1847); inv. nr. 2331 (18 feb. 1847).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-54&amp;gt;[54] Gemeenteverslag van Groningen 1856. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-55&amp;gt;[55] Gemeenteverslag van Lienden 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-56&amp;gt;[56] D. Pas, &amp;lt;Beknopt overzigt van de ambachts‑ en fabrieksnijverheid in Nederland over 1869&amp;gt;, in: Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid, 1870, 313).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-57&amp;gt;[57] Een voorbeeld van intrekking m.b.t. stoomkorenmolens is niet gevonden, wel m.b.t. een katoenspinnerij, nl. die van A.Jannink te Enschede, zie: Rijksarchief Overijssel, Provinciaal Bestuur na 1813, ingekomen stukken 1856, reg.nr. 2270, diverse stukken.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-58&amp;gt;[58] S.A. Bleekrode, De nieuwste verbeteringen en uitvindingen met betrekking tot de wind- en korenmolens, (Groningen 1844). &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-59&amp;gt;[59] Gemeentearchief Rotterdam, archief Kamer van Koophandel, inv. nr. 64 iii, doss. nr. 290, nota van Gebr. van Stolk aan Kamer van Koophandel Rotterdam, 16 sept. 1852.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-60&amp;gt;[60] Handelingen Staten Generaal, Tweede Kamer, 1853/54, 9825.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-61&amp;gt;[61] Ibidem, 978.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-62&amp;gt;[62] Wet ...&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-63&amp;gt;[63] De ontwikkeling van de mouture économique in haar technische, commerciële en politieke aspecten is uitputtend behandeld in: S.L. Kaplan, Les ventres de Paris.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-64&amp;gt;[64] Beguillet et Bucquet, Manuel du Meunier et du Charpentier de moulins économiques (Paris 1775).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-65&amp;gt;[65] Voor de twijfels omtrent de bedrijfseconomische voordelen van de mouture économique, zie S.L. Kaplan, Les ventres de Paris, 336-337.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-66&amp;gt;[66] A. Husson, La consommation de Paris, (Paris 18752), 27-29.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-67&amp;gt;[67] Ibidem, 128-129; 139-140; 150-151.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-68&amp;gt;[68] Kaplan, Les ventres de Paris, 345-352.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-69&amp;gt;[69] Arpin, Historique de la meunerie, i, 133.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-70&amp;gt;[70] P. Mohr, Die Entwicklung des Grossbetriebs in der Getreidemüllerei Deutschlands, (Berlin 1899), 22; J. Storck and W.D. Teague, Flour for Man's Bread, (z.p., z.j.), 199-204.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-71&amp;gt;[71] Voor het Franse werk op dit gebied, zie: B. Belhoste, J.-F. Belhoste, S. Benoît, e.a., Le moteur hydraulique en France au XIXe siècle: concepteurs, inventeurs et constructeurs, (Paris 1990; Cahiers d'Histoire et de Philosophie des Sciences, nouvelle série nr. 29).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-72&amp;gt;[72] Mohr, Entwicklung des Grossbetriebs, 26, 30.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-73&amp;gt;[73] Mohr, Entwicklung des Grossbetriebs, 282.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-74&amp;gt;[74] Gemeentearchief Utrecht, archief &amp;lt;De Korenschoof&amp;gt;, inv. nr. 32.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-75&amp;gt;[75] Eén voorbeeld is nog gevonden van een gemeente die gebruik maakte van de mogelijkheid om ook na 1856 de oude wet plaatselijk te handhaven. De molenaar Teunis van Andel in Gorkum moest speciale toestemming van de Minister van Financiën hebben om in zijn woonplaats een echte meelfabriek met builen en zeven op te richten.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-76&amp;gt;[76] S.A. Bleekrode, &amp;lt;De Meel- en Broodfabrijk te Amsterdam&amp;gt;, in: Nieuw Tijdschrift, 1 (1859), 193-208. Hier: 194-195. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-77&amp;gt;[77] Nederlandsche Staatscourant, ... aug. 1856.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-78&amp;gt;[78] Plan tot het oprigten van Broodfabrieken [brochure door S. Sarphati en J.A. van Eijk, 1 okt. 1855].&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-79&amp;gt;[79] Bleekrode, &amp;lt;Meel- en Broodfabrijk&amp;gt;, 196.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-80&amp;gt;[80] Zie voor de geschiedenis en de beschrijving van de meelfabriek: S. Bleekrode, &amp;lt;De meel‑en broodfabrijk te Amsterdam&amp;gt;, Nieuw Tijdschrift, 1 (1859) 193‑208, 225‑240, 277‑291.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-81&amp;gt;[81] Brood- en Meelfabriek te 's-Gravenhage: Nederlandsche Staatscourant 24 mei 1861; Utrechtsche Brood- en Meelfabriek: idem, 13 mei 1863; Delftsche Broodfabriek: idem, 11 april 1866. Onder de 52 aandeelhouders bevinden zich vier hoogleraren van de Polytechnische School. Leidsche Broodfabriek: idem, 26 mei 1866. Hier Leidse en Amsterdamse hoogelraren, leraren van de hbs, de meeste belangrijke Leidse industriëlen. Haarlemsche Brood- en Meelfabriek: idem, 30 mei 1866.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-82&amp;gt;[82] Nederlandsche Staatscourant, 13 mei 1863.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-83&amp;gt;[83] D. Pas, &amp;lt;Beknopt Overzigt van de Ambachts‑en Fabrieksnijverheid in Nederland over 1864&amp;gt;, in: Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid 1865, 388.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-84&amp;gt;[84] &amp;lt;De Rotterdamsche Meel‑ en Broodfabriek&amp;gt;, in: Magazijn voor Landbouw en Kruidkunde 1867, 86‑88.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-85&amp;gt;[85] Uitgegaan is van een stoommachine die 3 kg steenkool per uur gebruikte. De gemiddelde steenkoolprijs was in de jaren zestig ca. 11 cent per kg. De graanmaalderij was 300 dagen van 12 uren in bedrijf. De produktie in een dergelijk type graanmaalderij lag op ca. 500 kilo tarwe per uur.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-86&amp;gt;[86] Pas, &amp;lt;Beknopt overzigt&amp;gt;, 453.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-87&amp;gt;[87] Van Zanden, &amp;lt;De introductie van stoom&amp;gt;, 77-78.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-88&amp;gt;[88] Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid 1863, 57.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-89&amp;gt;[89] Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid 1864, 453.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-90&amp;gt;[90] Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid 1870, 313.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-91&amp;gt;[91] Gemeentearchief Dordrecht, Archief van de commissie tot oprichting van een meel‑en broodfabriek te Dordrecht, inv. nr.4, commissievergadering 20 januari 1865.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-92&amp;gt;[92] Ibidem, inv.nr. 13, sollicitatiebrief van F.W. van der Putten.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-93&amp;gt;[93] Ibidem, inv.nr. 13, brief van Nolet &amp;amp; Zoon.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-94&amp;gt;[94] Ibidem, inv.nr. 1, brief van de directeur van de Amsterdamse Meel‑en Broodfabriek aan M.van Crayenstein, 21 juni 1863.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-95&amp;gt;[95] Bleekrode, &amp;lt;Meel- en Broodfabrijk&amp;gt;, 232.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-96&amp;gt;[96] B. Altena en D. van der Veen, &amp;lt;Een onbekende enquête naar broodconsumptie in Nederland in 1890&amp;gt;, in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 12 (1986), 135-152; hier: 149 (Zeeland) en 148 (Noord- en Zuid-Holland).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-97&amp;gt;[97] J.J. Voskuil, &amp;lt;De weg naar Luilekkerland&amp;gt;, in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 98 (1983), 460-482. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-98&amp;gt;[98] Bleekrode, &amp;lt;De Meel‑en Broodfabrijk&amp;gt;, 225.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-99&amp;gt;[99] &amp;lt;Verslag van de tweede openbare vergadering van de Vereniging voor Volksvlijt&amp;gt;, in: De Volksvlijt, 1855; hier: 195.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-100&amp;gt;[100] Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid, 1862, 257‑387; idem, 1863, 306‑361.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-101&amp;gt;[101] Tijdschrift van de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid, 1851, 450-451; men citeert een artikel van de Utrechtse hoogleraar F.C. Donders in De Nederlandsche Lancet, 4 (1849) 739-755.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H3</id>
		<title>Noten TIN19-1-H3</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H3"/>
				<updated>2007-06-20T11:10:35Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 3''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-1&amp;gt;[1] Het betreft in 1878/1879 124 bedrijfjes, waarvan 110 in Noord‑Brabant. In 1850/1851 waren het er 435, waarvan 364 in Noord‑Brabant. Bescheiden betreffende de geldmiddelen, &amp;lt;Statistieke tabellen van het patentregt over de dienstjaren 1850‑1851 en 1878‑1879&amp;gt;.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-2&amp;gt;[2] W.C.H. Staring, &amp;lt;Hand‑graanmolens&amp;gt;, in: De Volksvlijt, 1856, 55‑56.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-3&amp;gt;[3] Mededeling van P.W.E.A. van Bussel. Met name horizontale molentjes met een steenmiddellijn van 40 cm konden fijn meel produceren. Zie ook: Gemeentearchief Dordrecht, archief van de Commissie ter oprichting van een Meel‑ en Broodfabriek te Dordrecht, nr. 224, inv.nr. 2, brief van J. Boeke aan J. Vriesendorp, 10‑4‑1863.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-4&amp;gt;[4] Provinciaal Verslag Zeeland, 1846.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-5&amp;gt;[5] Aan het begin van de negentiende eeuw werden in de noordelijke provincies 156 boekweitmolens geteld. Slechts twee waren windmolens, de rest rosmolens. Dezelfde statistiek maakte melding van 995 korenmolens, waarvan 10 aangedreven door paarden, 857 door wind en 818 door water. F.J.B. d'Alphonse, &amp;lt;Aperçu sur la Hollande&amp;gt;, Bijdragen tot de Statistiek der Nederlanden, Centraal Bureau voor de Statistiek, deel i,  544‑545.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-6&amp;gt;[6] Er is bij het schrijven van het navolgende vooral gebruik gemaakt van het werk van P.W.E.A. van Bussel, Korenmolens van ambacht tot industrie (Eindhoven 1981), een van de weinige standaardwerken op het gebied van de oude maaltechniek.&lt;br /&gt;
Zie verder ook: D.J. Abelskamp, &amp;lt;Van oud naar nieuw in het malerijbedrijf&amp;gt;, dln. 1 9, in: De Gelderse Molen, jaargangen 1974-1978; L. Gebuis, &amp;lt;Het malen van tarwe, van huishoudelijke arbeid tot industrietak&amp;gt;, in: Samen sterk 1969; V. Mulder, &amp;lt;Van roe en rad tot loper en ligger&amp;gt;, in: Van Haver tot Gort 1977, 1978, 1979; P.H.J. Trouwen, &amp;lt;Op de molen&amp;gt;, in: S.H.A.M. Zoetmulder (red.), De Brabantse molens (Helmond 1973), 34 45; P.H.J. Trouwen , &amp;lt;Tussen Eendracht en Amer&amp;gt;, in: idem, 46 83; W.A.G. Perks, Zes eeuwen molens in Utrecht (Utrecht 1974).&lt;br /&gt;
A. Bicker Caarten, De molen in ons volksleven (Leiden 1958); Gelders Molenboek (Zutphen 1969); I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw (Utrecht 1971), 64 66; H.A. Visser, Zwaaiende wieken, over de geschiedenis en het bedrijf van de windmolens in Nederland (Arnhem 1979); A.J. Morrenga Stapff, Verdwenen windmolens in Zuid Holland (Eindhoven 1979); In de tijdschriften Gelderse Molen, Samen Sterk en Van Haver tot Gort bevatten nog meer publikaties over de maaltechniek in het molenbedrijf.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-7&amp;gt;[7] Doordat het gluten korrelig werd. C.C.J. Teerlink, &amp;lt;Over het onderzoek van tarwemeel&amp;gt;, in: Tijdschrift van de Maatschappij ter bevordering van Nijverheid, 1862, 257-307; hier: 296.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-8&amp;gt;[8] Ibidem, 259-260 en 293-294.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-9&amp;gt;[9] Een van de weinige handleidingen is Van Bussel, Korenmolens, die verscheen lang na het hoogtepunt van het molenbedrijf. Zij dient nu vooral de geschiedschrijving en de herbeoefening van het oude ambacht. Voor een zeer uitgebreid overzicht van de Franse molenhandleidingen uit de achttiende en negentiende eeuw, zie de bibliografie bij S.L. Kaplan, Les ventres de Paris. Pouvoir et approvisionnement dans la France de l'Ancien Régime, (Paris 1988) en M. Arpin, Historique de la meunerie et de la boulangerie, 2 vols. (Paris 1948).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-10&amp;gt;[10] Zo heeft de molendwang bijvoorbeeld nooit gegolden in de stad Utrecht. Perks, Zes eeuwen, 44.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-11&amp;gt;[11] Zie J.H. van der Hoek Ostende, &amp;lt;Concurrentie tussen binnen‑ en buitenmolenaars&amp;gt;, in: Ons Amsterdam, 19 (1967), nr. 3,  82‑89.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-12&amp;gt;[12] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Algemene Zaken, 1841, nr.634, brief van de korenmolenaars G. Rutjes, J. Jongeboer en J.C. Weers aan Burgemeester en Wethouders, 15 januari 1841.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-13&amp;gt;[13] J.L. van Zanden, &amp;lt;De introductie van stoom in de Amsterdamse meelfabricage, 1828-1855; over de rol van marktstructuren, ondernemersgedrag en de overheid&amp;gt;, in: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek, 8 (1991), 69.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-14&amp;gt;[14] Bicker Caarten, De molen in ons volksleven, 18.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-15&amp;gt;[15] Wet van 21 aug. 1822, Stbl. 36.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-16&amp;gt;[16] Wet van 29 mrt. 1833, Stbl. 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-17&amp;gt;[17] J.H. van den Hoek Ostende, &amp;lt;Stoomkorenmolens in Amsterdam&amp;gt;, in: Ons Amsterdam, 19 (1967), 370‑375.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-18&amp;gt;[18] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 725, brief van 17 eigenaren aan de burgemeester van de stad Amsterdam, 13 maart 1827.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-19&amp;gt;[19] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 1119, brief van zeven molenaars aan de Koning.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-20&amp;gt;[20] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 835, brief van de molenaars J. Beerekamp en P. Fruithof aan Burgemeester en wethouders.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-21&amp;gt;[21] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 927, brief van de commissaris over de publieke werken aan de wethouder van Financiën, 28 maart 1827.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-22&amp;gt;[22] Ibidem, 1827, nr. 926, brief van de commissaris over de stedelijke accijnzen en belastingen aan de wethouder van Financiën, 16 maart 1827.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-23&amp;gt;[23] Ibidem, 1828, nr. 157, brief van G. Cantillon aan Burgemeester en wethouders 12 januari 1828.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-24&amp;gt;[24] Rijksarchief Noord‑Holland, Provinciaal Bestuur 1814‑1850, brief van de arrondissementsinspecteur van Amsterdam aan de gouverneur 19 juni 1828, ingekomen stukken gouverneur, inv.nr. 770, afd. Rijksmiddelen reg.nr. 217.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-25&amp;gt;[25] Gemeente-archief Amsterdam, Algemene Zaken, 1842, doss. 4605.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-26&amp;gt;[26] Naar aanleiding van de publicatie van een eerdere versie van deze innovatiestudie (H. Lintsen, Molenbedrijf en meelfabriek in Nederland in de negentiende eeuw, (Den Haag 1989)) verscheen een uitvoerige reactie van J.L. van Zanden, &amp;lt;De introductie van stoom in de Amsterdamse meelfabricage, 1828-1855. over de rol van marktstrukturen, ondernemersgedrag en de overheid,&amp;gt; in: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek, 8 (1991), 63-80. Zijn kritiek is in deze en de volgende paragraaf verwerkt. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-27&amp;gt;[27] Van Zanden, &amp;lt;De introductie van stoom&amp;gt;, passim.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-28&amp;gt;[28] Ibidem, 76.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-29&amp;gt;[29] Ibidem, 76.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-30&amp;gt;[30] Ibidem, 76.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-31&amp;gt;[31] Van den Hoek Ostende, &amp;lt;Stoomkorenmolens in Amsterdam&amp;gt;, 370‑375.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-32&amp;gt;[32] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Algemene Zaken, 1837, nr. 7598, brief van de korenmolenaars H.K. Harreveld en D. v.d. Made aan Burgemeester en Wethouders (niet gedateerd). Gemeentearchief Amsterdam, Archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 725, brief van 17 eigenaren aan de burgemeester van de stad Amsterdam, 13 maart 1827.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-33&amp;gt;[33] De omstandigheden waren in dat jaar ook nog gunstig, daar de aardappeloogst was mislukt en diverse voedingsmiddelen duur waren in verhouding tot tarwe en rogge. Gemeenteverslag Amsterdam 1843.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-34&amp;gt;[34] Het gaande werk of het gangwerk is het samenstel van spillen, wielen of raderen en assen die de molenstenen of de machines aandrijven (Van Bussel, Korenmolens, 96).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-35&amp;gt;[35] Gemeenteverslag Zevenaar 1858.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-36&amp;gt;[36] Gemeenteverslagen Leeuwarden 1852 en 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-37&amp;gt;[37] Provinciaal verslag Friesland 1857.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-38&amp;gt;[38] Provinciaal verslag Friesland 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-39&amp;gt;[39] ara, Provinciaal Bestuur Zuid‑Holland 1850‑1945, minuut besluiten GS met bijlagen, inv.nr. 658. Brief van Van der Hoogt 13 december 1853, no. 39.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-40&amp;gt;[40] Rijksarchief in Gelderland, archief Gedeputeerde Staten, Nijverheid, inv. nr. 2505 107/1, request van L. Blom, oktober 1858. Een ander voorbeeld in Gelderland betrof grondeigenaar Mr. A. Boxman te Gorinchem die ook een stoommachine wilde in &amp;lt;zijnen steenen windkoornmolen ... ten einde bij windstilte de burgerij des te beter te kunnen gerieven ...&amp;gt; (Ibidem, 2505, brief van A. Boxman aan GS, 6 oktober 1852 Gorinchem).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-41&amp;gt;[41] ara, Provinciaal Bestuur Zuid‑Holland 1850‑1945, minuut besluiten GS met bijlagen, inv. nr. 658, request van Moens, 21 april 1857, no. 15.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-42&amp;gt;[42] Gemeenteverslag van Delfshaven 1859.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-43&amp;gt;[43] Verslag Kamer van Koophandel Groningen over 1852. Het gemeenteverslag van Groningen voegde daar in 1853 aan toe, dat &amp;lt;de nieuw opgerigte stoomkorenmolen in vollen gang (is) en ... vooral gedurende de windstilte in den herfst van groot nut (is) geweest&amp;gt; (Gemeenteverslag van Groningen 1853).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-44&amp;gt;[44] Gemeenteverslag Vlissingen 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-45&amp;gt;[45] ara, Provinciaal Bestuur Zuid-Holland 1850‑1945, minuut besluiten GS met bijlagen, inv.nr. 728, advies B&amp;amp;W Sliedrecht aan GS Zuid‑Holland, 3 juni 1857 nr. 12.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-46&amp;gt;[46] Gemeenteverslag Lichtenvoorde 1858. Sas van Gent zag haar stoommolen in 1856 eveneens zelden werken. De molen maalde alleen bij windstilte (Gemeenteverslag Sas van Gent 1857).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-47&amp;gt;[47] Bicker Caarten, De molen in ons volksleven, 31. Zie voor het zware en vaak ook ongezonde werk op de molen ook: Nijhof, Windmolens in Nederland, 75-80.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-48&amp;gt;[48] Gemeenteverslag van Leeuwarden 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-49&amp;gt;[49] Rijksarchief in Gelderland, archief Gedeputeerde Staten, Nijverheid 25.05 67/1, brief van T. Krabbenberg en H. Harberts, Exh. 22 dec. 1855, No. 12.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-50&amp;gt;[50] Ibidem, stad Doetinchem/1, Brief van B. Vels, 14 october 1855.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-51&amp;gt;[51] Rijksarchief in Gelderland, archief Gedeputeerde Staten, Hinderwet, inv. no. 16.08 54/1, brief van H. Kleve en P. Kerkhofs, 3 maart 1856.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-52&amp;gt;[52] ara, Provinciaal Bestuur Zuid‑Holland 1850‑1945, minuut besluiten G.S. met bijlagen inv. nr. 726, brief van Estor 12 mei 1857, no. 24.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-53&amp;gt;[53] Rijksarchief Noord-Holland, Provinciaal Bestuur, inv. nr. 2324 (30 dec. 1846); inv. nr. 2328 (25 jan. 1847); inv. nr. 2331 (18 feb. 1847).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-54&amp;gt;[54] Gemeenteverslag van Groningen 1856. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-55&amp;gt;[55] Gemeenteverslag van Lienden 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-56&amp;gt;[56] D. Pas, &amp;lt;Beknopt overzigt van de ambachts‑ en fabrieksnijverheid in Nederland over 1869&amp;gt;, in: Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid, 1870, 313).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-57&amp;gt;[57] Een voorbeeld van intrekking m.b.t. stoomkorenmolens is niet gevonden, wel m.b.t. een katoenspinnerij, nl. die van A.Jannink te Enschede, zie: Rijksarchief Overijssel, Provinciaal Bestuur na 1813, ingekomen stukken 1856, reg.nr. 2270, diverse stukken.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-58&amp;gt;[58] S.A. Bleekrode, De nieuwste verbeteringen en uitvindingen met betrekking tot de wind- en korenmolens, (Groningen 1844). &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-59&amp;gt;[59] Gemeentearchief Rotterdam, archief Kamer van Koophandel, inv. nr. 64 iii, doss. nr. 290, nota van Gebr. van Stolk aan Kamer van Koophandel Rotterdam, 16 sept. 1852.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-60&amp;gt;[60] Handelingen Staten Generaal, Tweede Kamer, 1853/54, 9825.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-61&amp;gt;[61] Ibidem, 978.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-62&amp;gt;[62] Wet ...&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-63&amp;gt;[63] De ontwikkeling van de mouture économique in haar technische, commerciële en politieke aspecten is uitputtend behandeld in: S.L. Kaplan, Les ventres de Paris.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-64&amp;gt;[64] Beguillet et Bucquet, Manuel du Meunier et du Charpentier de moulins économiques (Paris 1775).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-65&amp;gt;[65] Voor de twijfels omtrent de bedrijfseconomische voordelen van de mouture économique, zie S.L. Kaplan, Les ventres de Paris, 336-337.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-66&amp;gt;[66] A. Husson, La consommation de Paris, (Paris 18752), 27-29.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-67&amp;gt;[67] Ibidem, 128-129; 139-140; 150-151.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-68&amp;gt;[68] Kaplan, Les ventres de Paris, 345-352.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-69&amp;gt;[69] Arpin, Historique de la meunerie, i, 133.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-70&amp;gt;[70] P. Mohr, Die Entwicklung des Grossbetriebs in der Getreidemüllerei Deutschlands, (Berlin 1899), 22; J. Storck and W.D. Teague, Flour for Man's Bread, (z.p., z.j.), 199-204.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-71&amp;gt;[71] Voor het Franse werk op dit gebied, zie: B. Belhoste, J.-F. Belhoste, S. Benoît, e.a., Le moteur hydraulique en France au XIXe siècle: concepteurs, inventeurs et constructeurs, (Paris 1990; Cahiers d'Histoire et de Philosophie des Sciences, nouvelle série nr. 29).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-72&amp;gt;[72] Mohr, Entwicklung des Grossbetriebs, 26, 30.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-73&amp;gt;[73] Mohr, Entwicklung des Grossbetriebs, 282.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-74&amp;gt;[74] Gemeentearchief Utrecht, archief &amp;lt;De Korenschoof&amp;gt;, inv. nr. 32.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-75&amp;gt;[75] Eén voorbeeld is nog gevonden van een gemeente die gebruik maakte van de mogelijkheid om ook na 1856 de oude wet plaatselijk te handhaven. De molenaar Teunis van Andel in Gorkum moest speciale toestemming van de Minister van Financiën hebben om in zijn woonplaats een echte meelfabriek met builen en zeven op te richten.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-76&amp;gt;[76] S.A. Bleekrode, &amp;lt;De Meel- en Broodfabrijk te Amsterdam&amp;gt;, in: Nieuw Tijdschrift, 1 (1859), 193-208. Hier: 194-195. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-77&amp;gt;[77] Nederlandsche Staatscourant, ... aug. 1856.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-78&amp;gt;[78] Plan tot het oprigten van Broodfabrieken [brochure door S. Sarphati en J.A. van Eijk, 1 okt. 1855].&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-79&amp;gt;[79] Bleekrode, &amp;lt;Meel- en Broodfabrijk&amp;gt;, 196.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-80&amp;gt;[80] Zie voor de geschiedenis en de beschrijving van de meelfabriek: S. Bleekrode, &amp;lt;De meel‑en broodfabrijk te Amsterdam&amp;gt;, Nieuw Tijdschrift, 1 (1859) 193‑208, 225‑240, 277‑291.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-81&amp;gt;[81] Brood- en Meelfabriek te 's-Gravenhage: Nederlandsche Staatscourant 24 mei 1861; Utrechtsche Brood- en Meelfabriek: idem, 13 mei 1863; Delftsche Broodfabriek: idem, 11 april 1866. Onder de 52 aandeelhouders bevinden zich vier hoogleraren van de Polytechnische School. Leidsche Broodfabriek: idem, 26 mei 1866. Hier Leidse en Amsterdamse hoogelraren, leraren van de hbs, de meeste belangrijke Leidse industriëlen. Haarlemsche Brood- en Meelfabriek: idem, 30 mei 1866.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-82&amp;gt;[82] Nederlandsche Staatscourant, 13 mei 1863.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-83&amp;gt;[83] D. Pas, &amp;lt;Beknopt Overzigt van de Ambachts‑en Fabrieksnijverheid in Nederland over 1864&amp;gt;, in: Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid 1865, 388.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-84&amp;gt;[84] &amp;lt;De Rotterdamsche Meel‑ en Broodfabriek&amp;gt;, in: Magazijn voor Landbouw en Kruidkunde 1867, 86‑88.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-85&amp;gt;[85] Uitgegaan is van een stoommachine die 3 kg steenkool per uur gebruikte. De gemiddelde steenkoolprijs was in de jaren zestig ca. 11 cent per kg. De graanmaalderij was 300 dagen van 12 uren in bedrijf. De produktie in een dergelijk type graanmaalderij lag op ca. 500 kilo tarwe per uur.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-86&amp;gt;[86] Pas, &amp;lt;Beknopt overzigt&amp;gt;, 453.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-87&amp;gt;[87] Van Zanden, &amp;lt;De introductie van stoom&amp;gt;, 77-78.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-88&amp;gt;[88] Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid 1863, 57.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-89&amp;gt;[89] Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid 1864, 453.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-90&amp;gt;[90] Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid 1870, 313.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-91&amp;gt;[91] Gemeentearchief Dordrecht, Archief van de commissie tot oprichting van een meel‑en broodfabriek te Dordrecht, inv. nr.4, commissievergadering 20 januari 1865.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-92&amp;gt;[92] Ibidem, inv.nr. 13, sollicitatiebrief van F.W. van der Putten.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-93&amp;gt;[93] Ibidem, inv.nr. 13, brief van Nolet &amp;amp; Zoon.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-94&amp;gt;[94] Ibidem, inv.nr. 1, brief van de directeur van de Amsterdamse Meel‑en Broodfabriek aan M.van Crayenstein, 21 juni 1863.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-95&amp;gt;[95] Bleekrode, &amp;lt;Meel- en Broodfabrijk&amp;gt;, 232.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-96&amp;gt;[96] B. Altena en D. van der Veen, &amp;lt;Een onbekende enquête naar broodconsumptie in Nederland in 1890&amp;gt;, in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 12 (1986), 135-152; hier: 149 (Zeeland) en 148 (Noord- en Zuid-Holland).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-97&amp;gt;[97] J.J. Voskuil, &amp;lt;De weg naar Luilekkerland&amp;gt;, in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 98 (1983), 460-482. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-98&amp;gt;[98] Bleekrode, &amp;lt;De Meel‑en Broodfabrijk&amp;gt;, 225.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-99&amp;gt;[99] &amp;lt;Verslag van de tweede openbare vergadering van de Vereniging voor Volksvlijt&amp;gt;, in: De Volksvlijt, 1855; hier: 195.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-100&amp;gt;[100] Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid, 1862, 257‑387; idem, 1863, 306‑361.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-101&amp;gt;[101] Tijdschrift van de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid, 1851, 450-451; men citeert een artikel van de Utrechtse hoogleraar F.C. Donders in De Nederlandsche Lancet, 4 (1849) 739-755.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H3</id>
		<title>Noten TIN19-1-H3</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H3"/>
				<updated>2007-06-20T11:10:12Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 3''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-1&amp;gt;[1] Het betreft in 1878/1879 124 bedrijfjes, waarvan 110 in Noord‑Brabant. In 1850/1851 waren het er 435, waarvan 364 in Noord‑Brabant. Bescheiden betreffende de geldmiddelen, &amp;lt;Statistieke tabellen van het patentregt over de dienstjaren 1850‑1851 en 1878‑1879&amp;gt;.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-2&amp;gt;[2] W.C.H. Staring, &amp;lt;Hand‑graanmolens&amp;gt;, in: De Volksvlijt, 1856, 55‑56.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-3&amp;gt;[3] Mededeling van P.W.E.A. van Bussel. Met name horizontale molentjes met een steenmiddellijn van 40 cm konden fijn meel produceren. Zie ook: Gemeentearchief Dordrecht, archief van de Commissie ter oprichting van een Meel‑ en Broodfabriek te Dordrecht, nr. 224, inv.nr. 2, brief van J. Boeke aan J. Vriesendorp, 10‑4‑1863.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-4&amp;gt;[4] Provinciaal Verslag Zeeland, 1846.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-5&amp;gt;[5] Aan het begin van de negentiende eeuw werden in de noordelijke provincies 156 boekweitmolens geteld. Slechts twee waren windmolens, de rest rosmolens. Dezelfde statistiek maakte melding van 995 korenmolens, waarvan 10 aangedreven door paarden, 857 door wind en 818 door water. F.J.B. d'Alphonse, &amp;lt;Aperçu sur la Hollande&amp;gt;, Bijdragen tot de Statistiek der Nederlanden, Centraal Bureau voor de Statistiek, deel i,  544‑545.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=3-6&amp;gt;[6] Er is bij het schrijven van het navolgende vooral gebruik gemaakt van het werk van P.W.E.A. van Bussel, Korenmolens van ambacht tot industrie (Eindhoven 1981), een van de weinige standaardwerken op het gebied van de oude maaltechniek.&lt;br /&gt;
Zie verder ook: D.J. Abelskamp, &amp;lt;Van oud naar nieuw in het malerijbedrijf&amp;gt;, dln. 1 9, in: De Gelderse Molen, jaargangen 1974-1978; L. Gebuis, &amp;lt;Het malen van tarwe, van huishoudelijke arbeid tot industrietak&amp;gt;, in: Samen sterk 1969; V. Mulder, &amp;lt;Van roe en rad tot loper en ligger&amp;gt;, in: Van Haver tot Gort 1977, 1978, 1979; P.H.J. Trouwen, &amp;lt;Op de molen&amp;gt;, in: S.H.A.M. Zoetmulder (red.), De Brabantse molens (Helmond 1973), 34 45; P.H.J. Trouwen , &amp;lt;Tussen Eendracht en Amer&amp;gt;, in: idem, 46 83; W.A.G. Perks, Zes eeuwen molens in Utrecht (Utrecht 1974).&lt;br /&gt;
A. Bicker Caarten, De molen in ons volksleven (Leiden 1958); Gelders Molenboek (Zutphen 1969); I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw (Utrecht 1971), 64 66; H.A. Visser, Zwaaiende wieken, over de geschiedenis en het bedrijf van de windmolens in Nederland (Arnhem 1979); A.J. Morrenga Stapff, Verdwenen windmolens in Zuid Holland (Eindhoven 1979); In de tijdschriften Gelderse Molen, Samen Sterk en Van Haver tot Gort bevatten nog meer publikaties over de maaltechniek in het molenbedrijf.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-7&amp;gt;[7] Doordat het gluten korrelig werd. C.C.J. Teerlink, &amp;lt;Over het onderzoek van tarwemeel&amp;gt;, in: Tijdschrift van de Maatschappij ter bevordering van Nijverheid, 1862, 257-307; hier: 296.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-8&amp;gt;[8] Ibidem, 259-260 en 293-294.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-9&amp;gt;[9] Een van de weinige handleidingen is Van Bussel, Korenmolens, die verscheen lang na het hoogtepunt van het molenbedrijf. Zij dient nu vooral de geschiedschrijving en de herbeoefening van het oude ambacht. Voor een zeer uitgebreid overzicht van de Franse molenhandleidingen uit de achttiende en negentiende eeuw, zie de bibliografie bij S.L. Kaplan, Les ventres de Paris. Pouvoir et approvisionnement dans la France de l'Ancien Régime, (Paris 1988) en M. Arpin, Historique de la meunerie et de la boulangerie, 2 vols. (Paris 1948).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-10&amp;gt;[10] Zo heeft de molendwang bijvoorbeeld nooit gegolden in de stad Utrecht. Perks, Zes eeuwen, 44.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-11&amp;gt;[11] Zie J.H. van der Hoek Ostende, &amp;lt;Concurrentie tussen binnen‑ en buitenmolenaars&amp;gt;, in: Ons Amsterdam, 19 (1967), nr. 3,  82‑89.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-12&amp;gt;[12] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Algemene Zaken, 1841, nr.634, brief van de korenmolenaars G. Rutjes, J. Jongeboer en J.C. Weers aan Burgemeester en Wethouders, 15 januari 1841.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-13&amp;gt;[13] J.L. van Zanden, &amp;lt;De introductie van stoom in de Amsterdamse meelfabricage, 1828-1855; over de rol van marktstructuren, ondernemersgedrag en de overheid&amp;gt;, in: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek, 8 (1991), 69.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-14&amp;gt;[14] Bicker Caarten, De molen in ons volksleven, 18.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-15&amp;gt;[15] Wet van 21 aug. 1822, Stbl. 36.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-16&amp;gt;[16] Wet van 29 mrt. 1833, Stbl. 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-17&amp;gt;[17] J.H. van den Hoek Ostende, &amp;lt;Stoomkorenmolens in Amsterdam&amp;gt;, in: Ons Amsterdam, 19 (1967), 370‑375.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-18&amp;gt;[18] Gemeentearchief Amsterdam, Archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 725, brief van 17 eigenaren aan de burgemeester van de stad Amsterdam, 13 maart 1827.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-19&amp;gt;[19] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 1119, brief van zeven molenaars aan de Koning.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-20&amp;gt;[20] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 835, brief van de molenaars J. Beerekamp en P. Fruithof aan Burgemeester en wethouders.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-21&amp;gt;[21] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 927, brief van de commissaris over de publieke werken aan de wethouder van Financiën, 28 maart 1827.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-22&amp;gt;[22] Ibidem, 1827, nr. 926, brief van de commissaris over de stedelijke accijnzen en belastingen aan de wethouder van Financiën, 16 maart 1827.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-23&amp;gt;[23] Ibidem, 1828, nr. 157, brief van G. Cantillon aan Burgemeester en wethouders 12 januari 1828.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-24&amp;gt;[24] Rijksarchief Noord‑Holland, Provinciaal Bestuur 1814‑1850, brief van de arrondissementsinspecteur van Amsterdam aan de gouverneur 19 juni 1828, ingekomen stukken gouverneur, inv.nr. 770, afd. Rijksmiddelen reg.nr. 217.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-25&amp;gt;[25] Gemeente-archief Amsterdam, Algemene Zaken, 1842, doss. 4605.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-26&amp;gt;[26] Naar aanleiding van de publicatie van een eerdere versie van deze innovatiestudie (H. Lintsen, Molenbedrijf en meelfabriek in Nederland in de negentiende eeuw, (Den Haag 1989)) verscheen een uitvoerige reactie van J.L. van Zanden, &amp;lt;De introductie van stoom in de Amsterdamse meelfabricage, 1828-1855. over de rol van marktstrukturen, ondernemersgedrag en de overheid,&amp;gt; in: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek, 8 (1991), 63-80. Zijn kritiek is in deze en de volgende paragraaf verwerkt. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-27&amp;gt;[27] Van Zanden, &amp;lt;De introductie van stoom&amp;gt;, passim.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-28&amp;gt;[28] Ibidem, 76.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-29&amp;gt;[29] Ibidem, 76.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-30&amp;gt;[30] Ibidem, 76.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-31&amp;gt;[31] Van den Hoek Ostende, &amp;lt;Stoomkorenmolens in Amsterdam&amp;gt;, 370‑375.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-32&amp;gt;[32] Gemeentearchief Amsterdam, archief Secretarie‑Afdeling Algemene Zaken, 1837, nr. 7598, brief van de korenmolenaars H.K. Harreveld en D. v.d. Made aan Burgemeester en Wethouders (niet gedateerd). Gemeentearchief Amsterdam, Archief Secretarie‑Afdeling Financiën, 1827, nr. 725, brief van 17 eigenaren aan de burgemeester van de stad Amsterdam, 13 maart 1827.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-33&amp;gt;[33] De omstandigheden waren in dat jaar ook nog gunstig, daar de aardappeloogst was mislukt en diverse voedingsmiddelen duur waren in verhouding tot tarwe en rogge. Gemeenteverslag Amsterdam 1843.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-34&amp;gt;[34] Het gaande werk of het gangwerk is het samenstel van spillen, wielen of raderen en assen die de molenstenen of de machines aandrijven (Van Bussel, Korenmolens, 96).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-35&amp;gt;[35] Gemeenteverslag Zevenaar 1858.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-36&amp;gt;[36] Gemeenteverslagen Leeuwarden 1852 en 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-37&amp;gt;[37] Provinciaal verslag Friesland 1857.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-38&amp;gt;[38] Provinciaal verslag Friesland 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-39&amp;gt;[39] ara, Provinciaal Bestuur Zuid‑Holland 1850‑1945, minuut besluiten GS met bijlagen, inv.nr. 658. Brief van Van der Hoogt 13 december 1853, no. 39.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-40&amp;gt;[40] Rijksarchief in Gelderland, archief Gedeputeerde Staten, Nijverheid, inv. nr. 2505 107/1, request van L. Blom, oktober 1858. Een ander voorbeeld in Gelderland betrof grondeigenaar Mr. A. Boxman te Gorinchem die ook een stoommachine wilde in &amp;lt;zijnen steenen windkoornmolen ... ten einde bij windstilte de burgerij des te beter te kunnen gerieven ...&amp;gt; (Ibidem, 2505, brief van A. Boxman aan GS, 6 oktober 1852 Gorinchem).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-41&amp;gt;[41] ara, Provinciaal Bestuur Zuid‑Holland 1850‑1945, minuut besluiten GS met bijlagen, inv. nr. 658, request van Moens, 21 april 1857, no. 15.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-42&amp;gt;[42] Gemeenteverslag van Delfshaven 1859.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-43&amp;gt;[43] Verslag Kamer van Koophandel Groningen over 1852. Het gemeenteverslag van Groningen voegde daar in 1853 aan toe, dat &amp;lt;de nieuw opgerigte stoomkorenmolen in vollen gang (is) en ... vooral gedurende de windstilte in den herfst van groot nut (is) geweest&amp;gt; (Gemeenteverslag van Groningen 1853).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-44&amp;gt;[44] Gemeenteverslag Vlissingen 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-45&amp;gt;[45] ara, Provinciaal Bestuur Zuid-Holland 1850‑1945, minuut besluiten GS met bijlagen, inv.nr. 728, advies B&amp;amp;W Sliedrecht aan GS Zuid‑Holland, 3 juni 1857 nr. 12.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-46&amp;gt;[46] Gemeenteverslag Lichtenvoorde 1858. Sas van Gent zag haar stoommolen in 1856 eveneens zelden werken. De molen maalde alleen bij windstilte (Gemeenteverslag Sas van Gent 1857).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-47&amp;gt;[47] Bicker Caarten, De molen in ons volksleven, 31. Zie voor het zware en vaak ook ongezonde werk op de molen ook: Nijhof, Windmolens in Nederland, 75-80.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-48&amp;gt;[48] Gemeenteverslag van Leeuwarden 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-49&amp;gt;[49] Rijksarchief in Gelderland, archief Gedeputeerde Staten, Nijverheid 25.05 67/1, brief van T. Krabbenberg en H. Harberts, Exh. 22 dec. 1855, No. 12.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-50&amp;gt;[50] Ibidem, stad Doetinchem/1, Brief van B. Vels, 14 october 1855.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-51&amp;gt;[51] Rijksarchief in Gelderland, archief Gedeputeerde Staten, Hinderwet, inv. no. 16.08 54/1, brief van H. Kleve en P. Kerkhofs, 3 maart 1856.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-52&amp;gt;[52] ara, Provinciaal Bestuur Zuid‑Holland 1850‑1945, minuut besluiten G.S. met bijlagen inv. nr. 726, brief van Estor 12 mei 1857, no. 24.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-53&amp;gt;[53] Rijksarchief Noord-Holland, Provinciaal Bestuur, inv. nr. 2324 (30 dec. 1846); inv. nr. 2328 (25 jan. 1847); inv. nr. 2331 (18 feb. 1847).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-54&amp;gt;[54] Gemeenteverslag van Groningen 1856. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-55&amp;gt;[55] Gemeenteverslag van Lienden 1853.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-56&amp;gt;[56] D. Pas, &amp;lt;Beknopt overzigt van de ambachts‑ en fabrieksnijverheid in Nederland over 1869&amp;gt;, in: Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid, 1870, 313).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-57&amp;gt;[57] Een voorbeeld van intrekking m.b.t. stoomkorenmolens is niet gevonden, wel m.b.t. een katoenspinnerij, nl. die van A.Jannink te Enschede, zie: Rijksarchief Overijssel, Provinciaal Bestuur na 1813, ingekomen stukken 1856, reg.nr. 2270, diverse stukken.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-58&amp;gt;[58] S.A. Bleekrode, De nieuwste verbeteringen en uitvindingen met betrekking tot de wind- en korenmolens, (Groningen 1844). &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-59&amp;gt;[59] Gemeentearchief Rotterdam, archief Kamer van Koophandel, inv. nr. 64 iii, doss. nr. 290, nota van Gebr. van Stolk aan Kamer van Koophandel Rotterdam, 16 sept. 1852.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-60&amp;gt;[60] Handelingen Staten Generaal, Tweede Kamer, 1853/54, 9825.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-61&amp;gt;[61] Ibidem, 978.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-62&amp;gt;[62] Wet ...&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-63&amp;gt;[63] De ontwikkeling van de mouture économique in haar technische, commerciële en politieke aspecten is uitputtend behandeld in: S.L. Kaplan, Les ventres de Paris.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-64&amp;gt;[64] Beguillet et Bucquet, Manuel du Meunier et du Charpentier de moulins économiques (Paris 1775).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-65&amp;gt;[65] Voor de twijfels omtrent de bedrijfseconomische voordelen van de mouture économique, zie S.L. Kaplan, Les ventres de Paris, 336-337.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-66&amp;gt;[66] A. Husson, La consommation de Paris, (Paris 18752), 27-29.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-67&amp;gt;[67] Ibidem, 128-129; 139-140; 150-151.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-68&amp;gt;[68] Kaplan, Les ventres de Paris, 345-352.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-69&amp;gt;[69] Arpin, Historique de la meunerie, i, 133.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-70&amp;gt;[70] P. Mohr, Die Entwicklung des Grossbetriebs in der Getreidemüllerei Deutschlands, (Berlin 1899), 22; J. Storck and W.D. Teague, Flour for Man's Bread, (z.p., z.j.), 199-204.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-71&amp;gt;[71] Voor het Franse werk op dit gebied, zie: B. Belhoste, J.-F. Belhoste, S. Benoît, e.a., Le moteur hydraulique en France au XIXe siècle: concepteurs, inventeurs et constructeurs, (Paris 1990; Cahiers d'Histoire et de Philosophie des Sciences, nouvelle série nr. 29).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-72&amp;gt;[72] Mohr, Entwicklung des Grossbetriebs, 26, 30.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-73&amp;gt;[73] Mohr, Entwicklung des Grossbetriebs, 282.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-74&amp;gt;[74] Gemeentearchief Utrecht, archief &amp;lt;De Korenschoof&amp;gt;, inv. nr. 32.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-75&amp;gt;[75] Eén voorbeeld is nog gevonden van een gemeente die gebruik maakte van de mogelijkheid om ook na 1856 de oude wet plaatselijk te handhaven. De molenaar Teunis van Andel in Gorkum moest speciale toestemming van de Minister van Financiën hebben om in zijn woonplaats een echte meelfabriek met builen en zeven op te richten.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-76&amp;gt;[76] S.A. Bleekrode, &amp;lt;De Meel- en Broodfabrijk te Amsterdam&amp;gt;, in: Nieuw Tijdschrift, 1 (1859), 193-208. Hier: 194-195. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-77&amp;gt;[77] Nederlandsche Staatscourant, ... aug. 1856.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-78&amp;gt;[78] Plan tot het oprigten van Broodfabrieken [brochure door S. Sarphati en J.A. van Eijk, 1 okt. 1855].&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-79&amp;gt;[79] Bleekrode, &amp;lt;Meel- en Broodfabrijk&amp;gt;, 196.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-80&amp;gt;[80] Zie voor de geschiedenis en de beschrijving van de meelfabriek: S. Bleekrode, &amp;lt;De meel‑en broodfabrijk te Amsterdam&amp;gt;, Nieuw Tijdschrift, 1 (1859) 193‑208, 225‑240, 277‑291.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-81&amp;gt;[81] Brood- en Meelfabriek te 's-Gravenhage: Nederlandsche Staatscourant 24 mei 1861; Utrechtsche Brood- en Meelfabriek: idem, 13 mei 1863; Delftsche Broodfabriek: idem, 11 april 1866. Onder de 52 aandeelhouders bevinden zich vier hoogleraren van de Polytechnische School. Leidsche Broodfabriek: idem, 26 mei 1866. Hier Leidse en Amsterdamse hoogelraren, leraren van de hbs, de meeste belangrijke Leidse industriëlen. Haarlemsche Brood- en Meelfabriek: idem, 30 mei 1866.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-82&amp;gt;[82] Nederlandsche Staatscourant, 13 mei 1863.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-83&amp;gt;[83] D. Pas, &amp;lt;Beknopt Overzigt van de Ambachts‑en Fabrieksnijverheid in Nederland over 1864&amp;gt;, in: Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid 1865, 388.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-84&amp;gt;[84] &amp;lt;De Rotterdamsche Meel‑ en Broodfabriek&amp;gt;, in: Magazijn voor Landbouw en Kruidkunde 1867, 86‑88.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-85&amp;gt;[85] Uitgegaan is van een stoommachine die 3 kg steenkool per uur gebruikte. De gemiddelde steenkoolprijs was in de jaren zestig ca. 11 cent per kg. De graanmaalderij was 300 dagen van 12 uren in bedrijf. De produktie in een dergelijk type graanmaalderij lag op ca. 500 kilo tarwe per uur.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-86&amp;gt;[86] Pas, &amp;lt;Beknopt overzigt&amp;gt;, 453.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-87&amp;gt;[87] Van Zanden, &amp;lt;De introductie van stoom&amp;gt;, 77-78.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-88&amp;gt;[88] Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid 1863, 57.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-89&amp;gt;[89] Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid 1864, 453.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-90&amp;gt;[90] Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid 1870, 313.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-91&amp;gt;[91] Gemeentearchief Dordrecht, Archief van de commissie tot oprichting van een meel‑en broodfabriek te Dordrecht, inv. nr.4, commissievergadering 20 januari 1865.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-92&amp;gt;[92] Ibidem, inv.nr. 13, sollicitatiebrief van F.W. van der Putten.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-93&amp;gt;[93] Ibidem, inv.nr. 13, brief van Nolet &amp;amp; Zoon.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-94&amp;gt;[94] Ibidem, inv.nr. 1, brief van de directeur van de Amsterdamse Meel‑en Broodfabriek aan M.van Crayenstein, 21 juni 1863.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-95&amp;gt;[95] Bleekrode, &amp;lt;Meel- en Broodfabrijk&amp;gt;, 232.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-96&amp;gt;[96] B. Altena en D. van der Veen, &amp;lt;Een onbekende enquête naar broodconsumptie in Nederland in 1890&amp;gt;, in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 12 (1986), 135-152; hier: 149 (Zeeland) en 148 (Noord- en Zuid-Holland).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-97&amp;gt;[97] J.J. Voskuil, &amp;lt;De weg naar Luilekkerland&amp;gt;, in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 98 (1983), 460-482. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-98&amp;gt;[98] Bleekrode, &amp;lt;De Meel‑en Broodfabrijk&amp;gt;, 225.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-99&amp;gt;[99] &amp;lt;Verslag van de tweede openbare vergadering van de Vereniging voor Volksvlijt&amp;gt;, in: De Volksvlijt, 1855; hier: 195.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-100&amp;gt;[100] Tijdschrift Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid, 1862, 257‑387; idem, 1863, 306‑361.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-101&amp;gt;[101] Tijdschrift van de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid, 1851, 450-451; men citeert een artikel van de Utrechtse hoogleraar F.C. Donders in De Nederlandsche Lancet, 4 (1849) 739-755.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H2</id>
		<title>Noten TIN19-1-H2</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H2"/>
				<updated>2007-06-20T11:09:34Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 2''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-1&amp;gt;[1] Zie bijvoorbeeld J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand, 1600-1910 (Wageningen 1987), 604 e.v.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-2&amp;gt;[2] Vgl. E. Boserup, Population and Technology (Oxford 1981), hoofdstukken 8 tot 10.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-3&amp;gt;[3] B.H. Slicher van Bath, De agrarische geschiedenis van West-Europa 500-1850 (Utrecht/Antwerpen 1960), 267-309.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-4&amp;gt;[4] Slicher van Bath, Agrarische geschiedenis, 267.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-5&amp;gt;[5] Vgl. bijvoorbeeld de snelle uitbreiding van de tabaksteelt in Nederland: H.K. Roessingh, Inlandse tabak (Wageningen 1976), 186-245.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-6&amp;gt;[6] Zie voor deze beweging J.M.G. van der Poel, Heren en boeren (Wageningen 1949), 5-57.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-7&amp;gt;[7] Ibidem.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-8&amp;gt;[8] Vgl. P.J. Bouman, &amp;lt;Landbouworganisaties&amp;gt;, in: Z.W. Sneller (red.), Geschiedenis van den Nederlandschen landbouw 1795-1940 (Groningen 1943).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-9&amp;gt;[9] Vgl. J.L. van Zanden (red.), &amp;lt;Den zedelijken en materiëlen toestand der arbeidende bevolking ten platten lande&amp;gt;, in: Historia Agriculturae 21 (1990), 11-14.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-10&amp;gt;[10] J.M.G. van der Poel en R.J.C. Wessels, De verslagen van het Nederlandsch Landhuishoudkundig Congres 1846-1953 (z.pl. 1953), 13.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-11&amp;gt;[11] J.L. Zanden, De economische ontwikkeling van de Nederlandse landbouw in de negentiende eeuw 1800-1914 (Wageningen 1985), 377.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-12&amp;gt;[12] J.M.G. van der Poel, Honderd jaar landbouwmechanisatie in Nederland (Wageningen 1967), 199 e.v.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-13&amp;gt;[13] Zie de paragraaf over de introductie van de stoomploeg.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-14&amp;gt;[14] Th. van Tijn, &amp;lt;Het sociale leven in Nederland&amp;gt;, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, 13 (Bussum 1978), 314.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-15&amp;gt;[15] Van der Poel, Honderd jaar, 201-202.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-16&amp;gt;[16] H.A.M. Snelders, &amp;lt;Landbouw en scheikunde in Nederland in de voor-Wageningse periode (1800-1876)&amp;gt;, in: AAG Bijdragen, 24 (1984), 59-104.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-17&amp;gt;[17] Van der Poel, Honderd jaar, 190.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-18&amp;gt;[18] Vgl. de gegevens over ledenaantallen in de Landbouwverslagen, 1883-1885.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-19&amp;gt;[19] Y. Hayami and V.W. Ruttan, Agricultural development. An international perspective (Baltimore 1985).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-20&amp;gt;[20] Van Zanden, Economische ontwikkeling, 233-234, 252-253.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-21&amp;gt;[21] E. Mulder, De guano (Utrecht 1855), 9-10.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-22&amp;gt;[22] Ibidem, 10-11.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-23&amp;gt;[23] Landbouwverslag 1843, 166-167, 186-190.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-24&amp;gt;[24] Ibidem, 168.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-25&amp;gt;[25] J.M.G. van der Poel, Van Brakell, 17.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-26&amp;gt;[26] H.C. van Hall, &amp;lt;Proefneming met guano&amp;gt;, in: Tijdschrift ter bevordering van nijverheid, (1844), 450-2.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-27&amp;gt;[27] Landbouwverslag 1844, 115-6.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-28&amp;gt;[28] Ibidem, 116.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-29&amp;gt;[29] Ibidem.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-30&amp;gt;[30] Landbouwverslag 1851, 14.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-31&amp;gt;[31] Landbouwverslag 1854, 5.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-32&amp;gt;[32] Landbouwverslag 1865, 118.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-33&amp;gt;[33] Van Zanden, Economische ontwikkeling, 374.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-34&amp;gt;[34] Zie het verslag in de Algemeene landhuishoudelijke Courant, ii, 1848, no. 9.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-35&amp;gt;[35] Van Hall, &amp;lt;Proefneming&amp;gt;, 452.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-36&amp;gt;[36] Ibidem.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-37&amp;gt;[37] Snelders, &amp;lt;Landbouw&amp;gt;, 83, 89; Mulder, Guano, 73.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-38&amp;gt;[38] Landbouwcourant 1851, 283.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-39&amp;gt;[39] Van Zanden, Economische ontwikkeling, 192, 253.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-40&amp;gt;[40] Landbouwverslag 1843, 1844.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-41&amp;gt;[41] Van Zanden, Economische ontwikkeling, 192.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-42&amp;gt;[42] Landbouwverslag 1854, 45.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-43&amp;gt;[43] Keuning, De Groninger veenkoloniën (Amsterdam 1933), 112-3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-44&amp;gt;[44] Uitkomsten van het onderzoek naar den toestand van den landbouw in Nederland ('s-Gravenhage 1890), i, Barneveld 18.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-45&amp;gt;[45] Van Zanden, Economische ontwikkeling, 261.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-46&amp;gt;[46] Thompson, &amp;lt;Agricultural revolution&amp;gt;.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-47&amp;gt;[47] Berekeningen gebaseerd op Van Zanden, Economische ontwikkeling, 86, 111.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-48&amp;gt;[48] Landbouwverslag 1843, 189.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-49&amp;gt;[49] Deze paragraaf is, tenzij anders wordt aangegeven, gebaseerd op Van der Poel, Honderd jaar, 125-130.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-50&amp;gt;[50] Landbouwcourant 1851, 73.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-51&amp;gt;[51] Ibidem, 112.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-52&amp;gt;[52] Ibidem, 73, 112.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-53&amp;gt;[53] P. Heidema en E. Dijkema, &amp;lt;Beschrijving van den landbouw in het district Hunsego, provincie Groningen&amp;gt;, in: G.H. Kocks en J.M.G. van der Poel, Landbouwkundige beschrijvingen uit de negentiende eeuw (Wageningen 1979) i, 511.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-54&amp;gt;[54] Van der Poel, Honderd jaar, 130.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-55&amp;gt;[55] Landbouwverslag 1865, 115.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-56&amp;gt;[56] C.J. Geertsema, &amp;lt;Beschrijving van den landbouw in de disctricten Oldambt, Westerwolde en Fivelgo in de provincie Groningen&amp;gt;, in: G.H. Kocks en J.M.G. van der Poel, Landbouwkundige beschrijvingen uit de negentiende eeuw (Wageningen 1979) i, 96.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-57&amp;gt;[57] Ibidem, 258-259.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-58&amp;gt;[58] Landbouwverslag 1865, 121.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-59&amp;gt;[59] Landbouwverslag, 106.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-60&amp;gt;[60] H.M. Hartog, &amp;lt;Landhuishoudkundige beschrijving der Geldersche Vallei, gelegen in de provinciën Gelderland en Utrecht&amp;gt;, in: G.H. Kocks en J.M.G. van der Poel, Landbouwkundige beschrijvingen uit de negentiende eeuw (Wageningen 1979) ii, 104.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-61&amp;gt;[61] Van der Poel, Honderd jaar, 141-142.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-62&amp;gt;[62] H.C. van Hall, &amp;lt;Schets van den landbouw in Nieuw-Scheemda&amp;gt;, in: G.H. Kocks en J.M.G. van der Poel, Landbouwkundige beschrijvingen uit de negentiende eeuw (Wageningen 1979) i, 490.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-63&amp;gt;[63] W.J.D. van Iterson, Schets van de landhuishouding der Meijerij ('s- Hertogenbosch 1868), 141.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-64&amp;gt;[64] Ook deze paragraaf is grotendeels gebaseerd op het standaardwerk van Van der Poel, Honderd jaar, 142-148.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-65&amp;gt;[65] G.J. van den Bosch, Verslag aan de Algemeene Koninklijke Landbouw-Vereeniging, over de stoomcultuur in Engeland en hare toepassing in Nederland (z.pl. 1861).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-66&amp;gt;[66] Ibidem, 32.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-67&amp;gt;[67] Ibidem, 35-57.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-68&amp;gt;[68] Vgl. de opgaven over de grootte van de landbouwbedrijven in Landbouwverslag 1883.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-69&amp;gt;[69] Van der Poel, Honderd jaar, 179-182.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-70&amp;gt;[70] Van den Bosch, Verslag, 65.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-71&amp;gt;[71] Ibidem, 64.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-72&amp;gt;[72] Van der Poel, Honderd jaar, 147.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-73&amp;gt;[73] Ibidem, 148.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-74&amp;gt;[74] Van der Poel, Honderd jaar, 139 e.v.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-75&amp;gt;[75] Vgl. Van Zanden, Economische ontwikkeling, 133, 246 e.v.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=2-76&amp;gt;[76] Ibidem, 139&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H10</id>
		<title>Noten TIN20-3-H10</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H10"/>
				<updated>2007-06-20T10:48:17Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 10''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-1&amp;gt;[1] Jan de Vries en Ad van der Woude, Nederland 1800-1915. De eerste ronde van moderne economische groei. Amsterdam 1995.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-2&amp;gt;[2] E. Bloemen, J. Kok en J.L. van Zanden, De top 100 van industriële bedrijven in Nederland 1913-1990 (Den Haag 1993); D. Jacobs e.a., De economische kracht van Nederland. Een toepassing van Porters benadering van de concurrentiekracht van landen. (Den Haag &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-3&amp;gt;[3] Voedingsmiddelenjaarboek 1998, Houten 1998 (Keesing Noordervliet BV), 11-48.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-4&amp;gt;[4] Infotitel Biologische Landbouw, Uitgave van ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, (Den Haag 1999; Een eerlijke kijk op biologische voeding, Consumentenbond (Utrecht en Antwerpen 1999); Hielke van der Meulen, Traditionele streekrecepten. Gastr&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-5&amp;gt;[5] A.C.M.Louwes en W.J.Gerritsen, Landbouwuniversiteit bereidt zich voor op de toekomst, Voeding 58 (1997) 10, 13-16; Connie Engelberts, Het ‘pluis’ van de wetenschapper. Interview met Martijn Katan, Voeding Nu 1 (1999) 4, 13-16; informatie ook ontleend aan &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-6&amp;gt;[6] Door menselijke organisaties en technieken is de natuur vergaand beheerst, hetgeen nieuwe afhankelijkheden heeft geschapen, zie J.Goudsblom, Het regime van de tijd, (Amsterdam 1997), 212-214, E. Zahb, Leven met de welvaart. Een sociologische beschouwing (&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-7&amp;gt;[7] Patroon verwijst naar de regelmaat van (gezamenlijk gedeeld) tafelgedrag van huishoudens, ingebed in regio’s, religies, klassen en naties&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-8&amp;gt;[8] E.M. de Wolf, Hoe meer maaltijden, hoe gezonder?, Voeding, 56 (1995) 7/8, 24-26; A.Stafleu, M.Kuilman,. Een trend met positieve en negatieve gezondheidsaspecten, Voeding 59 (1998) 7/8, 19-23; A.Stafleu, M. Kuilman, J.H.den Breeijen, Consumptie van tussend&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-9&amp;gt;[9] ‘Biotechnologie is het gebruik van levende cellen of onderdelen daarvan voor de produktie van stoffen op technische schaal’, Karel van Dam, ‘Wat is biotechnologie?’, R.van Dam-Mieras (red.), Eten en weten. Moderne biotechnologie en voedselproductie (Heerl&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-10&amp;gt;[10] E.J.Kok, M.Y.Noordam, H.P.J.M.Notebom, Marktintroductie van genetisch gemodificeerde voedingsmiddelen, Voeding 57 (1996) 7/8, 20-23.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-11&amp;gt;[11] Th.Ockhuizen, Verandering in het conceptuele denken over voedsel en voeding, Voeding 55 (1994) 1, 8-10&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-12&amp;gt;[12] het maken van natuuridentieke aromastoffen is zo kostbaar, dat Quest overschakelt op ‘biogenese’, dat wil zeggen het imitatie van het natuurlijke produktieproces met behulpvan enzymen of complete micro-organismen, zie: J.van Kasteren, Biotechnologie steed&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-13&amp;gt;[13] A.J.van Ooyen, Biotechnologie en voeding, in: A.P.den Hartog, A.van der Heijden e.a., Nieuwe voedingsmiddelen. Biotechnologie, novel en functional foods, (Utrecht 1994), 29-37.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-14&amp;gt;[14] Oskar de Kuijer, Leo Jansen e.a. (red.), DTO Sleutel Voeden. Spectrum van een duurzame voedselvoorziening. Rapport van het Interdepartementaal Onderzoeksprogramma Duurzame Technologische Ontwikkeling (DTO) (Den Haag 1997).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-15&amp;gt;[15] J.F.van Wijnen, Gemanipuleerd voedsel, Vrij Nederland, 19 juni 1999.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-16&amp;gt;[16] Eten zonder ‘gentech’ is nu al verleden tijd., Het Parool, 3-11-1998; Greenpeace Magazine, 22e jrg. 2000, 29., benadrukt de nadelen voor de soortendiversiteit door ‘genetische vervuiling’.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-17&amp;gt;[17] Connie Engelberts, Interview Cees van Woerkum, ‘Symboliek is belangrijker dan argumenten’, Voeding Nu 1 (1999) 2, 15-20, aldaar 18-19.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-18&amp;gt;[18] E.Wermuth, C. Kromhout, J.Ph. van der Zwaluw, Genetisch gemodificeerde sojaboon in aantocht, Voeding 57 (1996) 9, no. 9, 6-10.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-19&amp;gt;[19] W.J.Gerritsen, Betrokkenheid bij productie van voedsel continu in kaart gebracht, Voeding 59 (1998)1/2, 8-10.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-20&amp;gt;[20] Trouw, 24 mei 2000, 7.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-21&amp;gt;[21] Het onderstaande is deels gebaseerd op H. van den Belt, H.te Mollder, N. Aarts., Functional foods. Van dilemma naar beleid (Wageningen 1999); G.J.Schaafsma, Een nieuwe voedingsfilosofie: functional foods, A.P.den Hartog, A.v.d. Heijden e.a., Nieuwe Voedin&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-22&amp;gt;[22] Zie Special KlinischeVoeding, Voeding 57 (1996); Cora Jonkers, Fred Prins en Hans Sauerein, ‘Optimale Voeding als concept ontwikkeld’, Voeding Nu 2 (2000) 1, 15-18; Europese consensus over dieetvoeding voor medisch gebruik kwam uiteindelijk tot stand door&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-23&amp;gt;[23] H. van den Belt e.a., Functional foods (1999), 65-85.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=10-24&amp;gt;[24] Over hygiëne, vgl. ‘Voedselveiligheid in de keten’, symposium op 20 juni 2000, georganiseerd door de Keuringsdienst van Waren en het vakblad Voedingsmiddelentechnologie.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H9</id>
		<title>Noten TIN20-3-H9</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H9"/>
				<updated>2007-06-20T10:47:28Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 9''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-1&amp;gt;[1] A.P. den Hartog, ‘Eten buitenshuis. Ontwikkelingen van voedingsgewoonten buiten het huishouden’, &lt;br /&gt;
Voeding (1989); W.J. Poolen, Snackbar of de dualiteit van het vet (ongepubliceerde doctoraalscriptie, &lt;br /&gt;
Universiteit van Amsterdam 1993, studierichting sociol&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-2&amp;gt;[2] O. van der Veer, Survey Snacks. Literatuurrecherche (ongepubliceerde onderzoeksrapportage, Landbouw Universiteit Wageningen 1987, studierichting Humane voeding).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-3&amp;gt;[3] Bijvoorbeeld: E.M. de Wolf, ‘Grazer verruilt koek en snoep voor hartig tussendoortje’, &lt;br /&gt;
Voedingsmiddelentechnologie (verderVMT) (1995) 1/2, 23; E.M. de Wolf, ‘Graasprodukt moet gezond, &lt;br /&gt;
smakelijk en gemakkelijk zijn’, VMT (1995) 3, 28-30; ‘De graastrend d&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-4&amp;gt;[4] Anneke van Otterloo, Eten en eetlust in Nederland, 1840-1990 (Amsterdam 1990); Jozien Jobse-van&lt;br /&gt;
Putten, Eenvoudig maar voedzaam. Cultuurgeschiedenis van de dagelijkse maaltijd in Nederland &lt;br /&gt;
(Nijmegen 1995); Ileen Montijn, Aan tafel! Vijftig jaar eten in N&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-5&amp;gt;[5] U. Zuiderveld, Snacks &amp;amp; IJs. Snelle happen in de lage landen (Winterswijk en Doetinchem 1999) 6.&lt;br /&gt;
Deze overtuiging kwam ook tot uitdrukking in de voorlichting over voeding. Hierin speelden snacks &lt;br /&gt;
slechts een ondergeschikte rol. De meeste aandacht in de vo&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-6&amp;gt;[6] Sanne Terlouw, …en thans, mijne dames en heren: proefwerk drop (Leiden 1992); Anneke van Otterloo &lt;br /&gt;
en Cathy Salzman, ‘The taste of the Netherlands and the boundaries of the Nation State’, &lt;br /&gt;
Mededelingsblad en verzamelde opstellen - periodiek voor voedingsg&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-7&amp;gt;[7] In de berg snacks (559 miljoen kilo) die Nederlanders in 1998 consumeerden, vormden biskwie, banket &lt;br /&gt;
en koek met 278,9 miljoen kilo de hoofdmoot; ‘Snoepen, snacken en stemmingen’, Eindhovens &lt;br /&gt;
Dagblad van 27-11-1999; De Wolf, ‘Grazer verruilt koek en snoep&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-8&amp;gt;[8] Van der Veer, Survey Snacks, 8.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-9&amp;gt;[9] G.J.P.M. de Bekker, General Biscuits Nederland, op het congres…., te ….. op ….1999; ‘Snoepen, &lt;br /&gt;
snacken en stemmingen’, Eindhovens Dagblad van 27-11-1999. &lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-10&amp;gt;[10] Gebaseerd op: Alec Shuldener, ‘From automatic restaurants to automatieks: a comparison of the &lt;br /&gt;
American and Dutch uses of the automat’, paper gepresenteerd tijdens de SHOT (Society for the &lt;br /&gt;
History of Technology) conferentie in oktober 1998; U. Zuiderveld&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-11&amp;gt;[11] Gebaseerd op Zuiderveld, Snelle hap; Zuiderveld, Snacks &amp;amp; IJs; Poolen, Snackbar of de dualiteit van het vet&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-12&amp;gt;[12] De Unie bestond uit de Nederlandsche Bond van Consumptie IJsbereiders (NBC), de Nederlandsche &lt;br /&gt;
Katholieke Bond van Consumptie IJsbereiders en Patates Frites Bakkers St. Pancratius en de &lt;br /&gt;
Nederlandse Bond van Patates Frites-Bakkers. De Unie werd opgericht &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-13&amp;gt;[13] Geciteerd in Zuiderveld, Snelle Hap, 63.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-14&amp;gt;[14] Gelijktijdig met de pizza’s van Italiaanse pizzeria’s, die zich aan het einde van de jaren zestig in Nederland begonnen te vestigen. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-15&amp;gt;[15] Gebaseerd op: Pim Reinders, Een Coupe speciaal. De wereldgeschiedenis van het consumptie-ijs &lt;br /&gt;
(Amsterdam 1999); Pim Reinders, Consumptie-ijs in Nederland. Vijftig jaar Nederlandse IJsindustrie’ &lt;br /&gt;
(Zoetermeer 1999); 1929-1959. Nederlandsche Bond van Consump&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-16&amp;gt;[16] Frans Bovenkerk, Anne Eijken en Wiesje Bovenkerk-Teerink, Italiaans IJs. De opmerkelijke historie van Italiaanse ijsbereiders in Nederland (Meppel 1983).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-17&amp;gt;[17] De Italiaanse ijsbereiders organiseerden zich in een eigen organisatie: Ital.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-18&amp;gt;[18] Zo organiseerde de Bond van 8 tot 10 maart 1938 in het Bellevue-gebouw te Amsterdam de ‘5e &lt;br /&gt;
Vakbeurs voor het Room- en Consumptie IJsbedrijf Romya ’38’. Vanaf 1954 organiseerde de NBC &lt;br /&gt;
regelmatig ijsvakbeursen onder de naam ‘IJsfrica’; Koeltechniek (1938)&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-19&amp;gt;[19] ‘De “Romya ’38’, Koeltechniek (1938) 3, 23.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-20&amp;gt;[20] In 1975 waren de grootste ijsfabrikanten Campina, Ola en Caraco, met marktaandelen van elk 20%. &lt;br /&gt;
Daarna kwam de IJsunie (een samengaan van ERMI, Lich, Davino en Horna) met 15%. Ola (Unilever) ontwikkelde zich in de jaren tachtig en negentig tot leider van&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-21&amp;gt;[21] Gebaseerd op: Hans Veldman, Eric van Royen en Frank Veraart, Een machtige schakel in de Nederlandse land-en tuinbouw. De geschiedenis van Cebeco-Handelsraad, 1899-1999 (Eindhoven 1999) 193-210.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-22&amp;gt;[22] J.C. Hesen, ‘De verwerking van aardappelen tot chips’, Voedingsmiddelentechnologie 2 (1971) 13, 13; Mc Cain speelt in op consumenten trends, Missets Distrifood 2 (1986) 14,21.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-23&amp;gt;[23] Unilever Historisch Archief (verder UHA), Doos HA 240, Map 1097 - Raw Materials Section, Economics &amp;amp; Statistics Department, &amp;quot;The Future Pattern of Food Consumption&amp;quot;, E&amp;amp;S Report, Unilever House, October 1956.  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-24&amp;gt;[24] UHA, Doos AHK 1679, Map 038.664 - Snacks, jaren 1957-1965, ‘Visit to Colworth House 22nd April 1965', notitie van A.J.R. van de Ven aan Foods II Committee, 12 mei 1965.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-25&amp;gt;[25] UHA, ‘Final Report on a Consumer Survey on Usage, Habits of Use and Interest in Snacks’, Market Research Department, Thomas Lipton Inc. 25 september 1963, summary &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-26&amp;gt;[26] UHA, Doos AHK 1679, Map 038.664 - Snacks, jaren 1957-1965, memorandum over typen snackproducten van C.J. van Buuren voor Food Co-ordination II 29 januari 1965.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-27&amp;gt;[27] UHA, Doos AHK 1679, Map 038.664 - Snacks, 1957-1965, Memorandum - ‘Betreft: Snack Food –&lt;br /&gt;
productdevelopment - van Van Leeuwen, Van den Bergh &amp;amp; Jurgens Productontwikkeling’ aan J.K. &lt;br /&gt;
Groenman, lid van het Unilever Foods II Committee, 28 juni 1965.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-28&amp;gt;[28] ‘Onder de meer complexe producten worden merken verstaan als Nibbit, Chipito’s, Cornuco’s etc. Deze &lt;br /&gt;
hebben een aandeel van ca. 34% van de snackmarkt’ UHA, Doos AHK 1769, Map 0256/16 - Snack &lt;br /&gt;
Products, 1964-1968, ‘MIRIC marketing politiek bij nationale in&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-29&amp;gt;[29] UHA, Doos AHK 1679, Map 038.664 - Snacks, 1957-1965, ‘Snack products meeting Colworth House, 16th September 1965 - Appendix to notes on snack products meeting Colworth House 16.9.’65’.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-30&amp;gt;[30] UHA, Doos 1841, Map 038.664 - Snacks, 1966-1970, memo van G.J. van Leeuwen, Van den Berg &amp;amp; Jurgens, aan G. Kellam, Technology Division, Unilever Research Laboratory te Colworth House, Bedford, 9 november 1967. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-31&amp;gt;[31] UHA, Doos AHK 2476, Map 038.664 - Snacks, ‘Project - Earl. Outline Plan’, 25 juli 1978, 1.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-32&amp;gt;[32] UHA, Doos AHK 2418, Map 10256/16, ‘Review of Calvé Borrelnootjes Snacks’, Calvé Mais/Foods Marketing Division, oktober 1974, 1.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-33&amp;gt;[33] UHA, Doos AHK 2418, Map 10256/16, ‘Review of Calvé Borrelnootjes Snacks’, Calvé Mais/Foods &lt;br /&gt;
Marketing Division, oktober 1974; UHA, Doos AHK 2418, Map 10256/16, brief van B.H. Arnstedt, &lt;br /&gt;
Unilever Marketing te Rotterdam, aan Food &amp;amp; Drink Co-ordination, 14 n&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-34&amp;gt;[34] Marktonderzoek in de jaren zeventig had uitgewezen dat Nederlandse consumenten noten en pinda’s als &lt;br /&gt;
onmisbare basiszoutjes beschouwden die pasten bij elke gelegenheid en allerlei ‘gebruiksmomenten’, &lt;br /&gt;
van ‘zomaar tussendoor’, ‘bij de borrel of bij de t.v.&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-35&amp;gt;[35] UHA, Doos AHK 2418, Map 10256/16, brief van J.G. Eelkman Rooda, Calvé - De Betuwe, aan E.J.Verloop, Food &amp;amp; Drinks Co-ordination Rotterdam, 29 juni 1976.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-36&amp;gt;[36] UHA, Doos AHK 2476, Map 038.664 - Snacks, Memorandum ‘Acceptatie-onderzoek Rempejeh t.b.v. Calvé-de Betuwe - Capital expenditure proposal', 4 juni 1976. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-37&amp;gt;[37] UHA, Doos AHK 2418, Map 10256/16, ‘Multi-textured crispy coctail snacks (Calve – De Betuwe B.V.)', september 1977, 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-38&amp;gt;[38] UHA, Doos AHK 2418, Map 256/16, ‘Multitextured snacks. Presentatie aan de Sundry Foods and Drinks Coordinatie op 26-6-1978', 1. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-39&amp;gt;[39] UHA, Doos AHK 2418, Map 256/16, ‘Multitextured snacks. Presentatie aan de Sundry Foods and Drinks Coordinatie op 26-6-1978', pagina 5 t/m 9, bijlage 1,2 en 3&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-40&amp;gt;[40] ‘Snacks in Europa: aardappelchips blijven heersen’, Voedingsmiddelentechnologie (1989) 13, 9.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-41&amp;gt;[41] Deze studiegroep dankte haar naam aan de nieuwe productgroep ‘wholesome snacks’ van het Unilever-&lt;br /&gt;
bedrijf Thomas J. Lipton, waarin na een reorganisatie alle Lipton-snackproducten waren ondergebracht. De studiegroep bestond uit vertegenwoordigers van drie &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-42&amp;gt;[42] UHA, Reports 880, ‘Wholesome Snack Working Group Report. IV - A Wholesome Snack’, 1985.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-43&amp;gt;[43] UHA, Reports 880, ‘Wholesome Snack Working Group Report. V - The Competitive Environment for Snacks', 1985.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-44&amp;gt;[44] UHA, ‘Minutes of Working Group Meeting with F&amp;amp;DC Marketing Members 22 januari 1985’, 2.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-45&amp;gt;[45] UHA, Doos HA 240, Map 1098-6088 - Protein food 1955, Memo ‘Hamburger’ met Appendices I, II en &lt;br /&gt;
III, 24 februari 1954; UHA, Doos HA 240, Map 1098-6088 - Protein food 1955, ‘Protein food. &lt;br /&gt;
Memorandum for the Special Committee’, 5th March 1954.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-46&amp;gt;[46] UHA, Doos HA 240, Map 1098-6088 - Protein Food 1955, Minutes of meeting of the special Commitee held at the Unilever House, London, on the 27th April 1955, with Research Division', 1. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-47&amp;gt;[47] UHA, Doos HA 240, Map 1098-6088 - Protein foods 1955, ‘Memorandum Hamburger’, 24 februari 1954: 1-3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-48&amp;gt;[48] R.E. Gentry en E.M. Connolly, Fabricated Foods (Stanford 1969) Stanford Research Institute Long Range Planning Service.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-49&amp;gt;[49] UHA, Doos AHK 1940, Map 0256/16 - Snackproducts 1969-1972, B.R.W. Pinsent, ‘Strategy for &lt;br /&gt;
exploiting the potential market for vegetable protein products’, research report Colworth/Welwyn (P &lt;br /&gt;
CW 70 1247 - project no. 1290/9), 22 april 1970.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-50&amp;gt;[50] Gentry en Connolly, Fabricated foods, geciteerd in UHA, Doos AHK 1940, Map 0256/16 – &lt;br /&gt;
Snackproducts 1969-1972, B.R.W. Pinsent, ‘Areas for vegetable protein research’, research report &lt;br /&gt;
Colworth/Welwyn, May 1969 and revised in April 1970, 22.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-51&amp;gt;[51] Lex Veldhoen en Jan van den Ende, Technische mislukkingen (Rotterdam 1995) 61-65; H. Baudet, Een vertrouwde wereld. 100 jaar innovatie in Nederland (Amsterdam 1968).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-52&amp;gt;[52] UHA, Doos AHK 1940, Map 0256/16 - Snackproducts 1969-1972, ‘Betreft: Protein based Snacks’ memorandum van Ir. C.P. Huysmans aan Drs. J.P. Erbe, 27 mei 1970.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-53&amp;gt;[53] UHA, Doos AHK 1940, Map 0256/16 - Snackproducts 1969-1972, ‘Betreft: Protein based Snacks’ &lt;br /&gt;
memorandum van Ir. C.P. Huysmans aan Drs. J.P. Erbe, 27 mei 1970; UHA, Doos AHK 1940, Map &lt;br /&gt;
0256/16 - Snackproducts 1969-1972, ‘Betreft: Ralston-Purina’ memorandum &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-54&amp;gt;[54] UHA, Doos AHK 2418, Map 0256/16 - Snackproducts 1969-1972, J.B.H. Carter, Muesli-Bar project &lt;br /&gt;
coordinator, ‘The Muesli Bar concept - combining palatability with nutritional features in a dry, ready &lt;br /&gt;
to eat, snack bar. Final report on project no. CW 26250’&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-55&amp;gt;[55] Gordon F. Bloom, Problems in marketing new textured protein products (Cambridge 1974) Sloan School of Management, MIT-Industrial Liason Program, 2, 3, 5, 10, 11 en 14 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-56&amp;gt;[56] K. van Dijk, Industrieel Marketing en management Adviesbureau (IMA), ‘Procedure voor productontwikkeling', Voedingsmiddelentechnologie 3 (1972) 34/35, 179-180.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-57&amp;gt;[57] Deze opvatting kwam onder andere tot uitdrukking in reclame. Zo liet Smiths zijn chips ‘vlot en jeugdig' aanprijzen door de onder jongeren populaire radiozender Veronica. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-58&amp;gt;[58] UHA, Doos HA 240, Map 1098-6088 - Protein foods 1955, ‘Memo Hamburger’, 24 februari 1954, Appendix III - ‘The introduction of protein foods to the U.K. market. An appreciation of the problem by a marketing company’, 16 september 1953, 2.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-59&amp;gt;[59] F.H. Offerhaus en H.Th. de Hilster, ‘De productontwikkeling procedure bij Calvé-De Betuwe NV’, Voedingsmiddelentechnologie 3 (1972) 34/35, 181-182.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-60&amp;gt;[60] UHA, Doos AHK 2634, Map 0256/16 - Snack products, The Economic Intelligence Unit (EIU), ‘Dry and savoury snacks. European Food Survey no.1-Netherlands', 1971. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-61&amp;gt;[61] UHA, Doos AHK 2418, Map 10256/16, ‘Review of Calvé Borrelnootjes Snacks’, Calvé Mais/foods Marketing Division, oktober 1974, 2.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-62&amp;gt;[62] UHA, Doos AHK 2418, Map 10256/16, W.L.Th.A. v.d. Mee en B. Tiel, ‘Calvé Snackpolicy’, augustus 1975, 2. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-63&amp;gt;[63] UHA, Doos AHK 2418, Map 10256/16, Calvé-De Betuwe B.V., ‘Multi-textured crispy cocktail snacks', september 1977.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=9-64&amp;gt;[64] ‘Brunch mikt op andere gebruiksmomenten’, Melkeiwit Magazine (1984) 4, 1-3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H8</id>
		<title>Noten TIN20-3-H8</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H8"/>
				<updated>2007-06-20T10:45:23Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 8''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-1&amp;gt;[1] A.W. Reinink en J.G. Vermeulen, IJskelders. Koeltechnieken van weleer  (Nieuwkoop 1981) 9 en Hans Schippers, ‘Bier’, in H.W. Lintsen e.a. (eds), Geschiedenis van de techniek in de negentiende eeuw  (Zutphen 1992), dl. 1 199-205&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-2&amp;gt;[2] J.F.H. Koopman, 'De koeltechniek in Groot-Nederland', in De Ingenieur 34 (1922), 733-735&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-3&amp;gt;[3] De benodigde apparatuur kwam aanvankelijk vooral uit het buitenland. Aan het begin van de twintigste eeuw startte ook de Bossche machinefabriek Grasso met de productie van koelapparatuur, waarschijnlijk op aangeven van haar voornaamste opdrachtgever, marg&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-4&amp;gt;[4] Jaarverslag omtrent het beheer van de Visschershaven te IJmuiden over het jaar 1903 (z.j., z.p.) 21&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-5&amp;gt;[5] K.H. Tusenius, 'De N.V. Vereenigde IJsfabrieken en het koelhuis Frigo te IJmuiden', in De Ingenieur, 43 (1931) A.193&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-6&amp;gt;[6] Gebaseerd op informatie onder de kopjes 'ijsvoorziening' in Jaarverslag omtrent de Visschershaven en de visserij te IJmuiden', 1902-1930. In 1915 voerde een zestal stoom­boten in juli, augustus, september en oktober in totaal 3.822.­000 kg ijs aan, terwij&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-7&amp;gt;[7] Koeltechniek, 6 (1933) 4; De Nederlandse ijsfabrikanten deden ter vergeefs een beroep van de minister van Economische Zaken om stappen te ondernemen tegen deze concurrentie. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-8&amp;gt;[8] De afname door particulieren van dergelijk ijs geschie­dde tot in de jaren zestig. Een oud-inwoner van Schiedam herinnerde zich dat het op warme weekenden in de zomer bij de plaatselijke ijsfabriek een komen en gaan was van men­sen die ijs kwamen halen, b&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-9&amp;gt;[9] De Nederlandse vereniging werd gesticht als reactie op de oprichting van een internationale vereniging in Parijs in 1908.  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-10&amp;gt;[10] De Nederlandse vereniging werd gesticht als reactie op de oprichting van een internationale vereniging in Parijs in 1908.  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-11&amp;gt;[11] In de commissie hadden zitting: naast J.M. Bottemanne (Rijks¬inspecteur voor de Visscherij), dr. J. Boeke,&lt;br /&gt;
E.H. Hymans (voorzitter van de Vereeniging van Reeders te IJmui¬den), dr. D.A. de Jong (buitengewoon hoogleraar en di¬rec¬teur van het gemeentelijk &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-12&amp;gt;[12] Terwijl in 1912 52.400.700 kg vis vanuit IJmuiden verzonden werd, was dit in 1916 102.000.500, praktisch een verdubbeling. In 1916 was de gemiddelde opbrengst per kg vis twee en half maal zo hoog als in 1912. In dit laatste jaar werd in de Rijksvisafslag &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-13&amp;gt;[13] Vooral gebaseerd op: 'A.J.A. Ottesen', in Koeltechniek 7 (1936) 97-98 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-14&amp;gt;[14] ARA; MvL-HIdV-2.11.12/map 229.  Schrijven van het bestuur van de Nederlandsche Vereeniging voor Koeltechniek aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 7 November 1916, 3 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-15&amp;gt;[15] Conserveering van Visch door Kunstmatige Koude, (’s Gravenhage, 1919) 45&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-16&amp;gt;[16] Conserveering van Visch door Kunstmatige Koude, 61-62 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-17&amp;gt;[17] ARA; MvL-RIdV-2.11.12/map 229. Schrijven van de maatschappij Vianda aan J.M. Bottemanne, 14 mei 1918 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-18&amp;gt;[18] ARA; MvL-HIdV-2.11.12/map 229. Schrijven van de 'Afdeling Crisiszaken en Volksvoeding' van het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel aan Bottemanne, 14 mei 1918. De opdracht aan Bottemanne in het voorjaar van 1918 om de rechten op het octrooi te v&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-19&amp;gt;[19] ARA, MvL-HIdV, 2.11.12/ map 229. Schrijven van de Vereeniging van reeders van visscherijvaartuigen IJmuiden aan J.M. Bottemanne, 16 april 1920 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-20&amp;gt;[20] ARA; M.v.L.-HIdV; 2.11.12/map 229. Schrijven van de Stoomvaart-Maatschappij aan J.M. Bottemanne, 6 december 1923 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-21&amp;gt;[21] ARA, MvL-HIdV; 2.11.12/map 229. Schrijven van E. Bruins te Bandoeng aan de minister van Koloniën, 17 september 1922&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-22&amp;gt;[22] ARA, MvL-HIdV; 2.11.12/map 229. Schrijven van J.M. Bottemanne aan de minister van Koloniën, 15 december 1922 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-23&amp;gt;[23] Net als trouwens vriesinstallaties aan boord van vissersschepen ontbraken. Zie ook: K.H. Tusenius 'Bevroren visch', in: Koeltechniek 8 (1937) 15-16 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-24&amp;gt;[24] ARA; MvL-RIdV; 2.11.12 /137. Rapport uitgebracht door de commissie inzake het conser­veeren van visch, oktober 1937, 94 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-25&amp;gt;[25] Pas in de na-oorlogse periode zou de Nederlandse vissersvloot van koelapparatuur worden voorzien. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-26&amp;gt;[26] ARA; MvL-HIdV; 2.11.12/map 229. Schrijven van de Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw aan de Voorzitter van de Tweede Kamercommissie voor de Staatsuitgaven, 19 februari 1924 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-27&amp;gt;[27] Bij deze methode werd het te bevriezen zeer snel afgekoeld door aanraking met warmte onttrekkende platen aan beide zijden. Bij toepassing van de methode werd het levensmiddel tot -20 graden C. bevroren in tegenstelling tot de aloude methode van bevriezing&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-28&amp;gt;[28] A.G.U. Hindebrandt, 'De economische betekenis van Nederlandsche zeevisscherij', in: Economisch-Statische Berichten  26 (1941) 580-583 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-29&amp;gt;[29] Natuur en techniek, 1 (1931), 73&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-30&amp;gt;[30] Iglo-archief, Utrecht; A.W.J.W. Braams, Het ontstaan van de diepvriesindustrie in Nederland, 1 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-31&amp;gt;[31] H.J. Onnes, ’De snelvriesindustrie in de Verenigde Staten’, in: Economisch-Statistische Berichten 26 (1941) 304 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-32&amp;gt;[32] Iglo-archief; Braams, Het ontstaan van de diepvriesindustrie in Nederland, 1&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-33&amp;gt;[33] Unilever Historisch Archief (verder UHA) - HA 82 161. Case History Vita, 1 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-34&amp;gt;[34] Iglo-archief, Braams, Het ontstaan van de diepvriesindustrie in Nederland, 1; het uit Argentinië afkomstige vlees werd in pekel bevroren, dat de nieuwe producten op geheel andere wijze -met platenvriezers- ingevroren waren, deed aan deze associatie niets &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-35&amp;gt;[35] T. van Hiele, '&amp;quot;Snelvriezen&amp;quot; van tuinbouwproducten', in: Voeding 1 (1940), 174&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-36&amp;gt;[36] Zoals eerder beschreven nam in de jaren twintig de Stoomvaart Maatschappij Nederland volgens het procédé-Ottesen bevroren vis af en transporteerde deze naar Nederlandsch Indië.   &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-37&amp;gt;[37] UHA - HA 82 161. 'Case History Vita', 1959 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-38&amp;gt;[38] Van Hiele, Snelvriezen, 174&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-39&amp;gt;[39] Van Hiele, Snelvriezen, 174&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-40&amp;gt;[40] ­ARA;MvL-Directie van de Tuinbouw (verder DvdT);2.11.04/214. ’De snelvriesindustrie in Nederland', 1947 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-41&amp;gt;[41] H.J. Teuteberg, ’History of cooling and freezing techniques and their impact on nutrition in twentieth century Germany, in A.P. den Hartog (ed.) Food technology, science and marketing: european diet in the twentieth century  (East Lothian 1995) 60 en H.D.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-42&amp;gt;[42] H.J. Onnes, 'De snelvriesconservenindustrie in Duitschland’, Economisch-Statische Berichten jrg. (1941) 319-321&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-43&amp;gt;[43] UHA - HA 82 156.  'Overzicht diepvriesindustrie', mei 1946  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-44&amp;gt;[44] UHA – DIR 16  297.3  'Overzicht diepvriesindustrie' &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-45&amp;gt;[45] J.L. de Jager, Arm en rijk kunnen bij mij inkopen doen. De geschiedenis van Albert Heijn en koninklijke Ahold (Baarn 1995), 91. Voordat de Duitsers alle diepvries voor zich opeisten, verkocht Albert Heijn (vanaf 1941) in drie door Unilever geleverde diepv&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-46&amp;gt;[46] ARA;MvL-DvdT/2.11.04 /map 214. Schrijven van H.J. Onnes aan A.W. van den Plassche, 16 augustus 1946 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-47&amp;gt;[47] ARA/MvL/DvdT/2.11.04 /map 214. Schrijven van H.J. Onnes aan A.W. van den Plassche, 16 augustus 1946, 2&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-48&amp;gt;[48] UHA – HA 0771. Maandrapporten mei, juni, juli en augustus 1944 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-49&amp;gt;[49] ARA; MvL-DvdT; 2.11.04/map 138. Verslag van de werkzaamheden over het derde kwartaal 1941 van de Rijkstuinbouwconsulent, belast met koelaangelegenheden te Wageningen, 3 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-50&amp;gt;[50] ARA; MvL-DvdT; 2.11.04/map 138. Verslag van de werkzaamheden over het eerste kwartaal 1943 van de Rijkstuinbouwconsulent, belast met koelaangelegenheden te Wageningen&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-51&amp;gt;[51] J. Faber, Notitie jamfabrieken (ongepubliceerd manuscript, z.p. 1998) 14&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-52&amp;gt;[52] Nederlands Instituut voor Oorlogs Documentatie (NIOD); Kwartaalverslagen Central Auftrag Stelle 1940-1944. Veel verslagen van de Central Auftrag Stelle rubriceren de levensmiddelenindustrie onder het kopje 'overig'. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-53&amp;gt;[53] ARA; MvL-DvdT;2.11.04/ T 138 A. Schrijven van de minister van Landbouw aan de Directeur-Generaal van de voedselvoorziening, 2 april 1946 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-54&amp;gt;[54] Veel minder bezwaarlijk was het dat minder dan 10 % een zeer gering deel van de huishoudens beschikte over een koelkast met vriesvak. Wel diende de consument aangeschafte diepvriesproducten in geval van het ontbreken van een vrieselement thuis vrij snel n&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-55&amp;gt;[55] ARA; MvL-DvdT; 2.11.04/ T 138 A ‘Nota voor den Economische Raad', 1 april 1946  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-56&amp;gt;[56] UHA, HA 82 156, Rapport, betreffende bezoek aan Proco-kasthouders, mei 1947 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-57&amp;gt;[57] UHA -  HA 82 156 B. Kopie van schrijven van dhr. Andriessen aan Proco, juni 1947 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-58&amp;gt;[58] UHA- HA 82 156,  'Aan de verkopers van &amp;quot;Birds-Eye&amp;quot; artikelen', oktober 1947, &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-59&amp;gt;[59] UHA - HA 82 156. Octrooiaanvrage Proco, 24 september 1946 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-60&amp;gt;[60] Vita bereidde zowel Hollandse stamppotten als Nassi en Bami Goreng.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-61&amp;gt;[61] UHA - HA 82 156. Interne berichten Museumpark, 3 en 30 juni 1948 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-62&amp;gt;[62] UHA - HA 82 156. Interne berichten Museumpark, 3 en 30 juni 1948, 2&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-63&amp;gt;[63] UHA - HA 82 156,  Interne berichten Museumpark, 17 januari 1949 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-64&amp;gt;[64] UHA - HA 140.0456.15  'Overname van alle aandelen der N.V. Producta', Utrecht, 2 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-65&amp;gt;[65] UHA - HA 305 305.10, Samenvatting van een bespreking op 24 januari 1968 ten kantore van Iglo N.V.  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-66&amp;gt;[66] Jaarverslag Vita en Winterzon 1952/1953, 2&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-67&amp;gt;[67] Onder andere gebaseerd op diverse jaarverslagen van Vita en Winterzon uit de jaren vijftig.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-68&amp;gt;[68] H. Baudet, Een vertrouwde wereld. 100 jaar innovatie in Nederland (Amsterdam 1986), 89 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-69&amp;gt;[69] CBS, Statisch zakboekje 1982 (’s Gravenhage 1982) 301&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-70&amp;gt;[70] Gebaseerd op J.L. de Jager, Arm en rijk, 196-201, H. Baudet, Een vertrouwde wereld. 89 en J. Jobse-Van Putten, Van pekelvat tot diepvrieskist (Amsterdam 1989) 451-452 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-71&amp;gt;[71] Het verband tussen flatbouw en koelkasten lijkt duidelijk. De architect J. Duiker lanceerde al in 1930 in zijn futuristische brochure oogbouw plannen voor collectieve pekelinstallaties ten bate van de bewoners. J. Duiker, Hoogbouw (1930). Herdruk met een &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-72&amp;gt;[72] Libelle, 26 (1962), 62.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-73&amp;gt;[73] Zo waren er in 1957 in Nederland 85 centra met diepvrieskluizen te vinden, een jaar later waren dit er al 150. Koeltechniek mededelingen van de Nederlandse vereniging voor koeltechniek  51 (1958), 149 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-74&amp;gt;[74] Dit patroon was niet nieuw. In de periode 1910-1940 toen veel slagers en poeliers nog niet over een eigen vriesruimten beschikten, huurden ze deze ook bij een vrieshuis. De vrieshuizen Oost-Indië in Amsterdam en Gabak in Rotterdam van het Blaauwhoedenveen&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-75&amp;gt;[75] UHA - HA 305.10, Samenvatting van een bespreking op 24 januari 1968 ten kantore van Iglo N.V., 3  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-76&amp;gt;[76] UHA - HA 305.10, Samenvatting van een bespreking op 24 januari 1968 ten kantore van Iglo N.V., 3  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H8</id>
		<title>Noten TIN20-3-H8</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H8"/>
				<updated>2007-06-20T10:44:27Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 8''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-1&amp;gt;[1] A.W. Reinink en J.G. Vermeulen, IJskelders. Koeltechnieken van weleer  (Nieuwkoop 1981) 9 en Hans Schippers, ‘Bier’, in H.W. Lintsen e.a. (eds), Geschiedenis van de techniek in de negentiende eeuw  (Zutphen 1992), dl. 1 199-205&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-2&amp;gt;[2] J.F.H. Koopman, 'De koeltechniek in Groot-Nederland', in De Ingenieur 34 (1922), 733-735&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-3&amp;gt;[3] De benodigde apparatuur kwam aanvankelijk vooral uit het buitenland. Aan het begin van de twintigste eeuw startte ook de Bossche machinefabriek Grasso met de productie van koelapparatuur, waarschijnlijk op aangeven van haar voornaamste opdrachtgever, marg&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-4&amp;gt;[4] Jaarverslag omtrent het beheer van de Visschershaven te IJmuiden over het jaar 1903 (z.j., z.p.) 21&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-5&amp;gt;[5] K.H. Tusenius, 'De N.V. Vereenigde IJsfabrieken en het koelhuis Frigo te IJmuiden', in De Ingenieur, 43 (1931) A.193&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-6&amp;gt;[6] Gebaseerd op informatie onder de kopjes 'ijsvoorziening' in Jaarverslag omtrent de Visschershaven en de visserij te IJmuiden', 1902-1930. In 1915 voerde een zestal stoom­boten in juli, augustus, september en oktober in totaal 3.822.­000 kg ijs aan, terwij&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-7&amp;gt;[7] Koeltechniek, 6 (1933) 4; De Nederlandse ijsfabrikanten deden ter vergeefs een beroep van de minister van Economische Zaken om stappen te ondernemen tegen deze concurrentie. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-8&amp;gt;[8] De afname door particulieren van dergelijk ijs geschie­dde tot in de jaren zestig. Een oud-inwoner van Schiedam herinnerde zich dat het op warme weekenden in de zomer bij de plaatselijke ijsfabriek een komen en gaan was van men­sen die ijs kwamen halen, b&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-9&amp;gt;[9] De Nederlandse vereniging werd gesticht als reactie op de oprichting van een internationale vereniging in Parijs in 1908.  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-10&amp;gt;[10] De Nederlandse vereniging werd gesticht als reactie op de oprichting van een internationale vereniging in Parijs in 1908.  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=8-11&amp;gt;[11] In de commissie hadden zitting: naast J.M. Bottemanne (Rijks¬inspecteur voor de Visscherij), dr. J. Boeke,&lt;br /&gt;
E.H. Hymans (voorzitter van de Vereeniging van Reeders te IJmui¬den), dr. D.A. de Jong (buitengewoon hoogleraar en di¬rec¬teur van het gemeentelijk &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-12&amp;gt;[12] Terwijl in 1912 52.400.700 kg vis vanuit IJmuiden verzonden werd, was dit in 1916 102.000.500, praktisch een verdubbeling. In 1916 was de gemiddelde opbrengst per kg vis twee en half maal zo hoog als in 1912. In dit laatste jaar werd in de Rijksvisafslag &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-13&amp;gt;[13] Vooral gebaseerd op: 'A.J.A. Ottesen', in Koeltechniek 7 (1936) 97-98 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-14&amp;gt;[14] ARA; MvL-HIdV-2.11.12/map 229.  Schrijven van het bestuur van de Nederlandsche Vereeniging voor Koeltechniek aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 7 November 1916, 3 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-15&amp;gt;[15] Conserveering van Visch door Kunstmatige Koude, (’s Gravenhage, 1919) 45&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-16&amp;gt;[16] Conserveering van Visch door Kunstmatige Koude, 61-62 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-17&amp;gt;[17] ARA; MvL-RIdV-2.11.12/map 229. Schrijven van de maatschappij Vianda aan J.M. Bottemanne, 14 mei 1918 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-18&amp;gt;[18] ARA; MvL-HIdV-2.11.12/map 229. Schrijven van de 'Afdeling Crisiszaken en Volksvoeding' van het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel aan Bottemanne, 14 mei 1918. De opdracht aan Bottemanne in het voorjaar van 1918 om de rechten op het octrooi te v&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-19&amp;gt;[19] ARA, MvL-HIdV, 2.11.12/ map 229. Schrijven van de Vereeniging van reeders van visscherijvaartuigen IJmuiden aan J.M. Bottemanne, 16 april 1920 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-20&amp;gt;[20] ARA; M.v.L.-HIdV; 2.11.12/map 229. Schrijven van de Stoomvaart-Maatschappij aan J.M. Bottemanne, 6 december 1923 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-21&amp;gt;[21] ARA, MvL-HIdV; 2.11.12/map 229. Schrijven van E. Bruins te Bandoeng aan de minister van Koloniën, 17 september 1922&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-22&amp;gt;[22] ARA, MvL-HIdV; 2.11.12/map 229. Schrijven van J.M. Bottemanne aan de minister van Koloniën, 15 december 1922 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-23&amp;gt;[23] Net als trouwens vriesinstallaties aan boord van vissersschepen ontbraken. Zie ook: K.H. Tusenius 'Bevroren visch', in: Koeltechniek 8 (1937) 15-16 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-24&amp;gt;[24] ARA; MvL-RIdV; 2.11.12 /137. Rapport uitgebracht door de commissie inzake het conser­veeren van visch, oktober 1937, 94 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-25&amp;gt;[25] Pas in de na-oorlogse periode zou de Nederlandse vissersvloot van koelapparatuur worden voorzien. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-26&amp;gt;[26] ARA; MvL-HIdV; 2.11.12/map 229. Schrijven van de Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw aan de Voorzitter van de Tweede Kamercommissie voor de Staatsuitgaven, 19 februari 1924 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-27&amp;gt;[27] Bij deze methode werd het te bevriezen zeer snel afgekoeld door aanraking met warmte onttrekkende platen aan beide zijden. Bij toepassing van de methode werd het levensmiddel tot -20 graden C. bevroren in tegenstelling tot de aloude methode van bevriezing&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-28&amp;gt;[28] A.G.U. Hindebrandt, 'De economische betekenis van Nederlandsche zeevisscherij', in: Economisch-Statische Berichten  26 (1941) 580-583 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-29&amp;gt;[29] Natuur en techniek, 1 (1931), 73&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-30&amp;gt;[30] Iglo-archief, Utrecht; A.W.J.W. Braams, Het ontstaan van de diepvriesindustrie in Nederland, 1 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-31&amp;gt;[31] H.J. Onnes, ’De snelvriesindustrie in de Verenigde Staten’, in: Economisch-Statistische Berichten 26 (1941) 304 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-32&amp;gt;[32] Iglo-archief; Braams, Het ontstaan van de diepvriesindustrie in Nederland, 1&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-33&amp;gt;[33] Unilever Historisch Archief (verder UHA) - HA 82 161. Case History Vita, 1 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-34&amp;gt;[34] Iglo-archief, Braams, Het ontstaan van de diepvriesindustrie in Nederland, 1; het uit Argentinië afkomstige vlees werd in pekel bevroren, dat de nieuwe producten op geheel andere wijze -met platenvriezers- ingevroren waren, deed aan deze associatie niets &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-35&amp;gt;[35] T. van Hiele, '&amp;quot;Snelvriezen&amp;quot; van tuinbouwproducten', in: Voeding 1 (1940), 174&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-36&amp;gt;[36] Zoals eerder beschreven nam in de jaren twintig de Stoomvaart Maatschappij Nederland volgens het procédé-Ottesen bevroren vis af en transporteerde deze naar Nederlandsch Indië.   &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-37&amp;gt;[37] UHA - HA 82 161. 'Case History Vita', 1959 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-38&amp;gt;[38] Van Hiele, Snelvriezen, 174&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-39&amp;gt;[39] Van Hiele, Snelvriezen, 174&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-40&amp;gt;[40] ­ARA;MvL-Directie van de Tuinbouw (verder DvdT);2.11.04/214. ’De snelvriesindustrie in Nederland', 1947 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-41&amp;gt;[41] H.J. Teuteberg, ’History of cooling and freezing techniques and their impact on nutrition in twentieth century Germany, in A.P. den Hartog (ed.) Food technology, science and marketing: european diet in the twentieth century  (East Lothian 1995) 60 en H.D.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-42&amp;gt;[42] H.J. Onnes, 'De snelvriesconservenindustrie in Duitschland’, Economisch-Statische Berichten jrg. (1941) 319-321&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-43&amp;gt;[43] UHA - HA 82 156.  'Overzicht diepvriesindustrie', mei 1946  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-44&amp;gt;[44] UHA – DIR 16  297.3  'Overzicht diepvriesindustrie' &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-45&amp;gt;[45] J.L. de Jager, Arm en rijk kunnen bij mij inkopen doen. De geschiedenis van Albert Heijn en koninklijke Ahold (Baarn 1995), 91. Voordat de Duitsers alle diepvries voor zich opeisten, verkocht Albert Heijn (vanaf 1941) in drie door Unilever geleverde diepv&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-46&amp;gt;[46] ARA;MvL-DvdT/2.11.04 /map 214. Schrijven van H.J. Onnes aan A.W. van den Plassche, 16 augustus 1946 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-47&amp;gt;[47] ARA/MvL/DvdT/2.11.04 /map 214. Schrijven van H.J. Onnes aan A.W. van den Plassche, 16 augustus 1946, 2&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-48&amp;gt;[48] UHA – HA 0771. Maandrapporten mei, juni, juli en augustus 1944 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-49&amp;gt;[49] ARA; MvL-DvdT; 2.11.04/map 138. Verslag van de werkzaamheden over het derde kwartaal 1941 van de Rijkstuinbouwconsulent, belast met koelaangelegenheden te Wageningen, 3 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-50&amp;gt;[50] ARA; MvL-DvdT; 2.11.04/map 138. Verslag van de werkzaamheden over het eerste kwartaal 1943 van de Rijkstuinbouwconsulent, belast met koelaangelegenheden te Wageningen&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-51&amp;gt;[51] J. Faber, Notitie jamfabrieken (ongepubliceerd manuscript, z.p. 1998) 14&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-52&amp;gt;[52] Nederlands Instituut voor Oorlogs Documentatie (NIOD); Kwartaalverslagen Central Auftrag Stelle 1940-1944. Veel verslagen van de Central Auftrag Stelle rubriceren de levensmiddelenindustrie onder het kopje 'overig'. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-53&amp;gt;[53] ARA; MvL-DvdT;2.11.04/ T 138 A. Schrijven van de minister van Landbouw aan de Directeur-Generaal van de voedselvoorziening, 2 april 1946 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-54&amp;gt;[54] Veel minder bezwaarlijk was het dat minder dan 10 % een zeer gering deel van de huishoudens beschikte over een koelkast met vriesvak. Wel diende de consument aangeschafte diepvriesproducten in geval van het ontbreken van een vrieselement thuis vrij snel n&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-55&amp;gt;[55] ARA; MvL-DvdT; 2.11.04/ T 138 A ‘Nota voor den Economische Raad', 1 april 1946  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-56&amp;gt;[56] UHA, HA 82 156, Rapport, betreffende bezoek aan Proco-kasthouders, mei 1947 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-57&amp;gt;[57] UHA -  HA 82 156 B. Kopie van schrijven van dhr. Andriessen aan Proco, juni 1947 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-58&amp;gt;[58] UHA- HA 82 156,  'Aan de verkopers van &amp;quot;Birds-Eye&amp;quot; artikelen', oktober 1947, &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-59&amp;gt;[59] UHA - HA 82 156. Octrooiaanvrage Proco, 24 september 1946 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-60&amp;gt;[60] Vita bereidde zowel Hollandse stamppotten als Nassi en Bami Goreng.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-61&amp;gt;[61] UHA - HA 82 156. Interne berichten Museumpark, 3 en 30 juni 1948 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-62&amp;gt;[62] UHA - HA 82 156. Interne berichten Museumpark, 3 en 30 juni 1948, 2&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-63&amp;gt;[63] UHA - HA 82 156,  Interne berichten Museumpark, 17 januari 1949 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-64&amp;gt;[64] UHA - HA 140.0456.15  'Overname van alle aandelen der N.V. Producta', Utrecht, 2 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-65&amp;gt;[65] UHA - HA 305 305.10, Samenvatting van een bespreking op 24 januari 1968 ten kantore van Iglo N.V.  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-66&amp;gt;[66] Jaarverslag Vita en Winterzon 1952/1953, 2&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-67&amp;gt;[67] Onder andere gebaseerd op diverse jaarverslagen van Vita en Winterzon uit de jaren vijftig.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-68&amp;gt;[68] H. Baudet, Een vertrouwde wereld. 100 jaar innovatie in Nederland (Amsterdam 1986), 89 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-69&amp;gt;[69] CBS, Statisch zakboekje 1982 (’s Gravenhage 1982) 301&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-70&amp;gt;[70] Gebaseerd op J.L. de Jager, Arm en rijk, 196-201, H. Baudet, Een vertrouwde wereld. 89 en J. Jobse-Van Putten, Van pekelvat tot diepvrieskist (Amsterdam 1989) 451-452 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-71&amp;gt;[71] Het verband tussen flatbouw en koelkasten lijkt duidelijk. De architect J. Duiker lanceerde al in 1930 in zijn futuristische brochure oogbouw plannen voor collectieve pekelinstallaties ten bate van de bewoners. J. Duiker, Hoogbouw (1930). Herdruk met een &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-72&amp;gt;[72] Libelle, 26 (1962), 62.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-73&amp;gt;[73] Zo waren er in 1957 in Nederland 85 centra met diepvrieskluizen te vinden, een jaar later waren dit er al 150. Koeltechniek mededelingen van de Nederlandse vereniging voor koeltechniek  51 (1958), 149 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-74&amp;gt;[74] Dit patroon was niet nieuw. In de periode 1910-1940 toen veel slagers en poeliers nog niet over een eigen vriesruimten beschikten, huurden ze deze ook bij een vrieshuis. De vrieshuizen Oost-Indië in Amsterdam en Gabak in Rotterdam van het Blaauwhoedenveen&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-75&amp;gt;[75] UHA - HA 305.10, Samenvatting van een bespreking op 24 januari 1968 ten kantore van Iglo N.V., 3  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=8-76&amp;gt;[76] UHA - HA 305.10, Samenvatting van een bespreking op 24 januari 1968 ten kantore van Iglo N.V., 3  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H7</id>
		<title>Noten TIN20-3-H7</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H7"/>
				<updated>2007-06-20T10:36:45Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 7''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-1&amp;gt;[1] V.T. van Vilsteren, ‘Looking over the brewer’s shoulder’ in R.E. Kistemaker en V.T. van Vilsteren eds. Beer! The story of Holland's favourite drink (Amsterdam 1994) 71 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-2&amp;gt;[2] Het idee van merktekens was reeds veelvuldig in de preïndustriële samenleving toegepast. &lt;br /&gt;
Kenmerken van gilden, stedelijke overheden als ook van de maker zelf werden op producten aangebracht, zoals op voorwerpen van zilver en tin maar ook op biervaten Het&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-3&amp;gt;[3] R.O. Fock en E.H.L. Oosthuys eds., 100 jaar Verkade, 1886-1986 (Wormer 1986) 30.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-4&amp;gt;[4] P. Nijhof, Emaille reclameborden in Nederland (Amsterdam 1986) 42, 93.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-5&amp;gt;[5] E.J. Bouw, Van blikslagers, vleesblikken en biervaten (Amsterdam 1976) 31-32.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-6&amp;gt;[6] R. Vijfwinkel, ‘Tieleman en Dros in verduurzaamde levensmiddelen’ in C.B.A. Smit en H.D. Tjalsma, Leids Fabrikaat (Utrecht 1990) 35.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-7&amp;gt;[7] M. Kroef en N. Bavelaar, ‘Conserven Schoondergang: het hardlopertje bleek een doodlopertje’ in De kunst van het bewaren, Industrieel Erfgoed Leiden (Leiden 1992).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-8&amp;gt;[8] Kroef en Bavelaar, ‘Conservenfabriek Schoondergang’, 18.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-9&amp;gt;[9] Bouw, Van blikslagers, vleesblikken en biervaten, 27-28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-10&amp;gt;[10] C.H. de Korte, ‘Glas als verpakking van levensmiddelen’, Voedingsmiddelentechnologie, 7 (1974) 22,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-11&amp;gt;[11] P. Zwaal, Frisdranken in Nederland. Een twintigste-eeuwse productgeschiedenis (Rotterdam 1993) 30-34.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-12&amp;gt;[12] De Korte, ‘Glas als verpakking van levensmiddelen’, 22.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-13&amp;gt;[13] In 1885 produceerden de 15 Nederlandse glasfabrieken 20 miljoen flessen. Ruim een eeuw later maakten 5 bedrijven het 300-voudige aan potten en flessen; J. Soetens, In glas verpakt. Kunst, kitsch en koopmanschap (z.p., 1999). Zie ook J.F. van Oss, 'Glas en&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-14&amp;gt;[14] Bouw, Van blikslagers, vleesblikken en biervaten, 28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-15&amp;gt;[15] A. de Knecht-van Eekelen en A. van Otterloo, ‘Diffusion of glass preserved food in the Dutch food pattern 1945-1995'in M. Scharer en A. Fenton eds., Food and Material Culture (East Linton East Lothian 1998) 232.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-16&amp;gt;[16] Bouw, Van blikslagers, vleesblikken en biervaten, 28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-17&amp;gt;[17] V. Hentzepeper, ‘Blik klaar voor millenium-switch’, Food Management 16 (1998) 26-27.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-18&amp;gt;[18] O. de Wit, ‘Papier’ in H.W. Lintsen e.a.eds., Techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel 2 (Zutphen 1993) 220-221 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-19&amp;gt;[19] M. Schrover, ‘Gij zult het bakje niet koken in de melk zijner moeder. Joodse ondernemers in de voeding-en genotsmiddelenindustrie'in: H. Berge e.a. eds., Venter, fabriquer, fabrikant. Joodse ondernemers en ondernemingen in Nederland 1796-1940 (Amsterdam 1&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-20&amp;gt;[20] S. Sacharov en R.C. Griffin, Food packaging: A guide for the supplier, processor and distributor (Westport, Connecticut 1970) 20; &amp;quot;Verpakte waren&amp;quot;, Voeding en Hygiene 3 (1929) 234-235.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-21&amp;gt;[21] Sacharow en Griffin, Food packaging, 16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-22&amp;gt;[22] ‘Verpakt brood’, Voeding en Hygiëne 3 (1929) 289; ‘De hygiënische betekenis van het papier,’ Voeding en Hygiene 8 (1934) 120,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-23&amp;gt;[23] Sacharov en Griffin, Food packaging, 5-6.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-24&amp;gt;[24] F. Lox, Verantwoorde verpakking (Antwerpen 1983) 113-115.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-25&amp;gt;[25] De kleinverpakking van boter in aluminiumfolie, (’s-Gravenhage 1954) Verslagen van de Koninklijke Nederlandse Zuivelbond; R. Ferron, Verpakking, 105-106; C. Wilson, Unilever in de tweede industriele revolutie (&amp;quot;s- Gravenhage 1968)233,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-26&amp;gt;[26] Lox, Verantwoorde verpakking, 115-117.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-27&amp;gt;[27] H.M. Clark, The tin can book (New York 1977) 18. De fabricage van dunne en lichte staalplaten werd mogelijk door de introductie van de Bessemer-techniek van staalmaken (1855), later gevolgd door de Siemens-Martin techniek. Zie J.C. Westerman, Blik in het &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-28&amp;gt;[28] A. Lief, A close-up of closures. History and progress (New York 1965) 10-13; M. Grauls, Uitvinders van het dagelijks leven (Antwerpen en Helmond 1993) 43-48. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-29&amp;gt;[29] ‘Sluiting van glasverpakking’. Prae-advies van de subcommissie Sluiting Glasverpakking van de &lt;br /&gt;
NVC-werkcommissie Huisvrouwen en Verpakking (Den Haag 1964), Nederlandse Verpakkings Centrum- Werkcommissie Huisvrouwen en Verpakking, Verpakkingsreeks nr. 10, &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-30&amp;gt;[30] J.W. de Pous, ‘Ten geleide’, Verpakking in het centrum, 10 jaar Nederlands Verpakkings Centrum (Den Haag 1963) 1,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-31&amp;gt;[31] R.O. Calisch, ‘De historie van het NVC’, Verpakking in het centrum, 10 jaar Nederlands &lt;br /&gt;
Verpakkings Centrum (Den Haag 1963) 4-5.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-32&amp;gt;[32] Calisch, ‘De historie van het NVC’, 5.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-33&amp;gt;[33] ‘Nederlands Verpakkings Centrum’, Officieel Orgaan KNZB FNZ 45 (1953) 275. Het NVC speelde in de periode 1953-1960 een belangrijke rol in de organisatie van verpakkingsbeurzen&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-34&amp;gt;[34] E. Wijga, ‘Vijf verpakkingscursussen’, Verpakking in het centrum, 10 jaar Verpakkings Centrum (Den Haag 1963) 15-16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-35&amp;gt;[35] R. van Lavieren, ‘Verpakkingsonderzoek 2’, Verpakking in het centrum, 10 jaar Nederlands Verpakkings Centrum (Den Haag 1963) 41-42.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-36&amp;gt;[36] J. Mol, ‘Van melkinrichting tot levensmiddelenfabriek’, Voeding 41 (1980) 168; A.M. de Knecht-&lt;br /&gt;
van Eekelen, Naar een rationele zuigelingenvoeding, Voedingsleer en kindergeneeskunde in &lt;br /&gt;
Nederland 1840-1914 (Nijmegen 1984) 192-197; H. Beer, ‘Het pasteuriser&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-37&amp;gt;[37] Beer, ‘Het pasteuriseren van flesschen’, 120; Zwaal, Frisdranken in Nederland, 38.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-38&amp;gt;[38] H.J. Huisman, ‘Organoleptische eigenschappen van melk’, Melkverpakking, mogelijkheden en &lt;br /&gt;
wenselijkheden (Den Haag 1959), Nederlands Verpakkings Centrum, Werkcommissie Huisvrouw &lt;br /&gt;
en Verpakking, Subcommissie Melkverpakking, Verpakkingsreeks nr. 9, 10&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-39&amp;gt;[39] A.P. den Hartog, ‘Serving the urban consumer: the development of modern food packaging with &lt;br /&gt;
special reference to the milk bottle’ in A.P. den Hartog ed., Food, Technology, Science and &lt;br /&gt;
Marketing. European diet in the Twentieth Century (East Linton 1995) &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-40&amp;gt;[40] ‘Eind 1955 allemaal schone flessen!’, Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 61 (1955) 1, 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-41&amp;gt;[41] Misset’s Zuivelbereiding en.-Handel 60 (1954) 3, 46.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-42&amp;gt;[42] In 1955 werd begonnen met de levering van consumptiemelk aan Amerikaanse militairen in &lt;br /&gt;
Noord-Afrika. Daartoe werd een melkfabriek in het Marokkaanse Casablanca gebouwd. Het &lt;br /&gt;
gehele ontwerp van de fabriek, inclusief airconditioning, koeltechnische install&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-43&amp;gt;[43] ‘Sterovita brengt Sterovita pakmelk. Het eerst in Rotterdam en Dordrecht’, Misset’s &lt;br /&gt;
Zuivelbereiding en -Handel 61 (1955) 18, 408-410; ‘De papieren melkfles doet haar intrede in &lt;br /&gt;
Nederland’, Conserva 3 (1955) 11, 343-345.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-44&amp;gt;[44] Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 60 (1954) 3, 46.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-45&amp;gt;[45] Koninklijke Nederlandse Zuivelbond (FNZ), De toepassingsmogelijkheden van papierverpakking &lt;br /&gt;
voor melk. Een onderzoek van de commissie voor melk in papierverpakking (Den Haag 1957), &lt;br /&gt;
FNZ-Technisch Wetenschappelijke Serie, no.11.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-46&amp;gt;[46] De subcommissie Melkverpakking bestond uit vertegenwoordigers van de verpakkingsindustrie &lt;br /&gt;
(Mopavi, Vereenigde Glasfabrieken, Tetra-Pak Nederland), de zuiveldetailhandel (Bedrijfschap &lt;br /&gt;
Detailhandel in Melk en Zuivelproducten), zuivelonderzoek (NIZO), verp&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-47&amp;gt;[47] Nederlands Verpakkings Centrum, Melkverpakking ter tafel, 18&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-48&amp;gt;[48] ‘Moderne melkverpakking in discussie’, Misset’s ‘Zuivel’ 73 (1967) 14, 274.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-49&amp;gt;[49] Verenigde Glasfabrieken, Melkverpakking en Consument (Schiedam 1965) 2.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-50&amp;gt;[50] ‘Schoolmelk in papierverpakking’, Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 63 (1957) 16, 361.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-51&amp;gt;[51] ‘Minister Mansholt voor uitbreiding verkoopplaatsen van melk’, Misset’s Zuivelbereiding en – Handel, 63 (1957) 33, 713&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-52&amp;gt;[52] ‘Minister stak een waarschuwende vinger op!’, Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 63 (1957) 53, 1173.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-53&amp;gt;[53] De melkbezorging door melkventers was in de jaren vijftig een onderwerp van permanente zorg. &lt;br /&gt;
Centraal in deze zorg stond de uiterlijke verzorging, de beleefdheid en de dienstverlening van de &lt;br /&gt;
melkventer. In een aanvulling op Amerikaanse geboden voor melk&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-54&amp;gt;[54] ‘Dictatuur’, Misset’s ‘Zuivel’ 64 (1958) 24, 553.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-55&amp;gt;[55] ‘Oplossing in zicht?’, Misset’s ‘Zuivel’ 64 (1958) 48, 1045.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-56&amp;gt;[56] ‘Stekels overeind’, Misset’s “Zuivel” 66 (1960) 41, 945.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-57&amp;gt;[57] ‘Invloed van de wijze van melkbezorging op het melkverbruik’, Misset’s ‘Zuivel’ 71 (1965) 51, 1319-1321. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-58&amp;gt;[58] J.G. Termorshuizen, Het consumentengedrag met betrekking tot melk (Wageningen 1982) 27.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-59&amp;gt;[59] Centrale Verpakkingscommissie, Notitie inzake (melk)verpakking en milieuverontreiniging (Den Haag 1971) 1,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-60&amp;gt;[60] Centrale Verpakkingscommissie, Notitie inzake (melk)verpakking, 12&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-61&amp;gt;[61] Centrale Verpakkingscommissie, Notitie inzake (melk)verpakking, 5 en 6.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-62&amp;gt;[62] L. Nagelsmit, ‘Melkverpakking en milieuverontreiniging’, Verpakken in de zuivelindustrie (Den &lt;br /&gt;
Haag 1975), NVC Seminar Noordwijkerhout 1975; L. Nagelsmit, Melk en Melkverpakking ( Den &lt;br /&gt;
Haag 1975), Centrale Verpakkingscommissie Zuivelindustrie.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-63&amp;gt;[63] F. Christen en L. Nagelsmit, ‘Beter af met de fles? Eenmalige versus meermalige melkverpakking', Economische Statistische Berichten (1981) 1194-1198.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-64&amp;gt;[64] J.M. Kooijman, Verpakken van voedingsmiddelen. Een ketenbehandeling (Groningen 1996) 138.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-65&amp;gt;[65] Lox, Verantwoorde verpakking, 130; L.G.W. van der Loo, ‘Kunststof flessen voor het verpakken van gepasteuriseerde en gesteriliseerde melk (2), &amp;quot;Voedingsmiddelentechnologie 1 (1970) 473.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-66&amp;gt;[66] A.E. Schouten en A.K. van der Vegt, Plastics (Overberg 1991) 266-267.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-67&amp;gt;[67] Lox, Verantwoorde verpakking, 130; Kooijman, Verpakken van voedingsmiddelen, 141.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-68&amp;gt;[68] T. de Vries, ‘De geschiedenis van plastic’ in M. Boot, A. von Graevenitz en H.Overduin eds., De eerste plastic eeuw. Kunststoffen in het dagelijks leven (Den Haag 1981) 15.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-69&amp;gt;[69] In dat ontwikkelingswerk waren betrokken het Koninklijke Shell Plastics Laboratorium te Delft &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-70&amp;gt;[70] In dat ontwikkelingswerk waren betrokken het Koninklijke Shell Plastics Laboratorium te Delft &lt;br /&gt;
(selectie en testen van polymeren en hun vormgeving), de Keuringsdiensten van Waren (testen &lt;br /&gt;
van sterkte van verpakkingsfolie bestemd voor voedingsmiddelen) en &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-71&amp;gt;[71] Boonstoppel, ‘Polyethyleen als verpakkingsmateriaal voor melk’, 1081.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-72&amp;gt;[72] ‘Van Grieken introduceert plastic melkverpakking’, Misset’s ‘Zuivel’ 71 (1965) 40, 984-987.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-73&amp;gt;[73] ‘De verpakking van melk in plastic’, Misset’s ‘Zuivel’ 72 (1966) 18, 388-390.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-74&amp;gt;[74] F.J. Tempel, Verpakking (Rotterdam 1965), Rede van de heer Tempel, voorzitter van de Raad van &lt;br /&gt;
Bestuur Unilever NV in de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders op 28 april 1965, &lt;br /&gt;
11.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-75&amp;gt;[75] G. Staal, ‘Het wonder, het wantrouwen en de weerstand. De waardering van plastics’, 19.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-76&amp;gt;[76] W.H. Weddepohl, ‘Verpakking en milieu’, Voedingsmiddelen Technologie 22 (1990) 11, 39.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-77&amp;gt;[77] F.A.A. Boons, Produkten in ketens. Een institutionele analyse van de substitutie van PVC-&lt;br /&gt;
leidingen en melkverpakkingen (Tilburg 1995) 145-148; ‘PVC op terugtocht in verpakking van &lt;br /&gt;
voedingsmiddelen’, Consumentengids 39 (1991) 260-262.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-78&amp;gt;[78] J. Verhoeven, ‘Nederlands Verpakkings Centrum viert jubileum. Veertig jaar interactie met de verpakkingsmarkt', Missets Pakblad 15 (1993) 16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-79&amp;gt;[79] V. Hentzepeter, ‘Actieve verpakkingen: verlengde houdbaarheid bij constante kwaliteit’, Food Management 16 (1998) 23-24.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H7</id>
		<title>Noten TIN20-3-H7</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H7"/>
				<updated>2007-06-20T10:31:55Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 7''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-1&amp;gt;[1] V.T. van Vilsteren, ‘Looking over the brewer’s shoulder’ in R.E. Kistemaker en V.T. van Vilsteren eds. Beer! The story of Holland's favourite drink (Amsterdam 1994) 71 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-2&amp;gt;[2] Het idee van merktekens was reeds veelvuldig in de preïndustriële samenleving toegepast. &lt;br /&gt;
Kenmerken van gilden, stedelijke overheden als ook van de maker zelf werden op producten aangebracht, zoals op voorwerpen van zilver en tin maar ook op biervaten Het&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-3&amp;gt;[3] R.O. Fock en E.H.L. Oosthuys eds., 100 jaar Verkade, 1886-1986 (Wormer 1986) 30.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-4&amp;gt;[4] P. Nijhof, Emaille reclameborden in Nederland (Amsterdam 1986) 42, 93.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-5&amp;gt;[5] E.J. Bouw, Van blikslagers, vleesblikken en biervaten (Amsterdam 1976) 31-32.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-6&amp;gt;[6] R. Vijfwinkel, ‘Tieleman en Dros in verduurzaamde levensmiddelen’ in C.B.A. Smit en H.D. Tjalsma, Leids Fabrikaat (Utrecht 1990) 35.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-7&amp;gt;[7] M. Kroef en N. Bavelaar, ‘Conserven Schoondergang: het hardlopertje bleek een doodlopertje’ in De kunst van het bewaren, Industrieel Erfgoed Leiden (Leiden 1992).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-8&amp;gt;[8] Kroef en Bavelaar, ‘Conservenfabriek Schoondergang’, 18.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-9&amp;gt;[9] Bouw, Van blikslagers, vleesblikken en biervaten, 27-28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-10&amp;gt;[10] C.H. de Korte, ‘Glas als verpakking van levensmiddelen’, Voedingsmiddelentechnologie, 7 (1974) 22,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-11&amp;gt;[11] P. Zwaal, Frisdranken in Nederland. Een twintigste-eeuwse productgeschiedenis (Rotterdam 1993) 30-34.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-12&amp;gt;[12] De Korte, ‘Glas als verpakking van levensmiddelen’, 22.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-13&amp;gt;[13] In 1885 produceerden de 15 Nederlandse glasfabrieken 20 miljoen flessen. Ruim een eeuw later maakten 5 bedrijven het 300-voudige aan potten en flessen; J. Soetens, In glas verpakt. Kunst, kitsch en koopmanschap (z.p., 1999). Zie ook J.F. van Oss, 'Glas en&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-14&amp;gt;[14] Bouw, Van blikslagers, vleesblikken en biervaten, 28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-15&amp;gt;[15] A. de Knecht-van Eekelen en A. van Otterloo, ‘Diffusion of glass preserved food in the Dutch food pattern 1945-1995'in M. Scharer en A. Fenton eds., Food and Material Culture (East Linton East Lothian 1998) 232.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-16&amp;gt;[16] Bouw, Van blikslagers, vleesblikken en biervaten, 28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-17&amp;gt;[17] V. Hentzepeper, ‘Blik klaar voor millenium-switch’, Food Management 16 (1998) 26-27.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-18&amp;gt;[18] O. de Wit, ‘Papier’ in H.W. Lintsen e.a.eds., Techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel 2 (Zutphen 1993) 220-221 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-19&amp;gt;[19] M. Schrover, ‘Gij zult het bakje niet koken in de melk zijner moeder. Joodse ondernemers in de voeding-en genotsmiddelenindustrie'in: H. Berge e.a. eds., Venter, fabriquer, fabrikant. Joodse ondernemers en ondernemingen in Nederland 1796-1940 (Amsterdam 1&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-20&amp;gt;[20] S. Sacharov en R.C. Griffin, Food packaging: A guide for the supplier, processor and distributor (Westport, Connecticut 1970) 20; &amp;quot;Verpakte waren&amp;quot;, Voeding en Hygiene 3 (1929) 234-235.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-21&amp;gt;[21] Sacharow en Griffin, Food packaging, 16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-22&amp;gt;[22] ‘Verpakt brood’, Voeding en Hygiëne 3 (1929) 289; ‘De hygiënische betekenis van het papier,’ Voeding en Hygiene 8 (1934) 120,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-23&amp;gt;[23] Sacharov en Griffin, Food packaging, 5-6.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-24&amp;gt;[24] F. Lox, Verantwoorde verpakking (Antwerpen 1983) 113-115.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-25&amp;gt;[25] De kleinverpakking van boter in aluminiumfolie, (’s-Gravenhage 1954) Verslagen van de Koninklijke Nederlandse Zuivelbond; R. Ferron, Verpakking, 105-106; C. Wilson, Unilever in de tweede industriele revolutie (&amp;quot;s- Gravenhage 1968)233,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-26&amp;gt;[26] Lox, Verantwoorde verpakking, 115-117.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-27&amp;gt;[27] H.M. Clark, The tin can book (New York 1977) 18. De fabricage van dunne en lichte staalplaten werd mogelijk door de introductie van de Bessemer-techniek van staalmaken (1855), later gevolgd door de Siemens-Martin techniek. Zie J.C. Westerman, Blik in het &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-28&amp;gt;[28] A. Lief, A close-up of closures. History and progress (New York 1965) 10-13; M. Grauls, Uitvinders van het dagelijks leven (Antwerpen en Helmond 1993) 43-48. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-29&amp;gt;[29] ‘Sluiting van glasverpakking’. Prae-advies van de subcommissie Sluiting Glasverpakking van de &lt;br /&gt;
NVC-werkcommissie Huisvrouwen en Verpakking (Den Haag 1964), Nederlandse Verpakkings Centrum- Werkcommissie Huisvrouwen en Verpakking, Verpakkingsreeks nr. 10, &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-30&amp;gt;[30] J.W. de Pous, ‘Ten geleide’, Verpakking in het centrum, 10 jaar Nederlands Verpakkings Centrum (Den Haag 1963) 1,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-31&amp;gt;[31] R.O. Calisch, ‘De historie van het NVC’, Verpakking in het centrum, 10 jaar Nederlands &lt;br /&gt;
Verpakkings Centrum (Den Haag 1963) 4-5.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-32&amp;gt;[32] Calisch, ‘De historie van het NVC’, 5.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-33&amp;gt;[33] ‘Nederlands Verpakkings Centrum’, Officieel Orgaan KNZB FNZ 45 (1953) 275. Het NVC speelde in de periode 1953-1960 een belangrijke rol in de organisatie van verpakkingsbeurzen&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-34&amp;gt;[34] E. Wijga, ‘Vijf verpakkingscursussen’, Verpakking in het centrum, 10 jaar Verpakkings Centrum (Den Haag 1963) 15-16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-35&amp;gt;[35] R. van Lavieren, ‘Verpakkingsonderzoek 2’, Verpakking in het centrum, 10 jaar Nederlands Verpakkings Centrum (Den Haag 1963) 41-42.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-36&amp;gt;[36] J. Mol, ‘Van melkinrichting tot levensmiddelenfabriek’, Voeding 41 (1980) 168; A.M. de Knecht-&lt;br /&gt;
van Eekelen, Naar een rationele zuigelingenvoeding, Voedingsleer en kindergeneeskunde in &lt;br /&gt;
Nederland 1840-1914 (Nijmegen 1984) 192-197; H. Beer, ‘Het pasteuriser&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-37&amp;gt;[37] Beer, ‘Het pasteuriseren van flesschen’, 120; Zwaal, Frisdranken in Nederland, 38.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-38&amp;gt;[38] H.J. Huisman, ‘Organoleptische eigenschappen van melk’, Melkverpakking, mogelijkheden en &lt;br /&gt;
wenselijkheden (Den Haag 1959), Nederlands Verpakkings Centrum, Werkcommissie Huisvrouw &lt;br /&gt;
en Verpakking, Subcommissie Melkverpakking, Verpakkingsreeks nr. 9, 10&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-39&amp;gt;[39] A.P. den Hartog, ‘Serving the urban consumer: the development of modern food packaging with &lt;br /&gt;
special reference to the milk bottle’ in A.P. den Hartog ed., Food, Technology, Science and &lt;br /&gt;
Marketing. European diet in the Twentieth Century (East Linton 1995) &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-40&amp;gt;[40] ‘Eind 1955 allemaal schone flessen!’, Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 61 (1955) 1, 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-41&amp;gt;[41] Misset’s Zuivelbereiding en.-Handel 60 (1954) 3, 46.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-42&amp;gt;[42] In 1955 werd begonnen met de levering van consumptiemelk aan Amerikaanse militairen in &lt;br /&gt;
Noord-Afrika. Daartoe werd een melkfabriek in het Marokkaanse Casablanca gebouwd. Het &lt;br /&gt;
gehele ontwerp van de fabriek, inclusief airconditioning, koeltechnische install&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-43&amp;gt;[43] ‘Sterovita brengt Sterovita pakmelk. Het eerst in Rotterdam en Dordrecht’, Misset’s &lt;br /&gt;
Zuivelbereiding en -Handel 61 (1955) 18, 408-410; ‘De papieren melkfles doet haar intrede in &lt;br /&gt;
Nederland’, Conserva 3 (1955) 11, 343-345.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-44&amp;gt;[44] Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 60 (1954) 3, 46.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-45&amp;gt;[45] Koninklijke Nederlandse Zuivelbond (FNZ), De toepassingsmogelijkheden van papierverpakking &lt;br /&gt;
voor melk. Een onderzoek van de commissie voor melk in papierverpakking (Den Haag 1957), &lt;br /&gt;
FNZ-Technisch Wetenschappelijke Serie, no.11.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-46&amp;gt;[46] De subcommissie Melkverpakking bestond uit vertegenwoordigers van de verpakkingsindustrie &lt;br /&gt;
(Mopavi, Vereenigde Glasfabrieken, Tetra-Pak Nederland), de zuiveldetailhandel (Bedrijfschap &lt;br /&gt;
Detailhandel in Melk en Zuivelproducten), zuivelonderzoek (NIZO), verp&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-47&amp;gt;[47] Nederlands Verpakkings Centrum, Melkverpakking ter tafel, 18&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-48&amp;gt;[48] ‘Moderne melkverpakking in discussie’, Misset’s ‘Zuivel’ 73 (1967) 14, 274.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-49&amp;gt;[49] Verenigde Glasfabrieken, Melkverpakking en Consument (Schiedam 1965) 2.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-50&amp;gt;[50] ‘Schoolmelk in papierverpakking’, Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 63 (1957) 16, 361.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-51&amp;gt;[51] ‘Minister Mansholt voor uitbreiding verkoopplaatsen van melk’, Misset’s Zuivelbereiding en – Handel, 63 (1957) 33, 713&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-52&amp;gt;[52] ‘Minister stak een waarschuwende vinger op!’, Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 63 (1957) 53, 1173.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-53&amp;gt;[53] De melkbezorging door melkventers was in de jaren vijftig een onderwerp van permanente zorg. &lt;br /&gt;
Centraal in deze zorg stond de uiterlijke verzorging, de beleefdheid en de dienstverlening van de &lt;br /&gt;
melkventer. In een aanvulling op Amerikaanse geboden voor melk&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-54&amp;gt;[54] ‘Dictatuur’, Misset’s ‘Zuivel’ 64 (1958) 24, 553.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-55&amp;gt;[55] ‘Oplossing in zicht?’, Misset’s ‘Zuivel’ 64 (1958) 48, 1045.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-56&amp;gt;[56] ‘Stekels overeind’, Misset’s “Zuivel” 66 (1960) 41, 945.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-57&amp;gt;[57] ‘Invloed van de wijze van melkbezorging op het melkverbruik’, Misset’s ‘Zuivel’ 71 (1965) 51, 1319-1321. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-58&amp;gt;[58] J.G. Termorshuizen, Het consumentengedrag met betrekking tot melk (Wageningen 1982) 27.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-59&amp;gt;[59] Centrale Verpakkingscommissie, Notitie inzake (melk)verpakking en milieuverontreiniging (Den Haag 1971) 1,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-60&amp;gt;[60] Centrale Verpakkingscommissie, Notitie inzake (melk)verpakking, 12&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-61&amp;gt;[61] Centrale Verpakkingscommissie, Notitie inzake (melk)verpakking, 5 en 6.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-62&amp;gt;[62] L. Nagelsmit, ‘Melkverpakking en milieuverontreiniging’, Verpakken in de zuivelindustrie (Den &lt;br /&gt;
Haag 1975), NVC Seminar Noordwijkerhout 1975; L. Nagelsmit, Melk en Melkverpakking ( Den &lt;br /&gt;
Haag 1975), Centrale Verpakkingscommissie Zuivelindustrie.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-63&amp;gt;[63] F. Christen en L. Nagelsmit, ‘Beter af met de fles? Eenmalige versus meermalige melkverpakking', Economische Statistische Berichten (1981) 1194-1198.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-64&amp;gt;[64] J.M. Kooijman, Verpakken van voedingsmiddelen. Een ketenbehandeling (Groningen 1996) 138.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-65&amp;gt;[65] Lox, Verantwoorde verpakking, 130; L.G.W. van der Loo, ‘Kunststof flessen voor het verpakken van gepasteuriseerde en gesteriliseerde melk (2), &amp;quot;Voedingsmiddelentechnologie 1 (1970) 473.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-66&amp;gt;[66] A.E. Schouten en A.K. van der Vegt, Plastics (Overberg 1991) 266-267.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-67&amp;gt;[67] Lox, Verantwoorde verpakking, 130; Kooijman, Verpakken van voedingsmiddelen, 141.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-68&amp;gt;[68] T. de Vries, ‘De geschiedenis van plastic’ in M. Boot, A. von Graevenitz en H.Overduin eds., De eerste plastic eeuw. Kunststoffen in het dagelijks leven (Den Haag 1981) 15.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-69&amp;gt;[69] In dat ontwikkelingswerk waren betrokken het Koninklijke Shell Plastics Laboratorium te Delft &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-70&amp;gt;[70] In dat ontwikkelingswerk waren betrokken het Koninklijke Shell Plastics Laboratorium te Delft &lt;br /&gt;
(selectie en testen van polymeren en hun vormgeving), de Keuringsdiensten van Waren (testen &lt;br /&gt;
van sterkte van verpakkingsfolie bestemd voor voedingsmiddelen) en &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-71&amp;gt;[71] Boonstoppel, ‘Polyethyleen als verpakkingsmateriaal voor melk’, 1081.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-72&amp;gt;[72] ‘Van Grieken introduceert plastic melkverpakking’, Misset’s ‘Zuivel’ 71 (1965) 40, 984-987.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-73&amp;gt;[73] ‘De verpakking van melk in plastic’, Misset’s ‘Zuivel’ 72 (1966) 18, 388-390.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-74&amp;gt;[74] F.J. Tempel, Verpakking (Rotterdam 1965), Rede van de heer Tempel, voorzitter van de Raad van &lt;br /&gt;
Bestuur Unilever NV in de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders op 28 april 1965, &lt;br /&gt;
11.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-75&amp;gt;[75] G. Staal, ‘Het wonder, het wantrouwen en de weerstand. De waardering van plastics’, 19.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-76&amp;gt;[76] W.H. Weddepohl, ‘Verpakking en milieu’, Voedingsmiddelen Technologie 22 (1990) 11, 39.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-77&amp;gt;[77] F.A.A. Boons, Produkten in ketens. Een institutionele analyse van de substitutie van PVC-&lt;br /&gt;
leidingen en melkverpakkingen (Tilburg 1995) 145-148; ‘PVC op terugtocht in verpakking van &lt;br /&gt;
voedingsmiddelen’, Consumentengids 39 (1991) 260-262.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-78&amp;gt;[78] J. Verhoeven, ‘Nederlands Verpakkings Centrum viert jubileum. Veertig jaar interactie met de verpakkingsmarkt', Missets Pakblad 15 (1993) 16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-79&amp;gt;[79] V. Hentzepeter, ‘Actieve verpakkingen: verlengde houdbaarheid bij constante kwaliteit’, Food Management 16 (1998) 23-24.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H7</id>
		<title>Noten TIN20-3-H7</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H7"/>
				<updated>2007-06-20T10:31:02Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 7''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-1&amp;gt;[1] V.T. van Vilsteren, ‘Looking over the brewer’s shoulder’ in R.E. Kistemaker en V.T. van Vilsteren eds. Beer! The story of Holland's favourite drink (Amsterdam 1994) 71 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-2&amp;gt;[2] Het idee van merktekens was reeds veelvuldig in de preïndustriële samenleving toegepast. &lt;br /&gt;
Kenmerken van gilden, stedelijke overheden als ook van de maker zelf werden op producten aangebracht, zoals op voorwerpen van zilver en tin maar ook op biervaten Het&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-3&amp;gt;[3] R.O. Fock en E.H.L. Oosthuys eds., 100 jaar Verkade, 1886-1986 (Wormer 1986) 30.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-4&amp;gt;[4] P. Nijhof, Emaille reclameborden in Nederland (Amsterdam 1986) 42, 93.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-5&amp;gt;[5] E.J. Bouw, Van blikslagers, vleesblikken en biervaten (Amsterdam 1976) 31-32.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-6&amp;gt;[6] R. Vijfwinkel, ‘Tieleman en Dros in verduurzaamde levensmiddelen’ in C.B.A. Smit en H.D. Tjalsma, Leids Fabrikaat (Utrecht 1990) 35.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-7&amp;gt;[7] M. Kroef en N. Bavelaar, ‘Conserven Schoondergang: het hardlopertje bleek een doodlopertje’ in De kunst van het bewaren, Industrieel Erfgoed Leiden (Leiden 1992).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-8&amp;gt;[8] Kroef en Bavelaar, ‘Conservenfabriek Schoondergang’, 18.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-9&amp;gt;[9] Bouw, Van blikslagers, vleesblikken en biervaten, 27-28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-10&amp;gt;[10] C.H. de Korte, ‘Glas als verpakking van levensmiddelen’, Voedingsmiddelentechnologie, 7 (1974) 22,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-11&amp;gt;[11] P. Zwaal, Frisdranken in Nederland. Een twintigste-eeuwse productgeschiedenis (Rotterdam 1993) 30-34.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-12&amp;gt;[12] De Korte, ‘Glas als verpakking van levensmiddelen’, 22.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-13&amp;gt;[13] In 1885 produceerden de 15 Nederlandse glasfabrieken 20 miljoen flessen. Ruim een eeuw later maakten 5 bedrijven het 300-voudige aan potten en flessen; J. Soetens, In glas verpakt. Kunst, kitsch en koopmanschap (z.p., 1999). Zie ook J.F. van Oss, 'Glas en&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-14&amp;gt;[14] Bouw, Van blikslagers, vleesblikken en biervaten, 28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-15&amp;gt;[15] A. de Knecht-van Eekelen en A. van Otterloo, ‘Diffusion of glass preserved food in the Dutch food pattern 1945-1995'in M. Scharer en A. Fenton eds., Food and Material Culture (East Linton East Lothian 1998) 232.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-16&amp;gt;[16] Bouw, Van blikslagers, vleesblikken en biervaten, 28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-17&amp;gt;[17] V. Hentzepeper, ‘Blik klaar voor millenium-switch’, Food Management 16 (1998) 26-27.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-18&amp;gt;[18] O. de Wit, ‘Papier’ in H.W. Lintsen e.a.eds., Techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel 2 (Zutphen 1993) 220-221 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-19&amp;gt;[19] M. Schrover, ‘Gij zult het bakje niet koken in de melk zijner moeder. Joodse ondernemers in de voeding-en genotsmiddelenindustrie'in: H. Berge e.a. eds., Venter, fabriquer, fabrikant. Joodse ondernemers en ondernemingen in Nederland 1796-1940 (Amsterdam 1&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-20&amp;gt;[20] S. Sacharov en R.C. Griffin, Food packaging: A guide for the supplier, processor and distributor (Westport, Connecticut 1970) 20; &amp;quot;Verpakte waren&amp;quot;, Voeding en Hygiene 3 (1929) 234-235.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-21&amp;gt;[21] Sacharow en Griffin, Food packaging, 16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-22&amp;gt;[22] ‘Verpakt brood’, Voeding en Hygiëne 3 (1929) 289; ‘De hygiënische betekenis van het papier,’ Voeding en Hygiene 8 (1934) 120,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-23&amp;gt;[23] Sacharov en Griffin, Food packaging, 5-6.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-24&amp;gt;[24] F. Lox, Verantwoorde verpakking (Antwerpen 1983) 113-115.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-25&amp;gt;[25] De kleinverpakking van boter in aluminiumfolie, (’s-Gravenhage 1954) Verslagen van de Koninklijke Nederlandse Zuivelbond; R. Ferron, Verpakking, 105-106; C. Wilson, Unilever in de tweede industriele revolutie (&amp;quot;s- Gravenhage 1968)233,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-26&amp;gt;[26] Lox, Verantwoorde verpakking, 115-117.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-27&amp;gt;[27] H.M. Clark, The tin can book (New York 1977) 18. De fabricage van dunne en lichte staalplaten werd mogelijk door de introductie van de Bessemer-techniek van staalmaken (1855), later gevolgd door de Siemens-Martin techniek. Zie J.C. Westerman, Blik in het &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-28&amp;gt;[28] A. Lief, A close-up of closures. History and progress (New York 1965) 10-13; M. Grauls, Uitvinders van het dagelijks leven (Antwerpen en Helmond 1993) 43-48. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-29&amp;gt;[29] ‘Sluiting van glasverpakking’. Prae-advies van de subcommissie Sluiting Glasverpakking van de &lt;br /&gt;
NVC-werkcommissie Huisvrouwen en Verpakking (Den Haag 1964), Nederlandse Verpakkings Centrum- Werkcommissie Huisvrouwen en Verpakking, Verpakkingsreeks nr. 10, &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-30&amp;gt;[30] J.W. de Pous, ‘Ten geleide’, Verpakking in het centrum, 10 jaar Nederlands Verpakkings Centrum (Den Haag 1963) 1,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-31&amp;gt;[31] R.O. Calisch, ‘De historie van het NVC’, Verpakking in het centrum, 10 jaar Nederlands &lt;br /&gt;
Verpakkings Centrum (Den Haag 1963) 4-5.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-32&amp;gt;[32] Calisch, ‘De historie van het NVC’, 5.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-33&amp;gt;[33] ‘Nederlands Verpakkings Centrum’, Officieel Orgaan KNZB FNZ 45 (1953) 275. Het NVC speelde in de periode 1953-1960 een belangrijke rol in de organisatie van verpakkingsbeurzen&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-34&amp;gt;[34] E. Wijga, ‘Vijf verpakkingscursussen’, Verpakking in het centrum, 10 jaar Verpakkings Centrum (Den Haag 1963) 15-16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-35&amp;gt;[35] R. van Lavieren, ‘Verpakkingsonderzoek 2’, Verpakking in het centrum, 10 jaar Nederlands Verpakkings Centrum (Den Haag 1963) 41-42.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-36&amp;gt;[36] J. Mol, ‘Van melkinrichting tot levensmiddelenfabriek’, Voeding 41 (1980) 168; A.M. de Knecht-&lt;br /&gt;
van Eekelen, Naar een rationele zuigelingenvoeding, Voedingsleer en kindergeneeskunde in &lt;br /&gt;
Nederland 1840-1914 (Nijmegen 1984) 192-197; H. Beer, ‘Het pasteuriser&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-37&amp;gt;[37] Beer, ‘Het pasteuriseren van flesschen’, 120; Zwaal, Frisdranken in Nederland, 38.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-38&amp;gt;[38] H.J. Huisman, ‘Organoleptische eigenschappen van melk’, Melkverpakking, mogelijkheden en &lt;br /&gt;
wenselijkheden (Den Haag 1959), Nederlands Verpakkings Centrum, Werkcommissie Huisvrouw &lt;br /&gt;
en Verpakking, Subcommissie Melkverpakking, Verpakkingsreeks nr. 9, 10&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-39&amp;gt;[39] A.P. den Hartog, ‘Serving the urban consumer: the development of modern food packaging with &lt;br /&gt;
special reference to the milk bottle’ in A.P. den Hartog ed., Food, Technology, Science and &lt;br /&gt;
Marketing. European diet in the Twentieth Century (East Linton 1995) &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-40&amp;gt;[40] ‘Eind 1955 allemaal schone flessen!’, Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 61 (1955) 1, 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-41&amp;gt;[41] Misset’s Zuivelbereiding en.-Handel 60 (1954) 3, 46.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-42&amp;gt;[42] In 1955 werd begonnen met de levering van consumptiemelk aan Amerikaanse militairen in &lt;br /&gt;
Noord-Afrika. Daartoe werd een melkfabriek in het Marokkaanse Casablanca gebouwd. Het &lt;br /&gt;
gehele ontwerp van de fabriek, inclusief airconditioning, koeltechnische install&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-43&amp;gt;[43] ‘Sterovita brengt Sterovita pakmelk. Het eerst in Rotterdam en Dordrecht’, Misset’s &lt;br /&gt;
Zuivelbereiding en -Handel 61 (1955) 18, 408-410; ‘De papieren melkfles doet haar intrede in &lt;br /&gt;
Nederland’, Conserva 3 (1955) 11, 343-345.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-44&amp;gt;[44] Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 60 (1954) 3, 46.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-45&amp;gt;[45] Koninklijke Nederlandse Zuivelbond (FNZ), De toepassingsmogelijkheden van papierverpakking &lt;br /&gt;
voor melk. Een onderzoek van de commissie voor melk in papierverpakking (Den Haag 1957), &lt;br /&gt;
FNZ-Technisch Wetenschappelijke Serie, no.11.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-46&amp;gt;[46] De subcommissie Melkverpakking bestond uit vertegenwoordigers van de verpakkingsindustrie &lt;br /&gt;
(Mopavi, Vereenigde Glasfabrieken, Tetra-Pak Nederland), de zuiveldetailhandel (Bedrijfschap &lt;br /&gt;
Detailhandel in Melk en Zuivelproducten), zuivelonderzoek (NIZO), verp&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-47&amp;gt;[47] Nederlands Verpakkings Centrum, Melkverpakking ter tafel, 18&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-48&amp;gt;[48] ‘Moderne melkverpakking in discussie’, Misset’s ‘Zuivel’ 73 (1967) 14, 274.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-49&amp;gt;[49] Verenigde Glasfabrieken, Melkverpakking en Consument (Schiedam 1965) 2.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-50&amp;gt;[50] ‘Schoolmelk in papierverpakking’, Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 63 (1957) 16, 361.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-51&amp;gt;[51] ‘Minister Mansholt voor uitbreiding verkoopplaatsen van melk’, Misset’s Zuivelbereiding en – Handel, 63 (1957) 33, 713&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-52&amp;gt;[52] ‘Minister stak een waarschuwende vinger op!’, Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 63 (1957) 53, 1173.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-53&amp;gt;[53] De melkbezorging door melkventers was in de jaren vijftig een onderwerp van permanente zorg. &lt;br /&gt;
Centraal in deze zorg stond de uiterlijke verzorging, de beleefdheid en de dienstverlening van de &lt;br /&gt;
melkventer. In een aanvulling op Amerikaanse geboden voor melk&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-54&amp;gt;[54] ‘Dictatuur’, Misset’s ‘Zuivel’ 64 (1958) 24, 553.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-55&amp;gt;[55] ‘Oplossing in zicht?’, Misset’s ‘Zuivel’ 64 (1958) 48, 1045.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-56&amp;gt;[56] ‘Stekels overeind’, Misset’s “Zuivel” 66 (1960) 41, 945.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-57&amp;gt;[57] ‘Invloed van de wijze van melkbezorging op het melkverbruik’, Misset’s ‘Zuivel’ 71 (1965) 51, 1319-1321. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-58&amp;gt;[58] J.G. Termorshuizen, Het consumentengedrag met betrekking tot melk (Wageningen 1982) 27.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-59&amp;gt;[59] Centrale Verpakkingscommissie, Notitie inzake (melk)verpakking en milieuverontreiniging (Den Haag 1971) 1,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-60&amp;gt;[60] Centrale Verpakkingscommissie, Notitie inzake (melk)verpakking, 12&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-61&amp;gt;[61] Centrale Verpakkingscommissie, Notitie inzake (melk)verpakking, 5 en 6.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-62&amp;gt;[62] L. Nagelsmit, ‘Melkverpakking en milieuverontreiniging’, Verpakken in de zuivelindustrie (Den &lt;br /&gt;
Haag 1975), NVC Seminar Noordwijkerhout 1975; L. Nagelsmit, Melk en Melkverpakking ( Den &lt;br /&gt;
Haag 1975), Centrale Verpakkingscommissie Zuivelindustrie.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-63&amp;gt;[63] F. Christen en L. Nagelsmit, ‘Beter af met de fles? Eenmalige versus meermalige melkverpakking', Economische Statistische Berichten (1981) 1194-1198.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-64&amp;gt;[64] J.M. Kooijman, Verpakken van voedingsmiddelen. Een ketenbehandeling (Groningen 1996) 138.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-65&amp;gt;[65] Lox, Verantwoorde verpakking, 130; L.G.W. van der Loo, ‘Kunststof flessen voor het verpakken van gepasteuriseerde en gesteriliseerde melk (2), &amp;quot;Voedingsmiddelentechnologie 1 (1970) 473.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-66&amp;gt;[66] A.E. Schouten en A.K. van der Vegt, Plastics (Overberg 1991) 266-267.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-67&amp;gt;[67] Lox, Verantwoorde verpakking, 130; Kooijman, Verpakken van voedingsmiddelen, 141.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-68&amp;gt;[68] T. de Vries, ‘De geschiedenis van plastic’ in M. Boot, A. von Graevenitz en H.Overduin eds., De eerste plastic eeuw. Kunststoffen in het dagelijks leven (Den Haag 1981) 15.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-69&amp;gt;[69] In dat ontwikkelingswerk waren betrokken het Koninklijke Shell Plastics Laboratorium te Delft &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-70&amp;gt;[70] In dat ontwikkelingswerk waren betrokken het Koninklijke Shell Plastics Laboratorium te Delft &lt;br /&gt;
(selectie en testen van polymeren en hun vormgeving), de Keuringsdiensten van Waren (testen &lt;br /&gt;
van sterkte van verpakkingsfolie bestemd voor voedingsmiddelen) en &amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-71&amp;gt;[71] Boonstoppel, ‘Polyethyleen als verpakkingsmateriaal voor melk’, 1081.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-72&amp;gt;[72] ‘Van Grieken introduceert plastic melkverpakking’, Misset’s ‘Zuivel’ 71 (1965) 40, 984-987.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-73&amp;gt;[73] ‘De verpakking van melk in plastic’, Misset’s ‘Zuivel’ 72 (1966) 18, 388-390.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-74&amp;gt;[74] F.J. Tempel, Verpakking (Rotterdam 1965), Rede van de heer Tempel, voorzitter van de Raad van &lt;br /&gt;
Bestuur Unilever NV in de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders op 28 april 1965, &lt;br /&gt;
11.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-75&amp;gt;[75] G. Staal, ‘Het wonder, het wantrouwen en de weerstand. De waardering van plastics’, 19.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-76&amp;gt;[76] W.H. Weddepohl, ‘Verpakking en milieu’, Voedingsmiddelen Technologie 22 (1990) 11, 39.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
&amp;quot;*&amp;lt;div id=7-77&amp;gt;[77] F.A.A. Boons, Produkten in ketens. Een institutionele analyse van de substitutie van PVC-&lt;br /&gt;
leidingen en melkverpakkingen (Tilburg 1995) 145-148; ‘PVC op terugtocht in verpakking van &lt;br /&gt;
voedingsmiddelen’, Consumentengids 39 (1991) 260-262.&lt;br /&gt;
&amp;lt;/div&amp;gt;&amp;quot;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-78&amp;gt;[78] J. Verhoeven, ‘Nederlands Verpakkings Centrum viert jubileum. Veertig jaar interactie met de verpakkingsmarkt', Missets Pakblad 15 (1993) 16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=7-79&amp;gt;[79] V. Hentzepeter, ‘Actieve verpakkingen: verlengde houdbaarheid bij constante kwaliteit’, Food Management 16 (1998) 23-24.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H6</id>
		<title>Noten TIN20-3-H6</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H6"/>
				<updated>2007-06-20T10:30:44Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 6''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-1&amp;gt;[1] Gebaseerd op A.P. de Knecht-van Eekelen, Naar een rationele zuigelingenvoeding. Voedingsleer en kindergeneeskunde in Nederland 1840-1914 (Nijmegen 1984).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-2&amp;gt;[2] Voor de ontwikkeling van melksterilisatietechniek zie L.V. Bartels, De onmisbare. De koe en haar enorme invloed op de mens (Bedum 1989) en A.P. den Hartog, Diffusion of milk as a new food to tropical regions: the example of Indonesia, 1880-1942 (Wageninge&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-3&amp;gt;[3] Voor de lezer zal duidelijk zijn dat hier sprake was van een vitamine C-deficiëntie. De indertijd gebruikte, veel tijd kostende methode om zuigelingenmelk te steriliseren, veroorzaakte een volledige oxidatie van dit toen nog onbekende bestanddeel van de m&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-4&amp;gt;[4] Het was niet duidelijk wat de voedingsbehoefte van een zuigeling was. De aanwezigheid van vitamines in melk was niet bekend en kennis over eigenschappen van bacteriën ontbrak.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-5&amp;gt;[5] E. Gorter, De voeding van gezonde en zieke zuigelingen (Leiden 1929) 6e druk, 354; W. Wennekes, De vaders van Nutricia ‘De min van Nederland’ (Abcoude 1991) 12.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-6&amp;gt;[6] A.P. de Knecht-van Eekelen, Naar een rationele zuigelingenvoeding, 251.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-7&amp;gt;[7] Onder andere A. Fockema benadrukte dat in de inleiding van zijn vertaling van H. Albrecht, Hoe voedt men zuigelingen (Arnhem 1879) III-IV.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-8&amp;gt;[8] J. Gewin, ‘Over natuurlijke voeding’, Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 54 IIA (1910) 426-438. Behalve gecondenseerde melk en Backhausmelk hadden Emstermatemelk, Koker’s melk, Veth’s melk en Puritas een zekere naam. Daarnaast de ‘kindermeel’soorte&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-9&amp;gt;[9] C.H. Wagenaar Hummelinck, ‘De fabricage van gecondenseerde melk’, Economist 35 I (1886) 262-274; A.P. de Knecht-van Eekelen, Naar een rationele zuigelingenvoeding, 255-258 en 358-359. ‘HUM’ zijn letters van de naam van de fabrikant C.H. Wagenaar Hummelinc&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-10&amp;gt;[10] J.Th.M., ‘Een interessant bezoek’, Eigen haard 10 (1884) 28-33.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-11&amp;gt;[11] Nutricia Life 1 (1998) 1, 18: Een eerste uitgave verscheen onder de naam ‘Voor de spreekkamer van H.H. Geneeskundigen’ in 1924.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-12&amp;gt;[12] J.H.P. Jonxis, ‘Almiron-A, een nieuwe zoete zuigelingenvoeding’, Voedingsnieuws (1955) 6, 7-10.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-13&amp;gt;[13] Wennekes, De vaders van Nutricia, 78.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-14&amp;gt;[14] I.H.J. Vos, De melkvoorziening van Amsterdam (Amsterdam 1918) 135.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-15&amp;gt;[15] C.F. Roosenschoon, Een wandeltocht door 75 jaar zuivelgeschiedenis (Den Haag 1975) 87.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-16&amp;gt;[16] Vos, De melkvoorziening van Amsterdam, 133.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-17&amp;gt;[17] L.P. van der Mijll Dekker en Chr. Engel, ‘Het gehalte van gesteriliseerde flessenmelk aan vitamines A, B1, B2 en C tijdens bewaring onder verschillende omstandigheden’, Voeding 13 (1952) 152-155.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-18&amp;gt;[18] ‘Het vitaminiseren van melk’, Nederlands Weekblad voor Zuivelbereiding en -Handel 59 (1953) 26, 623-624.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-19&amp;gt;[19] ‘De opening van het NIZO: een hoogtijdag’, Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 61 (1955) 23, 511-514. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-20&amp;gt;[20] ‘Van fragmentarisch onderzoek tot NIZO’, Misset’s Zuivelbereiding en -Handel 61 (1955) 23, 523-525.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-21&amp;gt;[21] ‘Gouden jubileum van het Rijkszuivelstation te Leiden. Zijn taak en betekenis voor ons bedrijfsleven, de export en de volksgezondheid’, Nederlands Weekblad voor Zuivelbereiding en -Handel 59 (1953) no. 39, 888.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-22&amp;gt;[22] ‘De Nederlandse zuivel zag vooruit’, Conserva 6 (1957) 2, 28-33.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-23&amp;gt;[23] ‘1e Steenlegging van het Ned. Instituut voor Zuivelonderzoek (NIZO) te Ede’, Nederlands Weekblad voor Zuivelbereiding en -Handel 59 (1953) 30, 712-713.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-24&amp;gt;[24] ‘Zonder natuurwetenschappelijk onderzoek zou de zuivelbereiding zich niet hebben ontwikkeld tot de hoogte die ze heeft bereikt’ - H. Mulder, ‘Melk-boter-kaas. Diesrede’ (Wageningen 1962) 10.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-25&amp;gt;[25] Vos, De melkvoorziening van Amsterdam, XIV.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-26&amp;gt;[26] L. van Hoepen, Van veertig zegenrijke melkjaren 1908-1948 (Bussum 1948) 137.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-27&amp;gt;[27] In het Melkbesluit waren bacteriologische eisen voor gepasteuriseerde melk vastgelegd: er mochten bijvoorbeeld geen kweekbare coli- of coli-achtige bacteriën aanwezig zijn en van andere micro-organismen minder dan 25.000 per kubieke centimeter.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-28&amp;gt;[28] ‘De kwaliteit van melk’, Misset’s ‘Zuivel’ 69 (1963) 22, 488-493&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-29&amp;gt;[29] Roosenschoon, Een wandeltocht door 75 jaar zuivelgeschiedenis, 99.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-30&amp;gt;[30] H.M.J.S. de Holl, Ik kan koken (Leiden 1911) 86-87.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-31&amp;gt;[31] Vos, De melkvoorziening van Amsterdam, XV.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-32&amp;gt;[32] C. Banning, De voeding te Zaandam in 1929/1930 (Zaandam 1931) 76-78.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-33&amp;gt;[33] J.C. Dekker, Zuivelcoöperaties op de zandgronden in Noord-Brabant en Limburg, 1892-1950. Overleven door samenwerking en modernisering, een mentaliteitsstudie (Tilburg 1996) 248-249 en 292-303.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-34&amp;gt;[34] ‘Berichten binnenland’, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 93 I (1949) 757.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-35&amp;gt;[35] M.J.L. Dols en J. Sevenster, Productie en bestemming van melk in Nederland. Een landbouweconomische studie (Rotterdam 1950) 162.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-36&amp;gt;[36] ‘Berichten binnenland’, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 94 I (1950) 347. In 1950 waren er al berichten dat de melkconsumptie met 10% was gedaald vergeleken met 1949.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-37&amp;gt;[37] G.D. Hemmes en P.J.V. van Wesemael, ‘Paratyphusepidemie, ontstaan door gebruik van in flessen gepasteuriseerde melk’, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 93 II (1949) 1892-1897, m.n. 1893.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-38&amp;gt;[38] Tijdens laag pasteuriseren werd de melk stromend verhit in een pasteur op 72 tot 73˚ C gedurende 15 tot 20 seconden. Tijdens hoog pasteuriseren werd de melk tot 80 a 85˚ C verhit. Bartels, De onmisbare; Den Hartog, Diffusion of milk, 238.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-39&amp;gt;[39] J.G. Termorshuizen, Het consumentengedrag met betrekking tot melk (Wageningen 1982) 7-11 en 22-23.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-40&amp;gt;[40] Consumenten Gids (1961) 121.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-41&amp;gt;[41] ‘Melk-shakes’, Nederlands Weekblad voor Zuivelbereiding en -Handel 58 (1952) 22, 499-501.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-42&amp;gt;[42] ‘Wie vindt wat lekker?’, Misset’s ‘Zuivel’ 71 (1965) 43, 1127.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-43&amp;gt;[43] In het kader van de nieuwe naoorlogse wet op de bedrijfsorganisatie, de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (PBO), waren bedrijven ook verplicht meer rekening te houden met de wensen van consumenten.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-44&amp;gt;[44] ‘Zuivelproblemen van vandaag en morgen doorgelicht’, Misset’s ‘Zuivel’ 64 (1958) 46, 1009.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-45&amp;gt;[45] ‘Marktonderzoek volgens de methode van het “consumentenpanel”’, Misset’s ‘Zuivel’ 65 (1959) 34, 721-723.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-46&amp;gt;[46] ‘Onderzoek Nederlands Zuivelbureau toont aan: melkdieet bij helft van de huisvrouwen bekend, en snelverkeer en melk duidelijk met elkaar verbonden’, Misset’s ‘Zuivel’ 71 (1965) 52, 1336-1337.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-47&amp;gt;[47] Roosenschoon, Een wandeltocht door 75 jaar zuivelgeschiedenis, 91, 96.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-48&amp;gt;[48] ‘Vanuit Aken wordt de harde strijd gestreden (II)’, Misset’s ‘Zuivel’ 69 (1963) 2, 24-25.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-49&amp;gt;[49] ‘Consument en Zuivel’, Misset’s ‘Zuivel’ 72 (1966) 42, 1072.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-50&amp;gt;[50] ‘Zuiveldag voor consumenten’, Misset’s “Zuivel” 72 (1966) 45, 1136-1137.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-51&amp;gt;[51] ‘Ambitieuze NZB-plannen voor 1972’, Voedingsmiddelentechnologie 2 (1971) 51, 15.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-52&amp;gt;[52] ‘Nieuwe schoolmelkverpakking Coberco’, Voedingsmiddelentechnologie 13 (1980) 4, 46-47.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-53&amp;gt;[53] ‘Voedingsraad. Standpunt ten aanzien van de verstrekking van melk op school’, Voeding 18 (1957) 593-598. De Voedingsraad adviseerde een consumptie van 600 ml melk voor kleuters van 4-6 jaar, 750 ml voor schoolkinderen van 7-13 jaar en 750 ml voor adolesce&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-54&amp;gt;[54] Zie o.a. P.B. Defares, G.N. Kema en J.J. van der Werff, Schoolmelk en intellectuele prestaties: onderzoek naar het effect van schoolmelkgebruik op intellectuele prestaties (Assen 1967).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=6-55&amp;gt;[55] http://www.prodzuivel.nl. Rijswijk, 9 november 1998.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H5</id>
		<title>Noten TIN20-3-H5</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H5"/>
				<updated>2007-06-20T10:30:22Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 5'''&lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-1&amp;gt;[1] L.Reijnders, R.Sijmons e.a., Voedsel in Nederland. Gezondheid, bedrog en vergif (Amsterdam 1973&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-2&amp;gt;[2] Reijnders en Sijmons 1973, 107-109.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-3&amp;gt;[3] A.H. van Otterloo, ‘The development of public distrust in modern food technology in the Netherlands. Professionals, laymen and the Consumer’s Union’, in: A.P. den Hartog (ed.), Food, Technology, Science and Marketing. European Diet in the Twentieth Centur&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-4&amp;gt;[4] S. Aupers en A. H. van Otterloo, New Age.Een godsdiensthistorische en sociologische benadering, Kampen 2000, 62.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-5&amp;gt;[5] UHA, UUB 809; Unilever constateerde een aantal feitelijke onjuistheden en ging voorts vooral in op de BWA-kritiek op gezondheidsreclame. Gezondheidsclaims zijn nog steeds omstreden.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-6&amp;gt;[6] H.van den Dool, ‘Smakelijk eten’, Voeding 43 (1982) 1, 5-9, A.van Genderen, ‘Smakelijk eten?’, Voeding 43 (1982) 1, 1982, 10-11, L.Reijnders, ‘De aanvaardbaarheid van voedseladditieven’, Voeding 43, (1982) 3; Advies voedseladditieven en –verontreinigignen&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-7&amp;gt;[7] Commissie van de Europese gemeenschappen, Het gebruik van additieven in levensmiddelen en de consument. Luxemburg (Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen) 1980; .Schoor, Hanke, Er staat niet wat er staat. Over voedsel, verpakking, r&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-8&amp;gt;[8] De benaming vitamines verdient volgens Voeding 41 (1980) 303 de voorkeur boven vitaminen. De gegevens over de geschiedenis zijn aan diverse artikelen in dit blad ontleend, zie: C. den Hartog, ‘Perioden in de ontdekking en waardering van vitamines’, Voedin&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-9&amp;gt;[9] Vitamine, Winkler Prins, negende druk (1993), 23-26. L.J.Machlin, Vitamins. Basics (Basel 1997), . &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-10&amp;gt;[10] Funk leverde wel een theoretische bijdrage, maar over zijn rol in de isolatie van vitamine B1 zijn de historici het niet eens; nationale eer speelt daarin mee.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-11&amp;gt;[11] H.J. Teuteberg, ‘The discovery of vitamins. Laboratory research, reception, industrial production’ in Alexander Fenton, Order and disorder, (Edinburgh 2000) te verschijnen. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-12&amp;gt;[12] Van 1912 tot 1936 was Grijns hoogleraar in de fysiologie in Wageningen, waar hij de betekenis van vitamine E voor de voortplanting ontdekte.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-13&amp;gt;[13] P.J. van der Laan, ‘De vitaminen. Een beknopt overzicht’, Voeding 7 (1946/47)&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-14&amp;gt;[14] Het vitamine-onderzoek duurt voort, maar de (voorlopig) laatste nieuwe synthese vond plaats in 1972 (Vitamine B12); in totaal zijn 13 vitamines ontdekt, al wordt wordt nog getwist over sterk verwante stoffen, L.J.Machlin, ‘Introduction’ in Vitamins (Basel&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-15&amp;gt;[15] Voorbeelden zijn: ‘ Het vitamine C-gehalte van tomatensap van Nederlandse fabrieken’ Voeding 9 (1948) 111-113; ‘Een vergelijking in het vitamine C-gehalte bij bereiding in het groot, in open potten en in ‘hoge druk’ potten’ Voeding 12 (1951) 478.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-16&amp;gt;[16] Ch. Wilson, Geschiedenis van Unilever: een beeld van economische groei en maatschappelijke verandering (‘s Hertogenbosch 1984) 342-343, 379.  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-17&amp;gt;[17] A.P. den Hartog e.a., ‘Voedingsinformatie in reclame. Een analyse van 85 jaar voedingsmiddelenadvertenties’, Voeding 50 (1989) 224-229.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-18&amp;gt;[18] R. Lotgering-Hillebrand, ‘Gezonde voeding’, in Nederlands gezinsboek (Amsterdam 1935/1938) 205-285, 208. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-19&amp;gt;[19] Den Hartog, ‘Perioden in de ontdekking’, 94; G. Loggers, ‘Wettelijke regelingen met betrekking tot het vitamineren van levensmiddelen’ Voeding 30 (1969) 341-347.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-20&amp;gt;[20] R.D. Apple, Vitamania. Vitamins in American Culture’ (New Brunswick 1996).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-21&amp;gt;[21] G. Huis in ’t Veld (red.), Voedsel. Productie, samenstelling, afzet, consumentenbelang (Amsterdam 1983) 252.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-22&amp;gt;[22] Uit de derde Voedselconsumptiepeiling in 1998 bleken paradoxale tendenzen: enerzijds bleef de ‘inname van belangrijke vitamines en mineralen onder de maat’, terwijl anderszijds (vergeleken met 1992) het gebruik van multivitaminepreparaten sterk steeg: ong&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-23&amp;gt;[23] C. den Hartog e.a., Nieuwe voedingsleer (Utrecht 1988) 253-256&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-24&amp;gt;[24] ‘Enzym’, Grote Winkler Prins Encyclopedie (negende druk, Amsterdam 1991) dl. 8, 364-366.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-25&amp;gt;[25] G.Beldman en A.G..J. Voragen, ‘Zetmeel- en sappenindustrie voorlopers in enzymtoepassing’, Special Ingredienten, VMT, 28 (1995) 23, 36-38.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-26&amp;gt;[26] Max Dendermonde, Hoe wij het rooiden (Veendam 1979) 167-187.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-27&amp;gt;[27] Fysiche en chemische methoden van zetmeelmodificatie waren ook in zwang.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-28&amp;gt;[28] Beldman en Voragen, ‘Zetmeel- en sappenindustrie’, 36.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-29&amp;gt;[29] Dit voorbeeld toont duidelijk de opeenvolging van problemen, oplossingen en nieuwe problemen, die herhaaldelijk zijn aan te treffen in de techniekontwikkeling. Het is gebaseerd op A. Schrauwers, 'Enzym verdringt vruchtepers'. G. van Maanen (red), Sporen v&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-30&amp;gt;[30] Sporen van Wageningen &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-31&amp;gt;[31] H.A Boekenoogen, ‘Vijftig jaren levensmiddelentechnologie in Nederland’, Chemisch Weekblad, 50 (&amp;gt;&amp;gt;) 5, 65-70, 69.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-32&amp;gt;[32] Als maatstaf voor schadelijkheid wordt door toxicologen tegenwoordig voor een aantal stoffen de ADI-waarde (Acceptable Daily Intake) gehanteerd, de maximale hoeveelheid die mensen per kilo lichaamsgewicht mogen binnenkrijgen&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-33&amp;gt;[33] G.J. van Meurs, ‘De Nederlandse Chemische Vereniging en het Keuringsdienstwezen in Nederland.’, Chemisch Weekblad, (1954), 70-71.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-34&amp;gt;[34] Voeding, 109-110.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-35&amp;gt;[35] F.D. Tollenaar (....) 1949. 109; vraaggesprekken met A. van Otterloo, datum:&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-36&amp;gt;[36] J.F. Reith, Voeding 2 (1941) 197-204. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-37&amp;gt;[37] J.F. Reith, Wat eten wij? Over natuurlijke en bewerkte levensmiddelen (Zaltbommel 1956), 106-107.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-38&amp;gt;[38] Vaak werden textielkleurstoffen ook voor voedingsmiddelen gebruikt. J.F.Reith, Wat eten wij? 53.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-39&amp;gt;[39] O.A.Corver, Aaltje, nieuw Nederlandsch kookboek (Amsterdam 1993), 226-227.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-40&amp;gt;[40] Vgl. ondermeer: J.Kamsteeg en M.I.A.Baas, E=Eetbaar? Alle e-nummers en de belangrijkste overige additieven (Haarlem 1988); M.Stasse-Wolthuis, J.G.A.J.Hautvast, Voedselveiligheid. Van teelt tot consument. (Alphen a/d Rijn/Brussel 1989); F.ten Hoor, Voedsel&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-41&amp;gt;[41] M. Schrover, ‘“Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner de moeder”. Joodse ondernemers in de voedings- en genotmiddelenindustrie’, in: H. Berg, T. Wijsenbeek, E. Fischer (red.), Fabriqueur, fabrikant. Joodse ondernemers en ondernemingen in Nederlan&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-42&amp;gt;[42] De informatie over Quest is ontleend aan C. Dijkema, De geschiedenis van de Techniek in Geur- en smaakstoffen (Amsterdam 1998) ongepubliceerd stagerapport Vagroep Sociologie, 9-16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-43&amp;gt;[43] J.A. Buchel, ‘Aromatiseren, kunst of kunde?’, Naarden Nieuws, (1967) nr. 180, 2.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-44&amp;gt;[44] ‘De grondstoffen in de aroma’s oor voedings-en genotmiddelen’, Naarden Nieuws, (1966), nr. 177, 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-45&amp;gt;[45] Naarden Nieuws, (1969) nr. 200, 4.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-46&amp;gt;[46] J.Claasen, Tussen neus en lippen (Den Haag 1995), 31-33, 112; A.Ruiter, Natuurlijke voedseladditieven vragen nader onderzoek, VMY 12 oktober 1989 no 29, 148-`49.. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-47&amp;gt;[47] J. Claassen, Tussen neus en lippen.133-134.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-48&amp;gt;[48] A. ‘De herleving van de beweging voor natuurlijk en gezond voedsel 1890-1990’, Amsterdams Sociologisch Tijdschrift...., 1983,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-49&amp;gt;[49] Trouw, 24 mei 2000, 7&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-50&amp;gt;[50] R.A.Schilpzand, Voedseladditieven, op naar minder, VMT (1990) 14/15, 11-13. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-51&amp;gt;[51] M. Stasse-Wolthuis en A.C.Douwes (red), Eten als medicijn: voeding met anti-oxydanten (Houten/Diegem 1995), 92-93.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-52&amp;gt;[52] M.Feenstra, Voedselveiligheid: zorg voor of van de consument?, Landbouwkundig Tijdschrift 103 (1991) 8, 13-15; Consumentenadditievengids (Den Haag 1996), 4-5.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H5</id>
		<title>Noten TIN20-3-H5</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H5"/>
				<updated>2007-06-20T10:30:09Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;br&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 5'''&lt;br /&gt;
 ''Titel''&lt;br /&gt;
&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-1&amp;gt;[1] L.Reijnders, R.Sijmons e.a., Voedsel in Nederland. Gezondheid, bedrog en vergif (Amsterdam 1973&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-2&amp;gt;[2] Reijnders en Sijmons 1973, 107-109.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-3&amp;gt;[3] A.H. van Otterloo, ‘The development of public distrust in modern food technology in the Netherlands. Professionals, laymen and the Consumer’s Union’, in: A.P. den Hartog (ed.), Food, Technology, Science and Marketing. European Diet in the Twentieth Centur&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-4&amp;gt;[4] S. Aupers en A. H. van Otterloo, New Age.Een godsdiensthistorische en sociologische benadering, Kampen 2000, 62.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-5&amp;gt;[5] UHA, UUB 809; Unilever constateerde een aantal feitelijke onjuistheden en ging voorts vooral in op de BWA-kritiek op gezondheidsreclame. Gezondheidsclaims zijn nog steeds omstreden.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-6&amp;gt;[6] H.van den Dool, ‘Smakelijk eten’, Voeding 43 (1982) 1, 5-9, A.van Genderen, ‘Smakelijk eten?’, Voeding 43 (1982) 1, 1982, 10-11, L.Reijnders, ‘De aanvaardbaarheid van voedseladditieven’, Voeding 43, (1982) 3; Advies voedseladditieven en –verontreinigignen&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-7&amp;gt;[7] Commissie van de Europese gemeenschappen, Het gebruik van additieven in levensmiddelen en de consument. Luxemburg (Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen) 1980; .Schoor, Hanke, Er staat niet wat er staat. Over voedsel, verpakking, r&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-8&amp;gt;[8] De benaming vitamines verdient volgens Voeding 41 (1980) 303 de voorkeur boven vitaminen. De gegevens over de geschiedenis zijn aan diverse artikelen in dit blad ontleend, zie: C. den Hartog, ‘Perioden in de ontdekking en waardering van vitamines’, Voedin&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-9&amp;gt;[9] Vitamine, Winkler Prins, negende druk (1993), 23-26. L.J.Machlin, Vitamins. Basics (Basel 1997), . &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-10&amp;gt;[10] Funk leverde wel een theoretische bijdrage, maar over zijn rol in de isolatie van vitamine B1 zijn de historici het niet eens; nationale eer speelt daarin mee.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-11&amp;gt;[11] H.J. Teuteberg, ‘The discovery of vitamins. Laboratory research, reception, industrial production’ in Alexander Fenton, Order and disorder, (Edinburgh 2000) te verschijnen. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-12&amp;gt;[12] Van 1912 tot 1936 was Grijns hoogleraar in de fysiologie in Wageningen, waar hij de betekenis van vitamine E voor de voortplanting ontdekte.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-13&amp;gt;[13] P.J. van der Laan, ‘De vitaminen. Een beknopt overzicht’, Voeding 7 (1946/47)&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-14&amp;gt;[14] Het vitamine-onderzoek duurt voort, maar de (voorlopig) laatste nieuwe synthese vond plaats in 1972 (Vitamine B12); in totaal zijn 13 vitamines ontdekt, al wordt wordt nog getwist over sterk verwante stoffen, L.J.Machlin, ‘Introduction’ in Vitamins (Basel&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-15&amp;gt;[15] Voorbeelden zijn: ‘ Het vitamine C-gehalte van tomatensap van Nederlandse fabrieken’ Voeding 9 (1948) 111-113; ‘Een vergelijking in het vitamine C-gehalte bij bereiding in het groot, in open potten en in ‘hoge druk’ potten’ Voeding 12 (1951) 478.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-16&amp;gt;[16] Ch. Wilson, Geschiedenis van Unilever: een beeld van economische groei en maatschappelijke verandering (‘s Hertogenbosch 1984) 342-343, 379.  &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-17&amp;gt;[17] A.P. den Hartog e.a., ‘Voedingsinformatie in reclame. Een analyse van 85 jaar voedingsmiddelenadvertenties’, Voeding 50 (1989) 224-229.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-18&amp;gt;[18] R. Lotgering-Hillebrand, ‘Gezonde voeding’, in Nederlands gezinsboek (Amsterdam 1935/1938) 205-285, 208. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-19&amp;gt;[19] Den Hartog, ‘Perioden in de ontdekking’, 94; G. Loggers, ‘Wettelijke regelingen met betrekking tot het vitamineren van levensmiddelen’ Voeding 30 (1969) 341-347.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-20&amp;gt;[20] R.D. Apple, Vitamania. Vitamins in American Culture’ (New Brunswick 1996).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-21&amp;gt;[21] G. Huis in ’t Veld (red.), Voedsel. Productie, samenstelling, afzet, consumentenbelang (Amsterdam 1983) 252.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-22&amp;gt;[22] Uit de derde Voedselconsumptiepeiling in 1998 bleken paradoxale tendenzen: enerzijds bleef de ‘inname van belangrijke vitamines en mineralen onder de maat’, terwijl anderszijds (vergeleken met 1992) het gebruik van multivitaminepreparaten sterk steeg: ong&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-23&amp;gt;[23] C. den Hartog e.a., Nieuwe voedingsleer (Utrecht 1988) 253-256&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-24&amp;gt;[24] ‘Enzym’, Grote Winkler Prins Encyclopedie (negende druk, Amsterdam 1991) dl. 8, 364-366.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-25&amp;gt;[25] G.Beldman en A.G..J. Voragen, ‘Zetmeel- en sappenindustrie voorlopers in enzymtoepassing’, Special Ingredienten, VMT, 28 (1995) 23, 36-38.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-26&amp;gt;[26] Max Dendermonde, Hoe wij het rooiden (Veendam 1979) 167-187.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-27&amp;gt;[27] Fysiche en chemische methoden van zetmeelmodificatie waren ook in zwang.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-28&amp;gt;[28] Beldman en Voragen, ‘Zetmeel- en sappenindustrie’, 36.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-29&amp;gt;[29] Dit voorbeeld toont duidelijk de opeenvolging van problemen, oplossingen en nieuwe problemen, die herhaaldelijk zijn aan te treffen in de techniekontwikkeling. Het is gebaseerd op A. Schrauwers, 'Enzym verdringt vruchtepers'. G. van Maanen (red), Sporen v&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-30&amp;gt;[30] Sporen van Wageningen &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-31&amp;gt;[31] H.A Boekenoogen, ‘Vijftig jaren levensmiddelentechnologie in Nederland’, Chemisch Weekblad, 50 (&amp;gt;&amp;gt;) 5, 65-70, 69.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-32&amp;gt;[32] Als maatstaf voor schadelijkheid wordt door toxicologen tegenwoordig voor een aantal stoffen de ADI-waarde (Acceptable Daily Intake) gehanteerd, de maximale hoeveelheid die mensen per kilo lichaamsgewicht mogen binnenkrijgen&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-33&amp;gt;[33] G.J. van Meurs, ‘De Nederlandse Chemische Vereniging en het Keuringsdienstwezen in Nederland.’, Chemisch Weekblad, (1954), 70-71.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-34&amp;gt;[34] Voeding, 109-110.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-35&amp;gt;[35] F.D. Tollenaar (....) 1949. 109; vraaggesprekken met A. van Otterloo, datum:&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-36&amp;gt;[36] J.F. Reith, Voeding 2 (1941) 197-204. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-37&amp;gt;[37] J.F. Reith, Wat eten wij? Over natuurlijke en bewerkte levensmiddelen (Zaltbommel 1956), 106-107.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-38&amp;gt;[38] Vaak werden textielkleurstoffen ook voor voedingsmiddelen gebruikt. J.F.Reith, Wat eten wij? 53.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-39&amp;gt;[39] O.A.Corver, Aaltje, nieuw Nederlandsch kookboek (Amsterdam 1993), 226-227.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-40&amp;gt;[40] Vgl. ondermeer: J.Kamsteeg en M.I.A.Baas, E=Eetbaar? Alle e-nummers en de belangrijkste overige additieven (Haarlem 1988); M.Stasse-Wolthuis, J.G.A.J.Hautvast, Voedselveiligheid. Van teelt tot consument. (Alphen a/d Rijn/Brussel 1989); F.ten Hoor, Voedsel&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-41&amp;gt;[41] M. Schrover, ‘“Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner de moeder”. Joodse ondernemers in de voedings- en genotmiddelenindustrie’, in: H. Berg, T. Wijsenbeek, E. Fischer (red.), Fabriqueur, fabrikant. Joodse ondernemers en ondernemingen in Nederlan&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-42&amp;gt;[42] De informatie over Quest is ontleend aan C. Dijkema, De geschiedenis van de Techniek in Geur- en smaakstoffen (Amsterdam 1998) ongepubliceerd stagerapport Vagroep Sociologie, 9-16.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-43&amp;gt;[43] J.A. Buchel, ‘Aromatiseren, kunst of kunde?’, Naarden Nieuws, (1967) nr. 180, 2.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-44&amp;gt;[44] ‘De grondstoffen in de aroma’s oor voedings-en genotmiddelen’, Naarden Nieuws, (1966), nr. 177, 3.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-45&amp;gt;[45] Naarden Nieuws, (1969) nr. 200, 4.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-46&amp;gt;[46] J.Claasen, Tussen neus en lippen (Den Haag 1995), 31-33, 112; A.Ruiter, Natuurlijke voedseladditieven vragen nader onderzoek, VMY 12 oktober 1989 no 29, 148-`49.. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-47&amp;gt;[47] J. Claassen, Tussen neus en lippen.133-134.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-48&amp;gt;[48] A. ‘De herleving van de beweging voor natuurlijk en gezond voedsel 1890-1990’, Amsterdams Sociologisch Tijdschrift...., 1983,&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-49&amp;gt;[49] Trouw, 24 mei 2000, 7&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-50&amp;gt;[50] R.A.Schilpzand, Voedseladditieven, op naar minder, VMT (1990) 14/15, 11-13. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-51&amp;gt;[51] M. Stasse-Wolthuis en A.C.Douwes (red), Eten als medicijn: voeding met anti-oxydanten (Houten/Diegem 1995), 92-93.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=5-52&amp;gt;[52] M.Feenstra, Voedselveiligheid: zorg voor of van de consument?, Landbouwkundig Tijdschrift 103 (1991) 8, 13-15; Consumentenadditievengids (Den Haag 1996), 4-5.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H4</id>
		<title>Noten TIN20-3-H4</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H4"/>
				<updated>2007-06-20T10:29:12Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 4''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-1&amp;gt;[1] J. L. van Zanden, Een klein land in de twintigste eeuw. Economische geschiedenis van Nederland 1914-1995 (Utrecht 1997) 183. De getallen in deze paragraaf zijn ontleend aan: CBS, 95 jaren statistiek in tijdreeksen; CBS, 90 jaren statistiek in tijdreeksen;&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-2&amp;gt;[2] Al zijn deze CBS-gegevens deels een artefact van de gebruikte methode, ze zeggen toch iets over de verstedelijking van het platteland.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-3&amp;gt;[3] Over de jaren zestig zie J.C. Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw (Amsterdam 1995) en H. Righart, De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict (Amsterdam 1995). &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-4&amp;gt;[4] Zie ook G.de Vries, Nederland verandert. Sociale problemen in de jaren tachtig en negentig (Amsterdam 1992) 27-44, 50-59.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-5&amp;gt;[5] Al tijdens het derde internationale ‘Congress of Nutrition’, gehouden te Amsterdam in 1954 onder voorzitterschap van B.C.P. Jansen, waren de meeste onderzoeksbijdragen gewijd aan problemen van overgewicht, zie Voeding 16 (1955) 37-128.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-6&amp;gt;[6] M. Schrover, Voedings- en genotmiddelenindustrie. Een geschiedenis en bronnenoverzicht (Amsterdam 1993), 47-53&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-7&amp;gt;[7] Annie M.G. Schmidt, Het fluitketeltje (Amsterdam 1950).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-8&amp;gt;[8] H. Matsier, Gesloten huis. Zelfportret met ouders (Amsterdam 1994) 113-115.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-9&amp;gt;[9] Deze constatering is in overeenstemming met de bekende wet van Engel, volgens welke een stijging van het inkomen gepaard gaat met een relatieve daling van de uitgaven aan voedsel. Wat mensen kunnen eten is nu eenmaal niet onbeperkt.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-10&amp;gt;[10] Uniformering van maaltijdpatronen heeft betrekking op de sterke vervaging van bestaande regionale verschillen inclusief die tussen stad en platteland, zie J. Jobse-van Putten, Eenvoudig maar voedzaam. Cultuurgeschiedenis van de dagelijkse maaltijd in Nede&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-11&amp;gt;[11] Diverse gegevens in de volgende paragraaf genoemd zijn ontleend aan H.A. Leniger, ‘De betekenis en de ontwikkeling in de levensmiddelenindustrie’ (diesrede Landbouwhogeschool, 9 maart 1968), Conserva 16 (1968) 228-232 en aan A.M. Ruolf, ‘Schaalvergroting &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-12&amp;gt;[12] C. Salzman, ‘Margriet’s advies aan de Nederlandse huisvrouw’, Volkskundig Bulletin 11 (1985) 1-27. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-13&amp;gt;[13] A.P. den Hartog, ‘Eten buitenshuis. Ontwikkelingen van voedingsgewoonten buiten het huishouden’, Voeding 50 (1989) 282-286 en 311-315. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-14&amp;gt;[14] Tussen 1970 en 1990 steeg het aantal vakantiegangers per 100 inwoners van 45 naar ruim 70, terwijl in diezelfde periode het aantal buitenlandse vakanties dat van de binnenlandse sterk ging overtroeven, CBS, 95 jaar statistiek, 231.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-15&amp;gt;[15] W. Born, Kampeer- en caravankookboek (Helmond 1966).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-16&amp;gt;[16] M. Berendsen, Worden aardappeleters pasta-eters? (Rotterdam 1997, Scriptie Maatschappijgeschiedenis) 84-88.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-17&amp;gt;[17] CBS; Jobse-van Putten, Eenvoudig maar voedzaam, 339-341.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-18&amp;gt;[18] N. Cohen en J.M.G. Flour, Topcases uit de Nederlandse marketing (Leiden en Antwerpen 1986), 77-86; Schreurs, Collectieve reclame (Leiden, 1991).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-19&amp;gt;[19] B. Sluijter, Assortimentsonderzoek, Eindhoven/Amsterdam 1999, ongpubliceerd manuscript&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-20&amp;gt;[20] Het percentage vakantiegangers dat met de caravan op reis ging steeg tussen 1954 en 1971 van 1 naar 15, terwijl dat van tentkampeerders tot 1966 ruim verdubbelde tot 28 en daarna licht daalde, A. Hessels, Vakantie en vakantiespreiding sinds de eeuwwisseli&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-21&amp;gt;[21] A.H. Van Otterloo, 'De herleving van de beweging voor natuur­lijk en gezond voedsel', Sociologisch Tijdschrift 10 (1983) 507-545.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-22&amp;gt;[22] In 1966 vond 34,1% van de Nederlanders gezondheid het allerbelangrijkste in het leven, 35,3% koos voor een goed huwelijk en 17,8% voor een sterk geloof. In 1993 waren deze getallen afgerond respectievelijk 60%, 13% en 4%. Zie SCP, Sociaal en cultureel rap&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-23&amp;gt;[23] Zie ook figuur 2 in hoofdstuk 1, Schema verwerkingsprocessen naar doelstelling. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-24&amp;gt;[24] Vgl. Leniger, ‘De betekenis van en de ontwikkeling in de levensmiddelenindustrie’, Conserva 16 (1968) 228-232 ook de volgende alinea is hierop gebaseerd; zie ook F.C.van Luyck, Internationalisering van de levensmiddelenindustrie, Conserva.17 (1969, 238-24&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-25&amp;gt;[25] Toch bedroeg het aantal academici in 1964 in de R&amp;amp;D-afdelingen van de voedingsmiddelenindustrie nog geen 300 en het bedrag hieraan besteed 40 miljoen gulden of 1.7 % van de netto toegevoegde waarde. Dit maakte echter de voedingsmiddelenindustrie, zeker ve&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-26&amp;gt;[26] J. van Lieshout, Het kan wel op, al is het lekker (Bussum 1980) 52.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-27&amp;gt;[27] O.C. Knottnerus, ‘Graanproducten’ in Leergang voedingsmiddelen van grondstof tot consument (Houten 1982) 125-131; 17 (1950), 22 (1960)..&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-28&amp;gt;[28] O.C. Knottnerus, ‘Graanproducten’ in Leergang voedingsmiddelen van grondstof tot consument (Houten 1982) 125-131; 17 (1950), 22 (1960)..&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-29&amp;gt;[29] A.A. de la Bruheze, ‘Food for thought. The development of U.S. radiological food preservation technology 1950-1960’ (Universiteit Twente, Draftversion 1990); G. Vrieze, Voedselbestraling. Een moderne manier van conserveren (Scriptie WTS Universiteit Twent&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-30&amp;gt;[30] J.Farkas, Voedseldoorstraling in mondiaal perspectief, H.Labots, H.J.Beckers e.a.(red), Voedselconservering door straling, Leiden 1985, 41-47; Consumentenadditievengids Den haag 1996, 5.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-31&amp;gt;[31] F.J. Tempel, ‘De levensmiddelensector van Unilever’, Rede gehouden in de algemene vergadering van aandeelhouders (Rotterdam 29 april 1964) 12-14; Ch. Wilson, Unilever in de tweede industriële revolutie 1945-1965 (‘s Hertogenbosch 1984) 223-224.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-32&amp;gt;[32] ‘Vriesdrogen of droogvriezen’ in Grote Winkler Prins (Amsterdam 1975) 201; ook instantkoffie is gebaseerd op dit procede.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-33&amp;gt;[33] W.J.Beek, History of research and engineering in Unilever 1911-1986 (Unilever 1996).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-34&amp;gt;[34] Wilson, Unilever 1945-1965, 76; 79-81; 94-96. A. A. de la Bruheze, interne onderzoeksrapportage ‘Boter versus margarine’ (1999) 22-28.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-35&amp;gt;[35] Vgl. L. Reijnders, R. Sijmons e.a., Voedsel in Nederland. Gezondheid, bedrog en vergif (Amsterdam 1973) en G. J. Huis in’t Veld, e.a. voedsel. Produktie, samenstelling, afzet, consumentenbelang (Amsterdam 1983).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-36&amp;gt;[36] L. Veldhoen en J. van den Ende, Technische Mislukkingen (Rotterdam 1995) 18-22. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-37&amp;gt;[37] A. Van Otterloo, 'De herleving van de beweging voor natuur­lijk en gezond voedsel', Sociologisch Tijdschrift 10 (1983) 507-545 &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-38&amp;gt;[38] A.P. den Hartog, A. van der Heijden e.a., Nieuwe voedingsmiddelen. Biotechnologie, novel en functional foods, (Utrecht 1994) 1. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-39&amp;gt;[39] J.G.A.J. Hautvast en R.J.J.Hermus, ‘Een voedsel-en voedingsbeleid in Nederland: bestrijding van de gevolgen van de welvaart, l en ll, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 123 (1979)22, 939-944 en 23, 975-985; L.Ginjaar, ‘Waarom heeft Nederland een voed&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-40&amp;gt;[40] Sinds 1953 had de Schijf van Vijf gediend als voorlichtingsinstrument over goede voeding, maar de overdadige consumptie van vetten en sukers maakten het ouderwets, G.I. ter Haar e.a., ‘De Schijf van Vijf – een ideaal voedingsvoorlichtingsinstrument?’, Voe&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-41&amp;gt;[41] J.H.Post en A.Pronk, enkele ontwikkelingen in de Nederlandse Voedings- en genotmiddelenindustrie in de periode 1973-1985, VMT (1986) 19. 19-23; Ministerie van Landbouw en Visserij en Ministerie van Economische Zaken, Voedings- en genotmiddelenindustrie. B&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-42&amp;gt;[42] H.A.C.Thijssen, Stimulering van gerichte product- en procesontwikkeling in de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie dringend gewenst, Voedingsmiddelentechnologie, 8 februari 1978, 11 no 6, 21-25; H.A.Leniger, Het voedingsmiddelenonderzoek. In Nederland: o&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-43&amp;gt;[43] ‘Vijftien kilometer fietsen voor de koopjes’, NRC-Handelsblad 14 september 1999. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-44&amp;gt;[44] Gerard Rutte en Josee Koning, De supermarkt, 50 jaar geschiedenis. (Baarn 1998) 28, 72-75. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-45&amp;gt;[45] Jo Legerstee vertelde dat hij op reis in de VS op het idee van de parkeerplaats kwam, toen hij vanuit het raam van zijn hotelkamer waarnam dat twee kerken, met en zonder parkeerplaats, verschilden in het aantal gelovigen dat ze trokken: de kerk met parkee&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-46&amp;gt;[46] I. Montijn, Aan tafel! Vijftig jaar eten in Nederland (Utrecht/Antwerpen 1991) 40-56.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-47&amp;gt;[47] Allerhande 1956; H.Ph. Hondelink, Detailhandel. Een geschiedenis en bronnenoverzicht (Amsterdam 1993) 26-27, 29, 30. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-48&amp;gt;[48] Vakblad voor de groothandel in aardappelen, groenten en fruit 14 (1960) no 30, 2.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-49&amp;gt;[49] Het Levensmiddelenbedrijf 65 (1961) no 32, 1031. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-50&amp;gt;[50] Marlou Schrover, ‘De Fiva als bijzondere variant van collectieve verticale prijsbinding, 1928-1975’ in Neha-Jaarboek voor economische, bedrijfs- en techniekgeschiedenis 59 (1996), 292-329.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-51&amp;gt;[51] W. Schreurs, Geschiedenis van de reclame (Utrecht 1989) 177-181; A.P. den Hartog e.a., ‘Voedingsinformatie in reclame. Een analyse van 85 jaar voedingsmiddelenadvertenties’ Voeding 50 (1989) 224-229.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-52&amp;gt;[52] Ook Zwitserland inspireerde tot innovatie; hier organiseerde Gottlieb Duttweiler van Migros, bedenker van de rijdende winkel, elk jaar een driedaags congres over zelfbediening; J.L. de Jager, Arm en rijk kunnen bij mij hun inkopen doen. De geschiedenis va&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-53&amp;gt;[53] Rutte en Koning, De supermarkt, 75.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-54&amp;gt;[54] Montijn, Aan tafel, 50.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-55&amp;gt;[55] A.C. Arts, Het levensmiddelenbedrijf (‘sGravenhage 1981) 10.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-56&amp;gt;[56] Dit symposium werd in 1968 gehouden en is uitvoerig verslagen in een aantal afleveringen van Conserva, vgl. C. Govers, ‘Assortiment en presentatie in de voedingsmiddelensector’, 17 (1969) 307-308 en P. Ligtenstein, ‘De distributie van levens- en genotmidd&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-57&amp;gt;[57] C. Govers, ‘Assortiment en presentatie’. Blijkens dit artikel werd in de VS rond 1968 jaarlijks 22% aan nieuwe en vernieuwde producten op de markt gebracht, terwijl 17% afviel, een nettogroei van 5% per jaar, hetgeen een volledige vernieuwing van het asso&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-58&amp;gt;[58] De Jager, Arm en rijk, 196-205; Jobse-van Putten, Eenvoudig maar voedzaam, 450-452.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-59&amp;gt;[59] D.E.Aldershoff, ‘Tijdbesteding aan de zorg voor voeding’ Voeding 46 (1985) 208-2013.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-60&amp;gt;[60] Hondelink, Detailhandel, 49.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-61&amp;gt;[61] A.P. den Hartog, ‘Eten ‘buitenshuis’: Ontwikkelingen van voedingsgewoonten buiten het huishouden’ Voeding 50 (1989) 282-286, 311-317&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-62&amp;gt;[62] Trouw, 7 juni 2000.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-63&amp;gt;[63] Geoff Tansey &amp;amp; Tony Worsley, The food system: a guide (London 1995)&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-64&amp;gt;[64] W.de Wit, Ketendenken noodzakelijk om concurrentiepositie te versterken, VMT, 30 maart 1995, no 7, 46-50&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=4-65&amp;gt;[65] Zie voor het idee van reflexieve modernisering U. Beck, Risikogesellschaft: Aug dem Weg in eine andere Moderne (Frankfurt am Main 1986). Dit proces is al eerder zichtbaar, bijvoorbeeld in de Tweede Wereldoorlog toen er ook een apparaat ontstond om product&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H3</id>
		<title>Noten TIN20-3-H3</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H3"/>
				<updated>2007-06-20T10:28:50Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 3''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-1&amp;gt;[1] Officiële Catalogus van de tentoonstelling voor volksvoeding in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam (Amsterdam 1923), 18. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-2&amp;gt;[2] Voor het huisgezin, 1 (1924) 5, 1; plantaardige margarine bood nieuwe mogelijkheden voor vegetariers, een groep principiele en bewuste consumenten, verenigd in de Nederlandsche Vegetariersbond; fabrikanten stelden hun producten wel onder controle van deze&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-3&amp;gt;[3] Zie ook H.W. Lintsen e.a. (red.) Geschiedenis van de Techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890, deel I (Zutphen 1992), 267-268; J.L. de Jager, Arm en rijk kunnen bij mij hun inkopen doen. De geschiedenis van Albert Heijn en K&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-4&amp;gt;[4] Anneke H. van Otterloo, ‘De industrialisering van keuken en koken. Toenemende bindingen tussen huishoudens en bedrijven (1920-1970), Tijdschrift voor Vrouwenstudies; nr. 33 (1988), 3-27; diverse gegevens in dit hoofdstuk zijn op dit artikel gebaseerd, vgl&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-5&amp;gt;[5] Wim Wennekes, De aartsvaders. Grondleggers van het Nederlandse bedrijfsleven (Amsterdam/Antwerpen 1993), 221-281, 248-251.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-6&amp;gt;[6] In 1927 waren er 107 filialen en in 1937 230, H.Ph. Hondelink, Detailhandel. Een geschiedenis en bronnenoverzicht (Amsterdam 1993) 28; vgl. ook J.L.de Jager, Arm en rijk, 48-56. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-7&amp;gt;[7] Deze alinea is voornamelijk gebaseerd op M. Schrover, ‘De Fiva als bijzondere variant van collectieve verticale prijsbinding, 1928-1975’, in: NEHA-Jaarboek voor Economische, Bedrijfs- en Techniekgeschiedenis 59 (1996), 292-329. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-8&amp;gt;[8] Merkartikelen maakten advies van winkeliers overbodig, maar zij werden wel geacht mee te werken aan de reclame-acties van de fabrikanten. Zie over de Fivo ook hoofdstuk 4 van dit deel en voor reclamegeschiedenis W. Schreurs, Geschiedenis van de reclame in&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-9&amp;gt;[9] Zie G.G. Smit, Het landbouwhuishoudonderwijs in Nederland. Ontstaan, ontwikkeling en betekenis, (Den Haag 1966), Jozien Jobse van Putten, ‘Met nieuwe tijd komst nieuw (w)eten. Invloed van het voedingsonderricht op de Nederlandse voedingsgewoonten, ca. 188&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-10&amp;gt;[10] De eerste druk van zijn vermaarde Voedingsleer. Populaire voordrachten over voeding en stofwisseling van den mensch, deel 1 (Amsterdam 1909) schreef hij samen met Martine Wittop-Koning.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-11&amp;gt;[11] Anneke H. van Otterloo, ‘Voedzaam, smakelijk en gezond. Kookleraressen en pogingen tot verbetering van eetgewoonten tussen 1880 en 1940’, Sociologisch Tijdschrift nr. 12 (1985), 495-542.; A.H. van Otterloo, ‘’Van kookleraressen tot diëtisten. Het streven &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-12&amp;gt;[12] J. van der Haar (m.m.v. M.E. de Ruiter), De geschiedenis van de Landbouwuniversiteit Wageningen, dl 1 Van School naar Hogeschool 1873-1945 (Wageningen 1993) 236-237.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-13&amp;gt;[13] 25 jaar IBTV (Instituut voor Bewaring, en verwerking van Tuinbouwproducten) (‘s Gravenhage 1961)&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-14&amp;gt;[14] M.J.L. Dols, ‘Enkele beschouwingen bij gelegenheid van het zestigjarig bestaan van het NIVV’, in: Voeding 40 (1979), 218-222;T. van den Briel-van Ingen, ‘Beknopte geschiedenis van de voedingswetenschap in Nederland’, Voeding, 44 (1983) 5, 160-170.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-15&amp;gt;[15] A. de Knecht-van Eekelen, Gewina 1996, 43-45. In 1938 bracht de befaamde biochemicus B.C.P..Jansen het NIVV onder in zijn Physiologisch-Chemisch Laboratorium.aan de Universiteit van Amsterdam.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-16&amp;gt;[16] Vgl. Jasper Faber, ‘C.J.van Nieuwenburg over organisatie van wetenschappelijk technisch werk’, Gewina, 21 (1998), 15-29 en voorts: Een kwart eeuw TNO. Gedenkboek bij de voltooiing van de eerste 25 jaar werkzaamheid van de organisatie TNO op 1 mei 1957, Ne&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-17&amp;gt;[17] A.C. de Gooijer, Over de tong. Veertig jaar voedingsonderzoek Voedingsorganisatie TNO, (Aarlanderveen 1980); J. Straub, ‘Algemene Organen ten behoeve van de levensmiddelentechnologie’, in: Chemisch Weekblad,, jg. 50, nr. 5, (30 Jan. 1954), 71-74.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-18&amp;gt;[18] Buiten de grenzen vond een vergelijkbare ontwikkeling plaats, zie bv. S..M.Horrocks, The Business of Vitamins: Nutrition Science and the Food-Industry in Iinter-war Britain, H.Kamminga &amp;amp; A.Cunningham (eds), The Science and Culture of Nutrition 1840-1940 (&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-19&amp;gt;[19] Martine Wittop-Koning Eenvoudige berekende recepten 23e druk. Almelo 1913 (1901). De schrijfster ontleende deze uitspraak aan de socialiste en feministe Suze Groeneweg, eerste vrouwelijk kamerlid in Nederland.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-20&amp;gt;[20] Ali de Regt, Arbeidersgezinnen en beschavingsarbeid. Ontwikkelingen in Nederland 1870-1940. (Meppel/Amsterdam 1984).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-21&amp;gt;[21] Zie bijvoorbeeld A.J. Otte-Arnolli, Gesprekken met huisvrouwen (Utrecht 1950).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-22&amp;gt;[22] Burgerlijke beschavingsoffensieven op voedingsgebied werden al ondernomen door het Nut , halverwege de achttiende eeuw. Zie: Peter Rietbergen, ‘To Feed the Poor and Improve Their Morals’, in: Halici F., (red.), First International Food Congress, sept. 198&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-23&amp;gt;[23] Erna Meyer, De nieuwe huishouding. Bewerkt onder leiding van R. Lotgering-Hillebrand (Amsterdam 1931; oorspronkelijk 1929).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-24&amp;gt;[24] Anne Marie, ‘Achter de schermen van het IVHA’, in: Denken en Doen, 50, (1966) 3, 7-10.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-25&amp;gt;[25] Ineke Jonker, Huisvrouwenvakwerk (Baarn 1987), 37-38.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-26&amp;gt;[26] Zie Huishouding, voorlichting en wetenschap. 50 jaar Stichting voor Huishoudelijke en Consumentenvoorlichting-HVP (‘s Gravenhage 1985).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-27&amp;gt;[27] H.L.G.Rijneveld-van Dijk, een korte kroniek van 40 jaar voedingsvoorlichting, Voeding 42 (1981), 142-154; R.B.M. Rigter, ‘Met raad en daad. De geschiedenis van de gezondheidsraad, 1902-1085’ (Rotterdam 1992) 118-119.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-28&amp;gt;[28] Martine Wittop-Koning schreef bijvoorbeeld ook de vierseizoenen kookboekjes voor Calvé.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-29&amp;gt;[29] Geciteerd bij Wilbert Schreurs, Collectieve reclame in Nederland (Leiden/Antwerpen 1991), 12. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-30&amp;gt;[30] Voor het ontwerpen van cadeaus werden bekende kunstenaars en schrijvers gecontracteerd; de Verkade-albums werden onder meer geïllustreerd door L.W.R. Wenckebach, de NOF-boekjes geschreven en geïllustreerd door Johan Fabricius.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-31&amp;gt;[31] Zie over radio, Huub Wijfjes, Hallo hier Hilversum. Driekwart eeuw radio e televisie, (Weesp 1985)&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-32&amp;gt;[32] Van Otterloo, Eten en eetlust, 162.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-33&amp;gt;[33] Jan Bieleman, Geschiedenis van de Landbouw in Nederland 1500-1950, (Wageningen 1992), 224-227.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-34&amp;gt;[34] Voor dit hoofdstuk is meermalen ontleend aan Joh. De Vries, ‘Het economisch leven in Nederland 1918-1940’, Algemene Geschiedenis der Nederlanden deel 14 (Haarlem 1979), 102-146.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-35&amp;gt;[35] Trienekens, G.M.T. Tussen ons volk en de honger. De voedselvoor­ziening 1940-1945 (Wageningen/Utrecht 1985), 9-43.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-36&amp;gt;[36] Geciteerd bij Wilbert Schreurs, Collectieve reclame in Nederland (Leiden/Antwerpen 1991), 17, zie voor deze alinea ook aldaar pp. 16-18. Schreurs noemt de volgende cijfers als indicator voor het succes van de campagnes: Tienduizenden vrouwen hebben inmidd&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-37&amp;gt;[37] J.C. Dekker, Zuivelcoöperaties op de zandgronden in Noord-Brabant en Limburg, 1892-1950. Overleven door samenwerking en modernisering, een mentaliteitsstudie (Tilburg 1996), 113-116.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-38&amp;gt;[38] Wilbert Schreurs, Collectieve reclame ( Leiden/Antwerpen 1991), 18-19.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-39&amp;gt;[39] De gegevens in deze paragraaf zijn voornamelijk ontleend aan: G.M.T. Trienekens, Tussen ons volk en de honger. De voedselvoorziening 1940-1945. (Utrecht 1985); zie ook: Evert Werkman, Dat kan ons niet gebeuren... Het dagelijks leven in de Tweede Wereldoor&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-40&amp;gt;[40] G.M. Minderhoud, De Nederlandse Landbouw, (Haarlem 1952), 184-216.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-41&amp;gt;[41] Dit betekende voor de keten een ontwikkeling, tegengesteld aan de heersende trend van verlenging en differentiatie, zie W. Abel, Stufen der Ernährung. Eine historische Skizze (Göttingen 1981), 65-73. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-42&amp;gt;[42] R.B.M. Rigter, Met raad en daad. De geschiedenis van de gezondheidsraad 1902-1985 (Rotterdam 1992),    118-120.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-43&amp;gt;[43] G.M.T. Trienekens, Tussen ons volk en de honger. De voedselvoor­ziening 1940-1945 (Utrecht 1985) aldaar 42 voor deze conclusie.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-44&amp;gt;[44] M.J.L. Dols, 'Enkele persoonlijke herinneringen aan het einde van de hongerwinter 1945', in: Voeding, jg. 16, nr. 5 (mei 1955), 406-410.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-45&amp;gt;[45] Wilbert Schreurs, Geschiedenis van de reclame in Nederland, 1870-1990. (Utrecht 1989), 116-122; 143-148; 154-156.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-46&amp;gt;[46] Frank Inklaar, Van Amerika geleerd. Marshall-hulp en kennisimport in Nederland. (Den Haag 1997), 271-309. Ook de informatie over de COP-studiereis over de levensmiddelendetailhandel is van Inklaar, 223-237, ontleend. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-47&amp;gt;[47] J. van der Haar (m.m.v. M.E. de Ruiter), De geschiedenis van de Landbouwuniversiteit Wageningen. dl II, 1993), 118-124&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-48&amp;gt;[48] C.W.Visser, Den Hartog en de Landbouwhogeschool, Voeding 31 (1970), 657-548. In 1969 werd ‘humane voeding’ in Wageningen een zelfstandig vak,, zie: Ypie Blauw e.a. (red), Van de grond naar de mond. 25 jaar vakgroep Humane Voeding (Wageningen 1994).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-49&amp;gt;[49] J. van der Haar, De geschiedenis, deel II, 50-52; 282-284.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-50&amp;gt;[50] Voor de relatie tussen gezinsidealen en nieuwe consumptie in het interbellum zie A. van Otterloo. ‘De industrialisering van keuken en koken’ (1988), Voor ideologie en sociologie in de jaren vijftig, zie M. Gastelaars, Een geregeld leven. Sociologie en soc&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-51&amp;gt;[51] Peter Scholliers attendeert in dit verband op het verwennen door echtenoten en moeders van mannen en kinderen met (zoete) lekkernijen. Al zijn er grote verschillen in culinaire tradities tussen Belgie en Nederland , de trend van de vrouw als keukenprinses&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-52&amp;gt;[52] Katarzyna J. Cwiertka, The making of modern culinary tradition in Japan, (Leiden 1999), 73-95, 133-133-141. diss. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-53&amp;gt;[53] Vijfenzeventig jaar Calvé: 1884-1959. Gedenkboek (Delft 1959); M. Schrover, Voedings- en genotmiddelenindustrie. Een geschiedenis en bronnenoverzicht (Amsterdam 1993), 29.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-54&amp;gt;[54] Regionale verschillen betroffen bijvoorbeeld het gebruik van soep; in het Zuiden gewoonte, in het Noorden veel minder.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-55&amp;gt;[55] Jozien Jobse-van Putten, Eenvoudig maar voedzaam. Cultuurgeschiedenis van de dagelijks maaltijd in Nederland. (Nijmegen 1995), 499-531.VERKORTEN?&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-56&amp;gt;[56] Anneke van Otterloo en Juul van Ogtrop, Het regime van veel, vet en zoet. Praten met moeders over voeding en gezondheid (Amsterdam 1989).&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-57&amp;gt;[57] Catherine Salzman, ‘Margriet’s advies aan de Nederlandse huisvrouw. Continuïteit en verandering in de culinaire geschiedenis van Nederland 1945-1975’, Volkskundig Bulletin, 11 (1985) 1, 1-27.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-58&amp;gt;[58] H. Baudet, Een vertrouwde wereld. 100 jaar innovatie in Nederland. (Amsterdam 1986), 102-108.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-59&amp;gt;[59] C.W. Willinge Prins-Visser, ‘Conserveren van levensmiddelen op het platteland’, Mededelingen van de landbouwhogeschool Wageningen/Nederland, 59 (1956), 49-59.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-60&amp;gt;[60] J. Jobse-van Putten, Van pekelvat tot diepvrieskist. Interviews en beschouwingen over de huishoudelijke conservering op het Nederlandse plattenland in de eerste helft van de twintigste eeuw (Amsterdam 1989), 10, 28-29;132.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-61&amp;gt;[61] Voeding 7 (1946) 98-99. &amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-62&amp;gt;[62] Spoedig besloeg het blad een breder technologisch terrein dan conserveren alleen; in 1968 ging het op in Voedingsmiddelentechnologie, F.D.Tollenaar en F.J.Röling, VMT honderd jaar, VMT, 28 (1995), 92-94.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-63&amp;gt;[63] ‘Het zilveren feest van de diepvriesindustrie’, Conserva, Maandblad voor de voedingsmiddelenindustrie, 3 (1954) 4, 101-102.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;br /&gt;
*&amp;lt;div id=3-64&amp;gt;[64] A.P. den Hartog e.a., ‘Voedingsinformatie in reclame. Een analyse van 85 jaar voedingsmiddelenadvertenties’, Voeding, 50 (1989) 8, 224-229.&amp;lt;/div&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-2-H7</id>
		<title>Noten TIN19-2-H7</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-2-H7"/>
				<updated>2007-06-20T10:28:25Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk H7''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H7</id>
		<title>Noten TIN19-1-H7</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H7"/>
				<updated>2007-06-20T10:28:16Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk H7''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H6</id>
		<title>Noten TIN19-1-H6</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H6"/>
				<updated>2007-06-20T10:28:01Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 6''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H5</id>
		<title>Noten TIN19-1-H5</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H5"/>
				<updated>2007-06-20T10:27:50Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 5''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H4</id>
		<title>Noten TIN19-1-H4</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H4"/>
				<updated>2007-06-20T10:27:40Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 4''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H3</id>
		<title>Noten TIN19-1-H3</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H3"/>
				<updated>2007-06-20T10:27:30Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 3''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H2</id>
		<title>Noten TIN19-1-H2</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN19-1-H2"/>
				<updated>2007-06-20T10:27:20Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 2''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	<entry>
		<id>https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H10</id>
		<title>Noten TIN20-3-H10</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="https://www.techniekinnederland.nl/nl/index.php?title=Noten_TIN20-3-H10"/>
				<updated>2007-06-20T10:27:07Z</updated>
		
		<summary type="html">&lt;p&gt;DickvandenBrink: &lt;/p&gt;
&lt;hr /&gt;
&lt;div&gt;&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;br /&gt;
'''Hoofdstuk 10''' &lt;br /&gt;
''Titel''&lt;br /&gt;
&amp;lt;BR&amp;gt;&lt;/div&gt;</summary>
		<author><name>DickvandenBrink</name></author>	</entry>

	</feed>